Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:6880

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2022
Datum publicatie
13-07-2022
Zaaknummer
NL22.4976
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende aanvraag, iMMO-rapport, LH-arrest, guerrillabeweging ELN, Is sprake van een nieuw element en/of bevinding?, gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.4976

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. H. Loth), en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.4977, op 25 mei 2022 op zitting behandeld te Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Colombiaanse nationaliteit.

2. Op 12 maart 2020 heeft hij in Nederland een eerste asielaanvraag ingediend. Aan die aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij op tienjarige leeftijd met geweld is ontvoerd vanuit zijn ouderlijk huis en is gerekruteerd als kindsoldaat door de guerrillabeweging ELN.1 Eiser is getuige geweest van martelingen en ander geweld tegen mensen. Eiser is zelf ook gemarteld. Op 16-, 17- of 18-jarige leeftijd is eiser ontsnapt door weg te rennen uit het oerwoud. Hij is daarna ondergedoken geweest in verschillende departementen van Colombia. Op 10 maart 2020 is eiser Colombia legaal uitgereisd. Bij besluit van 6 november 2020 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.2 Het daartegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 11 december 2020 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ongegrond verklaard.3 Deze uitspraak

1. Ejército de Liberación Nacional.

2 Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet (hierna: Vw).

3 ECLI:NL:RBDHA:2020:12679.

is door de Afdeling4 bij uitspraak van 19 januari 2021 bevestigd. Het besluit is hiermee in rechte vast komen te staan.

3. Op 22 september 2021 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft een rapport van forensisch medisch onderzoek van iMMO5 overgelegd ter onderbouwing van deze aanvraag.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.6 Verweerder bestrijdt niet dat eiser medische klachten heeft en volgt ook dat daar geweld aan ten grondslag ligt. Eiser heeft echter verklaringen afgelegd met betrekking tot de kern van zijn asielrelaas die door verweerder tegenstrijdig, vaag en oppervlakkig zijn bevonden. De conclusies uit het iMMO-rapport leiden niet tot een ander oordeel. Volgens verweerder kan de inhoud van dit rapport eisers relaas daarom niet alsnog geloofwaardig maken.

5. Eiser voert hier in beroep tegen aan dat de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens eiser dient het iMMO-rapport, gelet op de daarin opgenomen bevindingen, te worden gezien als een nieuw element en/of bevinding dat moet leiden tot een inhoudelijke behandeling van eisers opvolgende aanvraag. Verweerder kan en mag dit rapport dan ook niet zonder nadere motivering naast zich neer leggen. Verweerder had in dit verband eiser tenminste in de gelegenheid moeten stellen om tijdens een gehoor zijn opvolgende aanvraag nader (in persoon) toe te lichten. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak van 25 maart 2022 van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch.7

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw kan verweerder een opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als de vreemdeling hier geen nieuwe elementen of bevindingen aan ten grondslag heeft gelegd of als daarin geen relevante nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen. Het ligt daarom op de weg van eiser om bij zijn opvolgende aanvraag dergelijke nieuwe elementen of bevindingen naar voren te brengen.

Beoordelingskader

7. In de zaak L.H. tegen Nederland heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) overwogen dat de beoordeling van opvolgende asielaanvragen die verweerder moet maken, bestaat uit twee stappen.8 De eerste stap is de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag. Deze stap bestaat uit twee fasen. De eerste fase is het onderzoek of er nieuwe elementen of bevindingen zijn in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. Alleen als

er nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de eerdere asielaanvraag, komt

4 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5 Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.

6 Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

7 ECLI:NL:RBDHA:2022:2662.

8 Arrest van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.

verweerder toe aan de tweede fase. De tweede fase is het onderzoek of

de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Daarvoor is volgens het Hof niet vereist dat verweerder op voorhand ervan overtuigd is dat het element alsnog tot inwilliging van het asielverzoek moet leiden. Van belang is of het element in enig verband staat met de vluchtmotieven die de vreemdeling naar voren heeft gebracht. Dit betekent dat slechts wanneer direct duidelijk is dat het element geen enkele steun kan bieden aan het asielrelaas, verweerder de opvolgende aanvraag zonder verder onderzoek als niet-ontvankelijk mag afwijzen. Een inhoudelijke beoordeling wordt dan achterwege gelaten. Dit heeft andersom tot gevolg dat, wanneer niet direct blijkt dat het nieuw ingebrachte element

in het geheel niet relevant is voor het asielrelaas, verweerder gehouden is een inhoudelijk onderzoek te verrichten om vast te stellen of de vreemdeling niet alsnog in aanmerking komt voor internationale bescherming. Dat betekent ook dat de opvolgende aanvraag niet meer niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Aan beide ontvankelijkheidsvereisten zoals genoemd in de eerste en tweede fase moet zijn voldaan, maar het Hof benadrukt dat het gaat om afzonderlijke vereisten. Als aan de vereisten is voldaan, moet verweerder overgaan tot de tweede stap. Die houdt in dat de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk wordt beoordeeld.9

Is sprake van een nieuw element en/of bevinding?

8. Eiser heeft bij zijn opvolgende aanvraag het iMMO-rapport overgelegd. Niet in geschil is dat dit rapport dateert van na het besluit in de eerste asielprocedure en niet eerder is beoordeeld. Er is daarom sprake van een nieuw element. Aan deze ontvankelijkheidseis is dan ook voldaan. Wel is uitdrukkelijk in geschil of de inhoud van het iMMO-rapport van dien aard is dat daardoor de kans dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming aanzienlijk groter is. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

9. In zijn uitspraken van 27 juni 201810 heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, overwogen dat indien een vreemdeling een iMMO-rapport heeft ingebracht dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, verweerder de conclusie uit dit rapport bij zijn beoordeling moet betrekken. Indien in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, kan verweerder hieraan niet voorbij kan gaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. Daartoe is wel vereist dat uit het iMMO-rapport blijkt op welke wijze de mate van waarschijnlijkheid dat de vreemdeling niet in staat was consistent te verklaren, is vastgesteld. Als verweerder geen medisch deskundige inschakelt en de in het iMMO-rapport neergelegde conclusie aldus niet bestrijdt, maar het relaas toch ongeloofwaardig acht, zal hij nader moeten motiveren waarom dit volgens hem het geval is.

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet bestrijdt dat het iMMO-rapport over eiser op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Dit rapport moet daarom worden aangemerkt als deskundigenrapport. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder in het bestreden besluit aldus dat de conclusies in het iMMO- rapport, daargelaten de inhoud daarvan, nimmer zullen kunnen afdoen aan de

9 Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208.

10 ECLI:NL:RVS:2018:2084, ECLI:NL:RVS:2018:2085 en ECLI:NL:RVS:2018:2086.

geloofwaardigheidsbeoordeling die verweerder in de eerste asielprocedure over het relaas van eiser heeft afgegeven, nu daarin al deugdelijk is gemotiveerd dat eiser ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd die de kern van zijn asielrelaas raken. Om die reden is het volgens verweerder niet nodig een medische deskundige te raadplegen - verweerder bestrijdt op zichzelf immers niet de conclusies van het iMMO - noch kan het rapport om die reden worden aangemerkt als een nieuw element en/of bevinding, waardoor voor verweerder ook geen noodzaak bestond om eiser opnieuw te horen.

11. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. In het rapport komt iMMO na uitgebreid onderzoek tot de conclusie dat eisers lichamelijke en psychische problematiek consistent is met het gestelde geweldsrelaas. Zeven van de bij eiser aangetroffen littekens zijn beoordeeld als consistent met de gestelde toedracht, bestaande uit het op eiser uitgeoefende geweld door (leden van) de ELN. Ook blijkt uit het rapport dat de psychische problemen die bij eiser zijn geconstateerd, te weten de specifieke intrusieve herinneringen en nachtmerries en daarmee samenhangende hallucinaties ten aanzien van de gestelde geweldservaringen bij de ELN, de daarmee gepaard gaande geobserveerde lichamelijke spanningsklachten en emoties, de door eiser benoemde specifieke trigger ((de geur van) bloed), de vermijding van (seksuele) prikkels en de verhoogde waakzaamheid, qua aard en inhoud nadrukkelijk bij het gestelde ondergane geweld passen. Volgens het rapport zal de geconstateerde psychische gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde van de gehoren door verweerder beperkingen hebben gegeven die zeker hebben geïnterfereerd met het compleet, coherent en consistent kunnen verklaren. Tegen die achtergrond is het standpunt van verweerder dat er hoe dan ook geen aanleiding is om terug te komen van de conclusie dat eisers relaas ongeloofwaardig is, gebrekkig gemotiveerd. Op grond van de inhoud van het iMMO-rapport kan immers niet worden uitgesloten dat, daar waar verweerder eerder heeft vastgesteld dat eiser niet naar behoren heeft verklaard, eiser tijdens de gehoren door zijn gezondheidssituatie werd belemmerd in het vermogen om wel compleet, consistent en coherent te verklaren. De enkele constatering dat de gebrekkige verklaringen van eiser betrekking hebben op de kern van zijn asielrelaas, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het iMMO-rapport volgt immers dat de medische beperkingen van eiser met zekerheid in de weg hebben gestaan aan het vermogen om over zijn problemen te verklaren. De verklaringen die in verband staan met de kern van het asielrelaas zijn daarbij niet uitgezonderd. Voor zover verweerder een andere opvatting is toegedaan, is deze niet gebaseerd op de bevindingen van een door verweerder geraadpleegde deskundige, terwijl verweerder zelf de medische expertise ontbeert om de conclusies van iMMO gemotiveerd te kunnen bestrijden.

Conclusie

12. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat het door eiser ingebrachte rapport geen enkele steun kan bieden aan het asielrelaas. Verweerder heeft daarom geen deugdelijk onderzoek verricht naar de vraag of het rapport de kans op inwilliging van het asielverzoek aanzienlijk groter maakt. Dit betekent dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe elementen en/of bevindingen die aanleiding geven voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. De aanvraag is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit zal om die reden worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder dient opnieuw op de aanvraag van eiser te beslissen. Hiertoe dient alsnog een nader onderzoek te worden verricht naar het door eiser ingebrachte rapport en de gevolgen daarvan voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door

eiser afgelegde verklaringen. Dit onderzoek kan plaatsvinden door eiser opnieuw (aanvullend) te horen of door hem in aanmerking te brengen voor een eigen forensisch medisch onderzoek, dan wel door een combinatie van beide. Nu met het door verweerder te verrichten onderzoek enige tijd zal zijn gemoeid, zal de rechtbank geen termijn verbinden aan de door verweerder te nemen beslissing.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 759,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,- (duizendvijfhonderdachttien euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Documentcode: DSR21217479

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.