Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:6775

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2022
Datum publicatie
12-07-2022
Zaaknummer
NL22.4948
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Alleenstaande vrouw in Nigeria. Risico op besnijdenis dochter niet aannemelijk. Niet aannemelijk dat eiseres in de verhoogde aandacht staat van de mensenhandelaars.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.4948


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiseres

v-nummer: [nummer 1]

mede namens haar minderjarige dochter [naam 2],

v-nummer: [nummer 2]

(gemachtigde: mr. A. Heida),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Fitters).


Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond.1

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2022 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1997. Eiseres stelt dat haar dochter eveneens de Nigeriaanse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum 2] 2019. Eiseres heeft verklaard dat haar vader en moeder zijn vermoord toen zij jong was. Daarna is zij opgevangen door haar oom en tante. Haar neef heeft haar verkracht. Verder werd zij door haar oom en tante verplicht om spullen te verkopen en de opbrengst aan hen af te staan. Eiseres heeft geld verzameld door op jonge leeftijd met mannen naar bed te gaan. Zij is in Nigeria gevlucht voor haar oom en tante. Vervolgens is zij in aanraking gekomen met mensensmokkelaars die haar hebben geholpen om Nigeria te verlaten. Eiseres heeft daarna een dochter gekregen. Eiseres vreest bij terugkeer naar Nigeria voor besnijdenis van haar dochter. Ook vreest zij voor haar oom en tante en de mensensmokkelaars.

Standpunt verweerder

2. Verweerder heeft vier relevante elementen onderscheiden: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst, 2. problemen met de tante van eiseres, 3. problemen met de mensensmokkelaar en 4. besnijdenis. Verweerder heeft alle relevante elementen geloofwaardig geacht, maar stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade.2 Daarom heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres en haar dochter afgewezen.

Standpunt eiseres

3. Eiseres voert aan dat verweerder de relevante elementen niet juist heeft weergegeven. De verkrachting door haar neef had als apart relevant element moeten worden getoetst. Ook had verweerder als relevant element moeten aanmerken dat eiseres zich als alleenstaande vrouw niet kan staande houden in Nigeria. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat dit onder het relevante element identiteit, nationaliteit en herkomst valt. Verder verwijst eiseres naar het landgebonden asielbeleid waarin staat dat er geen vestigingsalternatief voor vrouwen is die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen voor geweldpleging. Als eiseres terugkeert naar haar herkomstgebied, zal zij weer worden onderworpen aan uitbuiting en mishandeling van haar oom, tante en neef. Eiseres heeft geen netwerk, geen opleiding, geen kinderopvang en geen huisvesting. Verweerder heeft volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd waarom zij niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zichzelf kan handhaven in Nigeria en dat van haar verwacht kan worden dat zij een netwerk opbouwt. Ten aanzien van het risico op vrouwenbesnijdenis van haar dochter, merkt eiseres op dat dit wel aannemelijk is op grond van landeninformatie. Bovendien is onvoldoende gemotiveerd waarom haar oom, tante, broer en zus geen invloed kunnen hebben op de beslissing tot besnijdenis van haar dochter. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 februari 20223 en de uitspraak van het VN Mensenrechtencomité van 1 februari 2022.4 Tot slot stelt eiseres dat zij geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de vrouw die eiseres naar Europa heeft laten reizen. Dat eiseres nu al enige tijd niets heeft vernomen van de mensensmokkelaars, betekent niet dat zij niet in de negatieve aandacht staat van hen of dat zij haar niet kunnen vinden als zij terugkeert naar Nigeria. Eiseres verwijst naar drie uitspraken van de rechtbank Den Haag.5 Op zitting heeft eiseres opgemerkt dat verweerder het land waarnaar eiseres moet terugkeren niet heeft genoemd. Ook hierdoor is het bestreden besluit volgens eiseres gebrekkig.

Oordeel van de rechtbank

Relevante elementen

4. Volgens WI6 2014/10 is een relevant element een feit of omstandigheid dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het EVRM.7

5. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder de verkrachting door de neef in Nigeria als relevant element had moeten aanmerken. De verkrachting heeft immers lang voor het vertrek van eiseres uit Nigeria plaatsgevonden en eiseres heeft daarna geen problemen meer gehad met haar neef. Deze omstandigheid houdt dus geen verband met vluchtelingschap dan wel een schending van artikel 3 van het EVRM.

6. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder haar gestelde risico als alleenstaande vrouw in Nigeria ten onrechte niet als relevant element heeft aangemerkt. Hier is immers wel sprake van een onderwerp dat in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het EVRM. Dat dit onder het relevante element identiteit, nationaliteit en herkomst moet worden geschaard, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het bestreden besluit in zoverre een gebrek. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb8, omdat niet is gebleken dat eiseres in haar belangen is geschaad. Verweerder heeft immers dit gestelde risico wel getoetst in het besluit.

Alleenstaande vrouw in Nigeria

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat eiseres zich niet in Nigeria kan handhaven als alleenstaande vrouw en dat zij gedwongen zou zijn om naar haar oom en tante terug te keren. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

8. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als alleenstaande vrouw niet naar Nigeria kan terugkeren vanwege een risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres in staat moet worden geacht om een sociaal netwerk op te bouwen en in haar levensonderhoud te voorzien. Eiseres heeft lang in [plaatsnaam] gewoond en heeft daar ook gewerkt als verkoopster van vis, gerechten en kleding. Daarnaast kan van eiseres worden verwacht dat zij een nieuw sociaal netwerk opbouwt door zich bijvoorbeeld aan te sluiten bij een kerkgenootschap of door gebruik te maken van hulporganisaties. Uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij in Nigeria regelmatig naar de kerk ging.9 Uit de verschillende bronnen van landeninformatie blijkt wel dat alleenstaande vrouwen in Nigeria zich in een extra kwetsbare positie bevinden, maar dit neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar leven bij terugkeer naar [plaatsnaam] bij voorbaat als onhoudbaar moet worden beschouwd.

Risico op vrouwenbesnijdenis dochter

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat de dochter van eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade, nu niet aannemelijk is dat de dochter van eiseres bij terugkeer naar Nigeria te vrezen heeft voor vrouwenbesnijdenis. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

10. Uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van maart 2021 volgt niet dat iedere vrouw die terugkeert naar Nigeria aan vrouwenbesnijdenis wordt onderworpen. Het is dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat haar dochter een reëel risico loopt op gedwongen besnijdenis bij terugkeer naar Nigeria. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres deze individuele vrees onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van maart 2021 volgt dat in Nigeria in 2015 een wet is aangenomen die een landelijk verbod op vrouwenbesnijdenis voorschrijft en dat vrouwenbesnijdenis in de praktijk volgens recente en actuele informatie steeds minder vaak voorkomt. Bovendien heeft eiseres verklaard dat zij niet wil dat haar dochter wordt besneden. Uit de landeninformatie blijkt weliswaar dat de beslissing om een dochter te laten besnijden niet altijd een keuze van de moeder is, maar in dit geval zijn er geen directe mannelijke familieleden die wel willen dat haar dochter wordt besneden. Eiseres is namelijk niet getrouwd en heeft geen contact meer met haar familie, waardoor eiseres zelf de enige is die bepaalt of haar dochter wel of niet besneden zal worden. Daarmee is de situatie van eiseres anders dan de situatie van de uitspraken waar eiseres naar heeft verwezen in haar beroepschrift. In die gevallen was er namelijk wel sprake van een mannelijk familielid dat druk kon uitoefenen op de keuze om de dochter in kwestie al dan niet te laten besnijden. Tot slot heeft verweerder terecht opgemerkt dat een eventuele toekomstige partner van eiseres die mogelijk zal aandringen op besnijdenis van haar dochter een onzekere toekomstige gebeurtenis is, waarmee verweerder op dit moment geen rekening hoeft te houden.

Negatieve aandacht mensensmokkelaars

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar vrees voor de mensensmokkelaars niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

12. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiseres problemen heeft gehad met de mensensmokkelaars. Hieruit volgt echter niet dat eiseres ook haar vrees voor een reëel risico op ernstige schade vanwege deze problemen met de mensensmokkelaars aannemelijk heeft gemaakt. De verwijzing naar landeninformatie waarin staat dat vrouwen die slachtoffer zijn geweest van mensenhandel bij terugkeer mogelijk problemen kunnen verwachten van de zijde van hun smokkelaar, is niet voldoende om dit wel aannemelijk te maken. Eiseres heeft Nigeria vier jaar geleden verlaten en heeft de bedreiging door de zus van een van de mensensmokkelaars niet nader geconcretiseerd. Eiseres heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat zij in de negatieve aandacht staat van de mensensmokkelaars. Daarnaast heeft verweerder terecht opgemerkt dat er meer dan 1,5 miljoen mensen in [plaatsnaam] wonen, waardoor niet aannemelijk is dat de mensensmokkelaar eiseres zal vinden als zij hiernaar terugkeert.

Land van herkomst

13. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft vermeld naar welk land eiseres dient terug te keren.10 De rechtbank stelt ook vast dat verweerder in het voornemen heeft vermeld dat de terugkeerverplichting ziet op Nigeria. Nu de overwegingen van het voornemen deel uitmaken van het bestreden besluit is van een gebrek op dit punt geen sprake.

Conclusie

14. Het beroep is ongegrond.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder gelet op het in rechtsoverweging 6 geconstateerde gebrek en de toepassing van artikel 6:22 van de Awb in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,00 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,00.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van Andel, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2 Als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.

3 ECLI:NL:RBDHA:1632.

4 CCPR/C/133/D/2796/2016.

5 Uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 10 februari 2021 (ECLI:NL:RBNNE:2021:447, rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 13 december 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:13755), en de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 maart 2022 (ECLI:RBLIM:2022:2327).

6 Werkinstructie.

7 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden.

8 Algemene wet bestuursrecht.

9 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1981.

10 Pagina 6 van het bestreden besluit.