Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:6674

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2022
Datum publicatie
12-07-2022
Zaaknummer
C/09/629123 / KG ZA 22-398
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat op basis van de aan eiser meegedeelde argumenten niet in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om hem op de lijst van gedetineerden met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM-lijst) te plaatsen. Die beslissing is daarom in zoverre onrechtmatig jegens hem. De vordering strekkende tot het ongedaan maken van de plaatsing van eiser op de GVM-lijst wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/629123 / KG ZA 22/398

Vonnis in kort geding van 1 juli 2022

in de zaak van

[eiser] , gedetineerd in de PI [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. W.B.O. van Soest te Rotterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 mei 2022, met producties 1 tot en met 10;

- de door de Staat overgelegde producties 1 tot en met 4;

- het e-mailbericht van 8 juni 2022 (aanvullend standpunt), met bijlagen, van de zijde van [eiser] ;

- het e-mailbericht van 10 juni 2022, met een bijlage, van de zijde van [eiser] ;

- de op 10 juni 2022 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald, die vervolgens nader is bepaald op vandaag.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is bij vonnis van 28 maart 2014 door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar in verband met (samengevat) het medeplegen van een strafbaar feit in de zin van de Opiumwet en de deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet. [eiser] en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

2.2.

Bij beslissing van 12 april 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag de voorlopige hechtenis van [eiser] met ingang van 14 april 2016 geschorst tot de datum van de inhoudelijke behandeling van strafzaak, voor zover hier van belang onder de algemene voorwaarde dat [eiser] aan iedere oproeping in de zaak door politie en justitie gevolg zal geven en onder de bijzondere voorwaarde dat [eiser] te allen tijde voor het Openbaar Ministerie bereikbaar is via het door hem opgegeven verblijfsadres te [plaats 2].

2.3.

Het in 2.1. bedoelde vonnis is op 17 juni 2021 onherroepelijk geworden, nadat [eiser] en de officier van justitie hun hoger beroep hadden ingetrokken en het Gerechtshof Den Haag hen niet-ontvankelijk had verklaard in het hoger beroep.

2.4.

Met het oog op de tenuitvoerlegging van zijn straf is [eiser] op 9 maart 2022 op Aruba aangehouden en overgebracht naar Nederland. [eiser] werd gedetineerd op een reguliere afdeling in de Penitentiaire Inrichting [plaats 1] , hierna ‘de PI’, waarna hij op 13 maart 2022 werd geplaatst op de Afdeling Intensief Toezicht (AIT).

2.5.

Uit een verslag van 13 april 2022 blijkt dat het Operationeel Overleg heeft geadviseerd om [eiser] op de lijst van gedetineerden met een vlucht-/maatschappelijk risico, hierna ‘de GVM-lijst’, te plaatsen met de status ‘hoog’. In het verslag is ter onderbouwing opgenomen dat [eiser] wordt gezien als de leider van een drugsorganisatie die zich jarenlang bezighoudt met cocaïnehandel en als een persoon met geld, macht en middelen. Verder is daarin vermeld dat sprake is van vluchtgevaar, dat [eiser] in staat is gebleken om lange tijd onder de radar te blijven en uit handen van politie en justitie en dat het actuele beeld is dat [eiser] belt/gebruik maakt van telefoonkaarten van medegedetineerden, ongewenste contacten onderhoudt met medegedetineerden met de GVM-status hoog en zich oncontroleerbaar opstelt.

2.6.

Op 21 april 2022 heeft [eiser] van de directeur van de PI een schriftelijke mededeling ontvangen, waaruit blijkt dat [eiser] door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) is geplaatst op de GVM-lijst en dat hij de status ‘hoog’ heeft gekregen.

In de schriftelijke mededeling is – voor zover hier van belang – het volgende meegedeeld:

De plaatsing is gebaseerd op de volgende indicatie(s):

(risico op) Ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf,

Ondermijning van het gezag van directie en personeel in de inrichting

(…)U verbleef de laatste jaren vermoedelijk in [land]. De Nederlandse politie ontving onlangs informatie waaruit bleek dat u naar ARuba zou reizen. Eerder zijn van u reisbewegingen geconstateerd tussen de Verenigde Arabische Emiraten, Brazilië, [land] en de Antillen.(…)

Er is sprake van vluchtgevaar omdat u in staat bent gebleken lange tijd onder de radar te blijven en uit handen van politie en justitie. Daarbij maakt u deel uit van een groot netwerk dat beschikt over voldoende geld, macht en middelen om dit te faciliteren.

In de PI [plaats 1] heeft u gebruik gemaakt van telefoonkaarten van andere gedetineerden. Hiermee stelt u zich niet controleerbaar op. Dit wordt gezien als ondermijning van het gezag.

Op 21 april bent u door mij gehoord ten behoeve van het opleggen van toezichtsmaatregelen passend bij uw risicoprofiel. Tijdens het gehoor geeft u aan dat de informatie die ik vanuit het OO heb gekregen niet klopt. Volgens u berust het op een misverstand. Daarbij gaf u ook aan dat u zichzelf ziet als een modelgedetineerde. Dat u met andermans kaarten heeft gebeld klopt wel, maar u heeft dit naar eigen zeggen al uitgelegd dat dit puur uit praktische overwegingen was. U had nog maar 1 euro op uw eigen belkaart en wilde naar het buitenland bellen. Ik heb u teruggegeven dat dit toch de informatie is die ik heb gekregen en die ik betrouwbaar acht.(…)

Op grond van de aan mij beschikbaar gestelde informatie uit het selectieadvies van het GRIP/OO heb ik deze informatie getoetst op actualiteit, betrouwbaarheid en concreetheid. Op grond van de door mij gedraadpleegde informatie acht ik het risico op ondermijning van het gezag aanwezig. Op grond van het voorgaande heb ik besloten u de volgende toezichtsmaatregelen op te leggen.

De onderbouwde maatregelen blijven in beginsel van kracht tot 21 oktober 2022. Maandelijks wordt door de directeur (ik of één van mijn collega’s) getoetst of de maatregelen op- danwel afgeschaald kunnen worden.

(…)”.

In de mededeling is vervolgens een opsomming gegeven van de maatregelen die de directeur van de PI in het kader van de plaatsing van [eiser] op de GVM-lijst aan hem heeft opgelegd. Deze maatregelen, hierna ‘de toezichtsmaatregelen’, hebben (kort gezegd) betrekking op contact met de buitenwereld, inspecties, arbeid en transport.

2.7.

[eiser] heeft op 26 april 2022 bij de Commissie van Toezicht Rotterdam schriftelijk beklag gedaan tegen de toezichtsmaatregelen.

2.8.

Op 2 mei 2022 heeft de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de PI een schriftelijk ‘Besluit tot promoveren naar het plusprogramma – gevangenis’ aan [eiser] uitgereikt. In dit besluit is vermeld dat het multidisciplinair overleg (MDO) tot de promotie heeft geadviseerd omdat [eiser] heeft laten zien verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag, hij hiervan de noodzaak inziet en omdat hij gemotiveerd heeft willen werken aan de doelen die met hem zijn overeengekomen en die zijn vastgelegd in het detentie- en re-integratieplan. Daarbij is opgemerkt dat [eiser] heeft laten zien dat hij serieus wil werken aan een succesvolle terugkeer in de maatschappij.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen om [eiser] met onmiddellijke ingang te verwijderen van de GVM-lijst, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vordering legt [eiser] (samengevat) het volgende ten grondslag. Het besluit van het Operationeel Overleg om [eiser] op de GVM-lijst te plaatsen is onrechtmatig. Van vluchtgevaar of het in gang zetten van een vluchtpoging is immers geen sprake, terwijl evenmin is gebleken dat [eiser] ondermijnend gedrag heeft vertoond. Dit betekent dat de plaatsing van [eiser] op de GVM-lijst ongedaan moet worden gemaakt.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde zich jegens hem schuldig maakt aan onrechtmatig handelen. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven. De vordering van [eiser] heeft betrekking op de beslissing van het Operationeel Overleg om hem op de GVM-lijst te plaatsen. Nu er voor [eiser] geen andere rechtsgang open staat om de door hem beoogde verwijdering van de GVM-lijst te bewerkstelligen, is hij ontvankelijk in zijn vordering.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de toetsing in deze zaak zich beperkt tot de plaatsing van [eiser] op de GVM-lijst en dat deze niet ziet op de maatregelen die als gevolg daarvan aan hem zijn opgelegd. Gedetineerden bij wie sprake is van een verhoogd, hoog of extreem vlucht- en/of maatschappelijk risico kunnen aan de hand van een door de selectiefunctionaris opgesteld risicoprofiel door het Operationeel Overleg op de GVM-lijst worden geplaatst. Daarbij komt aan het Operationeel Overleg een grote mate van vrijheid toe, zodat de beslissing van het Operationeel Overleg door de civiele rechter in kort geding slechts marginaal kan worden getoetst. Dit betekent dat alleen plaats is voor het treffen van een voorziening als in dit kort geding moet worden geconcludeerd dat het Operationeel Overleg in redelijkheid niet tot de beslissing om [eiser] op de GVM-lijst te plaatsen heeft kunnen komen.

4.3.

Het primaire betoog van de Staat dat er in de kern op neerkomt dat [eiser] geen belang heeft bij dit kort geding, kan niet worden gevolgd. Volgens de Staat heeft de plaatsing van [eiser] op de GVM-lijst op zichzelf geen rechtsgevolg en kan die plaatsing ook (indirect) in het kader van het door [eiser] gedane beklag tegen de toezichtsmaatregelen worden getoetst. Hiermee miskent de Staat echter dat de plaatsing van [eiser] op de GVM-lijst de weg heeft geopend voor de aan hem opgelegde (en nog op te leggen) toezichtsmaatregelen en [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat deze maatregelen hem ernstig beperken in zijn dagelijks leven als gedetineerde en in de voortgang van zijn re-integratie en resocialisatie. Anders dan de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook de enkele plaatsing van [eiser] op de GVM-lijst rechtsgevolg heeft en dat [eiser] er daarom belang bij heeft een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid te vragen.

4.4.

Aan de beslissing om [eiser] op de GVM-lijst te plaatsen heeft de Staat (het Operationeel Overleg) ten grondslag gelegd dat sprake is van een risico op ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf en van ondermijning van het gezag van directie en personeel in de inrichting.

4.5.

De Staat heeft ter onderbouwing van het risico op ontvluchting of bevrijding van buitenaf aangevoerd dat [eiser] gedurende langere tijd in staat is gebleken om onder de radar en uit handen van politie en justitie te blijven, dat hij in 2020 niet is verschenen op de regiezitting bij het Gerechtshof Den Haag en dat hij wordt gezien als een persoon met geld, macht en middelen, waarmee een ontsnapping zou kunnen worden gefaciliteerd. [eiser] heeft hiertegenover voldoende aannemelijk gemaakt dat bij de Nederlandse autoriteiten bekend was dat hij aan de [adres] ([land]) verbleef, dat hij op dat adres ook gerechtelijke stukken heeft ontvangen, dat hij altijd heeft gereisd met zijn eigen paspoort en onder zijn eigen naam en dat hij overeenkomstig de door het Gerechtshof Den Haag gestelde bijzondere voorwaarde bereikbaar was via het verblijfsadres in [plaats 2]. [eiser] heeft in dit verband terecht opgemerkt dat het hof niet als voorwaarde heeft gesteld dat [eiser] fysiek aanwezig moest zijn op het adres in [plaats 2]. Hoewel [eiser] niet bij de regiezitting bij het hof is verschenen, kan daaruit voorshands niet worden afgeleid dat hij zich heeft “onttrokken” aan politie en justitie. Tussen partijen staat immers vast dat de persoonlijke aanwezigheid van [eiser] op die zitting niet was gelast, terwijl hij wel was vertegenwoordigd door een advocaat. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot [eiser] sprake is (geweest) van een situatie dat hij zich “onder de radar” heeft begeven en sprake is van een risico op ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf. De omstandigheid dat [eiser] over de financiële middelen zou beschikken om ontvluchting mogelijk te maken is daarvoor niet voldoende. Dit geldt te meer nu over de financiële situatie van [eiser] in het geheel geen informatie is verstrekt, zodat onduidelijk is waarop deze veronderstelling is gebaseerd.

4.6.

Volgens de Staat is de plaatsing van [eiser] op de GVM-lijst ook gerechtvaardigd omdat sprake is van ondermijnend gedrag aan de zijde van [eiser] . De Staat heeft ter onderbouwing van dit standpunt aangevoerd dat [eiser] in de PI heeft gebeld met telefoonkaarten van andere gedetineerden, ook uit een andere groep. Dit telefoonverkeer is in beginsel niet te controleren, zodat het wordt beschouwd als ondermijning van het gezag, aldus de Staat. Daar komt volgens de Staat nog bij dat [eiser] contacten heeft onderhouden met andere gedetineerden op de GVM-lijst, zonder dat die contacten kunnen worden gemonitord.

[eiser] heeft erkend dat hij gebruik heeft gemaakt van een telefoonkaart van een medegedetineerde. Volgens [eiser] is dit eenmalig gebeurd in aanwezigheid van personeel van de PI en heeft hij dit op de dag van zijn aankomst in de PI gedaan omdat hij nog niet beschikte over financiële middelen en hij zijn familie in het buitenland wilde bellen, zodat er saldo op zijn rekening kon worden gestort. Vervolgens heeft het personeel van de PI aan [eiser] uitgelegd dat dit niet mocht en heeft [eiser] niet meer gebeld met de telefoonkaart van een ander, aldus [eiser] . De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat tegenover de betwisting ervan door [eiser] geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit aannemelijk wordt dat [eiser] zich vaker schuldig heeft gemaakt aan het bellen met de telefoonkaart van een medegedetineerde. Daarnaast heeft de Staat voorshands onvoldoende concreet gemaakt dat [eiser] contacten heeft onderhouden met andere gedetineerden op de GVM-lijst. Tegen die achtergrond is de voorzieningenrechter van oordeel dat het eenmalige gebruik van de telefoonkaart van een derde, dat door [eiser] is erkend en waarvoor hij een aannemelijke verklaring heeft gegeven, onvoldoende is om aan te nemen dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan ondermijnend gedrag.

Voor zover [eiser] in dit verband nog een beroep heeft gedaan op zijn promotie naar het plusprogramma op 2 mei 2022 overweegt de voorzieningenrechter dat de Staat hierover terecht heeft opgemerkt dat deze promotie onverlet laat dat [eiser] in april 2022 op goede gronden op de GVM-lijst kan zijn geplaatst. Wel ziet de voorzieningenrechter hierin vooralsnog een bevestiging van goed gedrag aan de zijde van [eiser] , zodat in ieder geval niet moet worden aangenomen dat ondermijnend gedrag typerend is voor [eiser] .

4.7.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Staat nog naar voren gebracht dat [eiser] inmiddels opnieuw als verdachte is aangemerkt in een nieuw verdovende middelenonderzoek en dat zijn raadsman daarover op 1 juni 2022 door het Openbaar Ministerie is geïnformeerd. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat deze recente omstandigheid, nog daargelaten dat de Staat de juistheid ervan in het geheel niet heeft onderbouwd, in redelijkheid niet kan rechtvaardigen dat [eiser] in april 2022 door het Operationeel Overleg op de GVM-lijst is geplaatst. Aan dit standpunt van de Staat wordt dan ook voorbij gegaan.

4.8.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het Operationeel Overleg op basis van de aan [eiser] meegedeelde argumenten niet in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om [eiser] op de GVM-lijst te plaatsen. Die beslissing is daarom in zoverre onrechtmatig jegens hem. De vordering van [eiser] strekkende tot het ongedaan maken van zijn plaatsing op de GVM-lijst wordt dan ook toegewezen, met dien verstande dat de Staat daarvoor de in het dictum vermelde termijn zal worden gegund. De vordering om de veroordeling te versterken met een dwangsom wordt afgewezen, nu de Staat rechterlijke uitspraken pleegt na te komen en de advocaat van de Staat tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de Staat aan een eventuele veroordeling gevolg zal geven.

4.9.

De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt de Staat om [eiser] binnen 48 uur na de datum van dit vonnis van de GVM-lijst te (doen) verwijderen;

5.2.

veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.455,03, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat, € 314,-- aan griffierecht en € 125,03 aan dagvaardingskosten;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2022.

mvt