Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:6488

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2022
Datum publicatie
05-07-2022
Zaaknummer
NL21.13546
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Polen, Dublin, beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van Polen nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. In deze uitspraak komen onder andere de pushbacks aan de grens, de ontwikkelingen inzake de Poolse rechterlijke macht, de situatie van de LHBTI en de medische zorg aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.13546


uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2021 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 juli 20211 gegrond verklaard.

Op 23 augustus 2021 heeft verweerder een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit). Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser opnieuw niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Dit beroep is behandeld op de zitting van de enkelvoudige kamer van 23 september 2021. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld nadere stukken en reacties in te dienen.

Eiser heeft op 12, 15, 16 en 18 november 2021 nadere stukken ingediend. Verweerder heeft op 24 november 2021 een reactie hierop ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank partijen op 7 december 2021 erover geïnformeerd dat het beroep voor verdere behandeling is verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Zowel verweerder als eiser hebben nadere stukken ingediend.

Het nadere onderzoek op de zitting is aangevangen op 22 februari 2022 en is voortgezet op 29 maart 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser stelt afkomstig te zijn uit Egypte. In het kader van deze procedure wordt niet betwist dat eiser homoseksueel is. Ook staat niet ter discussie dat eiser besmet is met het humaan immunodeficiëntievirus (hiv) en daarvoor medische behandeling nodig heeft. Eiser heeft eerder, al dan niet vrijwillig, in Duitsland en in Polen verzoeken om internationale bescherming ingediend. Door Duitsland is eiser aan Polen overgedragen. Eiser heeft Polen verlaten zonder de beslissing op zijn asielaanvraag af te wachten omdat hij vindt dat Polen de rechten van LHBTI niet respecteert en hij in Polen vanwege zijn homoseksuele geaardheid problemen heeft ervaren. Verder ervaarde eiser in Polen onvoldoende ondersteuning op medisch vlak. Het was voor eiser moeilijk de medicatie te verkrijgen die hij vanwege zijn hiv-besmetting nodig heeft.

2. In het eerste besluit op eisers asielaanvraag, van 9 juni 2021, heeft verweerder op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaald dat hij eisers aanvraag niet in behandeling neemt omdat Polen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Nederland heeft bij Polen een verzoek om de terugname van eiser gedaan. Polen heeft dit verzoek op 15 april 2021 aanvaard. Verweerder heeft toen geen aanleiding gezien tot het in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in Nederland.

2.1.

Bij uitspraak van 29 juli 20212 op het beroep tegen het besluit van 9 juni 2021, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, geoordeeld dat er grote zorgen bestaan over de vraag of de universele mensenrechten van leden van de LHBTI-gemeenschap in Polen nog worden gerespecteerd. Dit, in combinatie met de vaststelling dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen op z’n minst ernstig onder druk staat, en de onbetwiste verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Polen, maakte volgens de rechtbank dat er aanknopingspunten waren voor de stelling dat eiser vanwege zijn seksuele geaardheid een reëel gevaar loopt op schending van het grondrecht op toegang tot een onafhankelijk gerecht en in het verlengde daarvan een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. Verweerder had dit volgens de rechtbank met de enkele verwijzing naar het arrest Jawo, onvoldoende onderkend. Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit van 9 juni 2021 werd vernietigd.

Bestreden besluitvorming

3. Het, na de uitspraak van 29 juli 2021 genomen, bestreden besluit baseert verweerder opnieuw op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder ziet ook nu geen aanleiding om van de overdracht van eiser aan Polen af te zien. De redenen daarvoor heeft verweerder uiteengezet in het voornemen van 24 april 2021, het bestreden besluit van 23 augustus 2021 en de aanvullende reacties van 24 november 2021, 11 februari 2022 en 21 maart 2022. Samengevat weergegeven, stelt verweerder zich op het standpunt dat hij ten aanzien van Polen nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zodat er ook van kan worden uitgegaan dat Polen zich houdt aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. Ook heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Polen. Mocht eiser in Polen problemen ervaren, zal hij zich volgens verweerder moeten en kunnen wenden tot de autoriteiten of daartoe geëigende instanties in Polen.

Beoordelingskader

4. Uit het in artikel 4 van het EU Handvest neergelegde algemene en absolute verbod volgt dat de overdracht van een asielzoeker aan de verantwoordelijke lidstaat is uitgesloten telkens wanneer er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling, in de zin van dit artikel, zal lopen bij de overdracht of als gevolg daarvan. Of dit risico zich voordoet op het moment zelf van de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, dan wel tijdens de asielprocedure of na afloop daarvan, is voor de toepassing van artikel 4 van het EU Handvest niet van belang.3

4.1.

Bij de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag verweerder uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar.4 Voor zover de vreemdeling daarover verklaringen heeft afgelegd of stukken heeft overgelegd, moet die beoordeling ook gaan over de vraag of ernstige vrees bestaat dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de aangezochte lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.5 Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest te leiden.6 Niet elke schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten.7 Een lidstaat kan in het kader van de Dublinverordening voor een andere lidstaat alleen dan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan als bij overdracht aan die lidstaat een reëel risico bestaat op schending van artikel 4 van het EU Handvest.8

Omvang van het geschil

5. Niet in geschil is dat Polen in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming.

6. Op de zitting heeft eiser zijn betoog verduidelijkt en desgevraagd aangegeven dat hij niet van mening is dat hij, alleen vanwege zijn homoseksuele geaardheid, in Polen een reëel risico loopt op schending van 4 van het EU Handvest. Ook wordt door hem niet gesteld dat de asielverzoeken van homoseksuele asielzoekers in Polen anders worden behandeld dan die van niet-homoseksuele asielzoekers.

7. Het is wel in geschil of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de situatie in Polen, zoals die uit algemene informatie en eisers eerdere eigen ervaringen in Polen blijkt, geen reden is gelegen om van de overdracht van eiser aan Polen af te zien, omdat ten aanzien van Polen nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Meer specifiek gaat het om de situatie voor LHBTI in Polen in zijn algemeenheid, om de staat van de (onafhankelijkheid van de) Poolse rechterlijke macht, bezien in combinatie met de situatie voor LHBTI, om de houding van de Poolse autoriteiten tegenover asielzoekers aan de Pools-Belarussische grens en om de toegang tot medische voorzieningen in Polen voor asielzoekers met een hiv-besmetting. De vraag die voorligt is dus of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Polen een reëel risico loopt terecht te komen in een situatie die strijdig is met artikel 4 van het EU Handvest, vanwege deze (combinatie van) factoren.

In geschil is verder of verweerder, gelet op de combinatie van feiten en omstandigheden in eisers geval, redelijkerwijs kon besluiten geen gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid die artikel 17 van de Dublinverordening biedt om het verzoek van eiser om internationale bescherming onverplicht in behandeling te nemen.

Ook in geschil is of het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C.K. tegen Slovenië9 in de weg staat aan de overdracht van eiser aan Polen. Tot slot is door eiser gewezen op de situatie in Oekraïne en de omstandigheid dat, vanwege de consequenties die dat voor Polen heeft, nu niet zal worden overgedragen aan Polen. Partijen verschillen van mening over de vraag welke betekenis deze omstandigheid heeft voor de besluitvorming in deze zaak.

Op deze vragen gaat de rechtbank hierna in.

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel

8. Eiser meent dat hij onvoldoende mogelijkheden heeft om in Polen voldoende

rechtsbescherming te krijgen. De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen is in de loop der jaren vergaand aangetast en staat onder druk.10 In het arrest LP11 is geoordeeld dat het enkele feit dat de rechterlijke macht in een land het moeilijk heeft, niet zonder meer betekent dat iemand geen onpartijdige rechter zal treffen. Dat “zonder meer” moet in deze zaak worden ingevuld door de omstandigheden van eiser. Dan is onder meer zijn geaardheid relevant en ook het anti-LHBTI-sentiment in Polen zal zeker invloed hebben. Deze combinatie leidt er volgens eiser toe dat hij, mocht hij zich in Polen tot een rechter moeten wenden, geen behoorlijke, onafhankelijke rechtsbescherming heeft te verwachten, waardoor volgens hem moet worden gevreesd voor een met artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling.

8.1

In het bestreden besluit heeft verweerder, samengevat, zich op het volgende standpunt gesteld. In de omstandigheid dat de rechterlijke macht in Polen ernstig onder druk staat en advocaten er soms worden geïntimideerd, ziet hij onvoldoende reden voor de conclusie dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat een asielzoeker, in het bijzonder een LHBTI’er, een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en in het verlengde daarvan een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.

Verweerder acht daarbij van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Poolse rechterlijke macht niet onafhankelijk is of dat geen eerlijk proces is gewaarborgd als eisers asielaanvraag wordt afgewezen en/of vanwege de seksuele geaardheid van eiser. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar jurisprudentie12.

Van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen, zodanig dat er voor asielzoekers in het algemeen, en voor LHBTI’ers in het bijzonder, een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest, is volgens verweerder ook geen sprake. Dit geldt ook voor de aanwezigheid van en toegang tot medische voorzieningen voor hiv-patiënten, zoals eiser. Uit de landeninformatie blijkt niet dat LHBTI'ers, die asiel hebben aangevraagd in Polen, in een nadeligere positie verkeren ten opzichte van andere asielzoekers gedurende hun asielprocedure. Nergens blijkt dat er in Polen met betrekking tot de seksuele geaardheid van een asielzoeker enig onderscheid wordt gemaakt als het gaat om de toegang tot de opvangvoorzieningen en de asielprocedure. Mocht eiser in Polen problemen ervaren, zal hij zich moeten en kunnen wenden tot de autoriteiten of daartoe geëigende instanties in Polen. Er zijn er geen aanwijzingen dat de autoriteiten van Polen eiser niet kunnen of willen helpen. Eiser heeft verder niet nader onderbouwd of hij daadwerkelijk daartoe stappen heeft ondernomen toen hij in Polen verbleef.

Ten aanzien van Polen kan daarom nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aldus verweerder.

Wat betekent de situatie van de rechterlijke macht in Polen voor het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

8.2

Op de zitting van 22 februari 2022 is door deze meervoudige kamer ook een andere zaak behandeld, waarin het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen aan de orde was. Ook in die zaak is gewezen op de situatie rondom de positie van de Poolse rechterlijke macht. In die zaak heeft de rechtbank inmiddels op 2 juni 202213 uitspraak gedaan. Die uitspraak is ook relevant voor de zaak van eiser.

8.3.

In de uitspraak van 2 juni 2022 heeft deze rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken van gebreken in de Poolse asielprocedure en opvangvoorzieningen die zo ernstig zijn dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, dan wel dat er een reëel gevaar is dat het recht op een eerlijke behandeling bij een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden.14 Over de specifieke situatie van de rechterlijke macht in Polen is het volgende geoordeeld.

De (onafhankelijkheid van) de rechterlijke macht in Polen in zijn geheel, en daarmee ook van de Poolse vreemdelingenrechter, staat onder druk. De verontrustende ontwikkelingen in dat verband leiden echter niet tot het oordeel dat er daarom een reëel risico bestaat op een met artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling.15 De rechtbank heeft daarvoor allereerst verwezen naar de uitspraak van 30 januari 201916 van de Afdeling. In die uitspraak heeft de Afdeling, naar aanleiding van het arrest L.M.17, geoordeeld dat in het vreemdelingenrecht alleen in het geval van bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder is gewezen op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak LP van 17 december 2020, waarin een vergelijkbare benadering wordt gevolgd. In dat arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de omstandigheid dat de rechterlijke macht in een lidstaat als geheel onder druk staat, in die zin dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken waar het de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht betreft, niet noodzakelijkerwijs van invloed is op elke beslissing die de rechterlijke instanties van de lidstaat in elk specifiek geval kunnen nemen. Er dient volgens het Hof van Justitie, na de vaststelling van (verergerde) gebreken in het rechtssysteem van de uitvaardigende lidstaat, nog een concrete en nauwkeurige beoordeling plaats te vinden van het reële gevaar dat het recht op een eerlijk proces wordt geschonden in het individuele geval. Er is daarom een beoordeling op individueel niveau nodig om de vraag te beantwoorden of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat in het specifieke geval een reëel gevaar dreigt op schending van het grondrecht op een eerlijk proces. Het reële gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces moet in de concrete zaak aan de hand van individuele risicofactoren bepaald worden en daaruit moet volgen dat juist het proces van deze betrokkene zal worden beïnvloed. Dit betekent dat per individueel geval moet worden beoordeeld of er sprake is van individuele risicofactoren die maken dat juist het proces van deze betrokkene zal worden beïnvloed.18

De rechtbank heeft in de uitspraak van 2 juni 2022 geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt, en ook op andere wijze niet is gebleken, dat Polen en daarmee ook de rechterlijke macht zich – afgezien van de push backs aan de buitengrenzen – op dit moment niet houdt aan de bepalingen van het EU-asielrecht en de waarborgen die daaruit voortvloeien. Over de rechterlijke macht in het bijzonder heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de vreemdeling geen toegang heeft tot de rechter en evenmin dat het voor Poolse rechters onmogelijk of uiterst moeilijk is om in vreemdelingrechtelijke zaken onafhankelijk en/of onpartijdig recht te spreken dan wel dat zij dit niet zouden doen of dat de Poolse tuchtkamer hen nadien maatregelen hebben opgelegd. Ook is verwezen naar staande rechtspraak, waaruit volgt dat, als Polen zich niet conform het bepaalde in de Procedure-, Opvang-, of Kwalificatierichtlijn handelt, daarover geklaagd kan en moet worden bij de Poolse (hogere) autoriteiten, en zo nodig bij het EHRM. Niet is gebleken dat dat niet mogelijk, of op voorhand vruchteloos, is. Dat Polen in het verleden verschillende interim measures van het EHRM niet heeft opgevolgd maakt dit niet anders, nu deze maatregelen zagen op de pushbacks aan de buitengrens van de EU en de vreemdeling gereguleerd zal worden overgedragen naar Polen en niet illegaal de buitengrens van de EU zal hoeven oversteken.19

8.4.

De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak hierover in zijn algemeenheid anders te oordelen. Uit de informatie waar eiser naar verwijst, volgt namelijk niet een wezenlijk ander beeld over de situatie van de rechterlijke macht in Polen en de pushbacks aan de buitengrenzen dan uit de informatie die is betrokken bij de uitspraak van 2 juni 2022.

8.5.

Dan is vervolgens de vraag aan de orde of er in de specifieke zaak van eiser, sprake is van (een combinatie van) individuele risicofactoren op grond waarvan geoordeeld moet worden dat er een reëel gevaar bestaat dat in het geval van eiser geen onafhankelijk rechterlijk oordeel zal worden gegeven, of dat hij anderszins een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. Die vraag zal de rechtbank hierna behandelen.

Is er sprake van individuele risicofactoren die maken dat er een reëel gevaar bestaat dat eisers recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden?

9. Eiser heeft zijn standpunt ter zitting verduidelijkt. Hij is van mening dat de combinatie van factoren – namelijk de situatie van de LHBTI en die van de rechterlijke macht in Polen, de kwetsbare positie van asielzoekers in Polen en zijn seksuele geaardheid – maken dat er ten aanzien van hem niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

9.1

Eiser wijst op algemene informatie20 en ook zijn eerdere eigen ervaringen in Polen, waaruit blijkt dat de situatie voor LHBTI in zijn algemeenheid in Polen erg moeilijk is. Dit geldt volgens eiser temeer voor asielzoekers, die extra kwetsbaar zijn. Er is sprake van structurele negatieve bejegening en intimidatie van LHBTI in Polen, ook door de Poolse autoriteiten. De Poolse autoriteiten houden er een anti-LHBTI-ideologie op na, verkondigen anti-LHBTI-retoriek en voeren openlijk een anti-LHBTI-beleid.21 Eiser wijst er in het bijzonder op dat er in verschillende gemeenten in Polen LHBTI-vrije-zones zijn ingesteld en dat deze nog altijd bestaan. Dat enkel sprake is van symbolische retoriek van de Poolse autoriteiten, volgt eiser niet, omdat is gebleken dat de autoriteiten de daad bij het woord voegen. Eiser voelt zich hierin gesteund door uitlatingen van Amnesty International22 en ondernomen actie door de Europese Commissie.23 Eiser wijst ook op een artikel dat melding maakt van bruut overheidsgeweld tegen LHBTI-activisten24, dat ook in Nederland25 aandacht kreeg. Ook uit andere informatie26 wordt volgens eiser duidelijk welke risico’s LHBTI(-activisten) lopen om in Polen het slachtoffer te worden van intimidatiepraktijken van de Poolse autoriteiten. Eiser wijst verder op het verhaal van een voormalig burgemeester van een stadje in Polen, die nu woonachtig is in Limburg omdat hij zich in Polen niet langer veilig voelde.27 In dit verband heeft eiser ook verwezen naar een e-mail van Fares Daboul, van Ocalenie Foundation, die eiser als hulpverlener in Polen heeft bijgestaan. Daboul geeft, onder verwijzing naar algemene informatie, onder andere een beschrijving van de positie van LHBTI in Polen en de ontwikkelingen op dat gebied. Hij noemt onder andere het instellen van LHBTI-vrije-zones, uitspraken van de Poolse president Duda over de LHBTI-gemeenschap, het wetsvoorstel ‘Stop LGBT’, de reactie van Europese instellingen op schendingen van de rechten van leden van de LHBTI-gemeenschap en het geweld tegen LHBTI in Polen. Verder wijst eiser op zijn eigen ervaringen tijdens zijn verblijf in Polen, namelijk dat hij daar een probleem had met andere asielzoekers, die hem hebben geprobeerd te mishandelen. De politie die ter plekke kwam, heeft vervolgens geweld tegen eiser gebruikt en hem naar een psychiatrische instelling gebracht vanwege een zenuwinzinking.28 Dat LHBTI in Polen gediscrimineerd worden door de overheid, is volgens eiser buiten twijfel. Hierdoor verkeren zij in een precaire situatie. Uit het voorgaande blijkt volgens eiser dat de mensenrechten van leden van de LHBTI-gemeenschap in Polen niet worden gerespecteerd en vooral door de Poolse overheid worden geschonden. Dat er een aantal positieve uitzonderingen zijn aan te wijzen, maakt een en ander volgens eiser niet anders.

9.2.

Bij het voorgaande komt volgens eiser dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen in de loop der jaren vergaand is aangetast en onder druk staat.29 Dit, zeker in combinatie met de negatieve LHBTI-sentimenten in Polen, leidt er volgens eiser toe dat hij, mocht hij zich in Polen tot een rechter moeten wenden, geen behoorlijke, onafhankelijke rechtsbescherming heeft te verwachten, waardoor volgens hem moet worden gevreesd voor een met artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling. De uitspraken waarnaar verweerder verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt dat daarvoor niet hoeft te worden gevreesd, zijn volgens eiser te gedateerd. Bovendien zijn die gedaan in zaken waarin geen LHBTI-geaardheid speelt, zodat deze geen weerlegging kunnen vormen van eisers stelling. Dat er rechtbanken zijn die uitspraken hebben gedaan in het voordeel van LHBTI, maakt dit voor eiser niet anders omdat uit deze voorbeelden volgens eiser juist het risico blijkt dat LHBTI lopen om het slachtoffer te worden van intimidatiepraktijken van de Poolse autoriteiten en deze niet geneigd zijn gevolg te geven aan rechtbankuitspraken. Eiser wijst er op dat er ook uitspraken zijn waarin anders wordt geoordeeld in zaken van LHBTI30. Van doeltreffend optreden van de rechterlijke macht in Polen tegen de negatieve bejegening van LHBTI door de Poolse overheid, is volgens eiser dan ook geen sprake.

Het feit dat Polen partij is bij het EVRM, doet aan het voorgaande volgens eiser niet af, omdat Polen door Europa voortdurend op de vingers wordt getikt.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de landeninformatie waarop eiser zich beroept en de problemen die eiser zelf in Polen heeft ervaren, niet volgt dat er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat iedere LHBTI in Polen, of eiser in het bijzonder, ervoor moet vrezen dat hij vanwege de positie van LHBTI in Polen bij een overdracht aan dit land een reëel risico loopt te worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het EU Handvest. Dat sprake is van stigmatisering en discriminatie van LHBTI in Polen en dat publieke figuren binnen de Poolse overheid zich negatief en kwetsend uitlaten over LHBTI, vindt verweerder daarvoor onvoldoende. Over de instelling van LHBTI-vrije-zones stelt verweerder zich op het standpunt dat dit slechts van symbolische waarde is en geen juridische werking heeft. Ook zou 80% van de ‘LHBTI-vrije-zones’ inmiddels zijn opgeheven.31 Volgens verweerder is bovendien niet gebleken dat de anti-LHBTI-retoriek van Poolse politici is omgezet in wet- en regelgeving die de positie van LHBTI dusdanig ondermijnt dat dit een reëel risico oplevert op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. Enkel een ingediend wetsvoorstel voor het uitbannen van LHBTI-bijeenkomsten, dat bovendien voor verdere overwegingen naar een commissie is doorgestuurd32, is daarvoor volgens verweerder onvoldoende. Ook een door de Europese Commissie gestarte inbreukprocedure tegen Polen vanwege de LHBTI-vrije-zones, maakt volgens verweerder nog niet dat daarmee in het algemeen gezien of specifiek ten aanzien van eiser al sprake is van een verdragsschending door de Poolse autoriteiten.

Naast de bedenkingen die verweerder heeft bij de onpartijdigheid van Feras Daboul, als belangenbehartiger van eiser, en bij de deskundigheid en onpartijdigheid van een aantal van de bronnen die Feras Daboul in zijn e-mail aanhaalt, stelt verweerder zich op het standpunt dat ook uit die informatie niet blijkt dat de mensenrechten van LHBTI in Polen niet worden gerespecteerd. Bij het voorgaande vindt verweerder ook van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor de problemen die hij in Polen stelt te hebben gehad, als er van moet worden uitgegaan dat deze te maken hadden met zijn homoseksuele geaardheid, in voldoende mate de hulp en bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen.

Uit de informatie waarop eiser zich beroept, blijkt volgens verweerder niet dat LHBTI

(-asielzoekers) zich bij problemen niet op effectieve wijze zouden kunnen wenden tot de daartoe aanwezen (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties in Polen. Uit de landeninformatie blijkt dat het mogelijk is om hulp te krijgen en om te klagen en van eiser mag worden verwacht dat hij dat ook doet. Niet is gebleken dat de Poolse autoriteiten niet bereid zouden zijn om hem te helpen.

Van een ernstige tekortkoming in de asielprocedure, zodanig dat er een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest, is volgens verweerder geen sprake. Ten aanzien van Polen kan daarom ook ten aanzien van de LHBTI nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aldus verweerder.

10.1.

In de omstandigheid dat de rechterlijke macht in Polen ernstig onder druk staat en advocaten er soms worden geïntimideerd, ziet verweerder onvoldoende reden voor de conclusie dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat een asielzoeker, in het bijzonder LHBTI, een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en in het verlengde daarvan een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. Verweerder acht daarbij van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Poolse rechterlijke macht niet onafhankelijk is of dat geen eerlijk proces is gewaarborgd als eisers asielaanvraag wordt afgewezen en/of vanwege de seksuele geaardheid van eiser.33 In een aantal voor LHBTI positieve ontwikkelingen en uitspraken van Poolse rechtbanken in het voordeel van LHBTI34, ziet verweerder aanwijzingen dat LHBTI de mogelijkheid hebben zich tot de Poolse autoriteiten te wenden als zij menen dat hun persoonlijke rechten worden geschonden.

Uit het arrest LP volgt dat in elk individueel geval bekeken moet worden of er een reëel gevaar bestaat dat in dat geval geen onafhankelijk oordeel zal worden gegeven. Eiser is een LHBTI-er. Uit de diverse rapporten over Polen blijkt volgens verweerder niet dat er anders wordt gekeken naar de asielverzoeken van asielzoekers die LHBTI zijn dan naar die van asielzoekers die dat niet zijn. Uit het rapport van het US Department of State van 30 maart 202135, dat gaat over de situatie in 2020, staat dat er in opvangcentra wel gender gerelateerd geweld is maar dat met name regionale teams hulp bieden, die ter bescherming worden ingezet. Hieruit blijkt dat er gender gerelateerd geweld is in Polen maar dat de Poolse autoriteiten daar wel bescherming tegen bieden. Verweerder kan daarom de stelling van eiser, dat er sprake is van een combinatie van factoren die maakt dat er een reëel gevaar bestaat dat in zijn geval geen onafhankelijk rechterlijk oordeel zal worden gegeven, niet volgen.

De omstandigheid dat eiser heeft verklaard dat de Poolse politie eerder geweld tegen hem heeft gebruikt, maakt dit niet anders. Op de zitting is hierover gesteld dat het moeilijk is om te beoordelen of dit verband hield met zijn seksuele geaardheid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser, als hij vanwege zijn geaardheid negatief is of wordt bejegend door de Poolse politie, daarover kan klagen bij de hogere autoriteiten. Er is niet gebleken dat eiser geprobeerd heeft via die weg hulp te krijgen. Uit de landeninformatie blijkt dat het mogelijk is om hulp te krijgen of om te klagen en van eiser mag worden verwacht dat hij dat ook doet. Niet is gebleken dat de Poolse autoriteiten niet bereid zouden zijn om hem te helpen.

Van een ernstige tekortkoming in de asielprocedure, zodanig dat er een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest, is volgens verweerder geen sprake. Ten aanzien van Polen kan daarom ook ten aanzien van de LHBTI nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aldus verweerder.

11. Hoewel eiser niet stelt dat hij alleen vanwege zijn homoseksuele geaardheid in Polen een reëel risico loopt op schending van 4 van het EU Handvest, stelt hij wel dat zijn geaardheid een risicofactor is. Daarom zal de rechtbank eerst ingaan op de algemene situatie van LHBTI in Polen.

11.1.

Uit de algemene informatie die partijen hebben ingebracht, leidt de rechtbank af dat de situatie voor LHBTI in Polen verontrustend is. Zij verkeren in een lastige positie. Er is de laatste jaren sprake van een wijdverspreid patroon van stigmatisering van LHBTI. Ook doen publieke figuren – waaronder politieke leiders, politici, opinieleiders en andere prominenten figuren in de Poolse maatschappij – homofobe uitspraken, waardoor er een sfeer van haat en onverschilligheid is gecreëerd.36 Uit een onderzoek van de Europese Unie in 201937 komt naar voren dat vooroordelen en intolerantie jegens deze bevolkingsgroep is toegenomen. Uit datzelfde onderzoek komt naar voren dat binnen de EU in Polen, en in Roemenië, het hoogst percentage respondenten melding maakt van fysiek of seksueel geweld jegens LHBTI. De anti-LHBTI-retoriek van overheidswege heeft zich niet beperkt tot retoriek alleen. Er zijn daadwerkelijk wetsvoorstellen ingediend die de rechten van LHBTI in Polen beperken, zoals de inperking van het recht om te trouwen of kinderen te adopteren voor homoseksuelen38 en het verbod op gayprides en openbare bijeenkomsten die genderdiversiteit ‘promoten’39. Verder zijn op grote schaal LHBTI-vrije-zones ingesteld, wat een zeer negatieve en kwetsende uiting jegens LHBTI is. Ook blijkt uit de door eiser overgelegde informatie dat LHBTI(-activisten) het risico lopen om in Polen het slachtoffer te worden van intimidatiepraktijken van de Poolse autoriteiten.

Hoewel uit deze algemene informatie volgt dat de positie van LHBTI in Polen zorgelijk is, is het de rechtbank niet gebleken dat LHBTI in Polen het slachtoffer worden van stelselmatige, wetmatige discriminatie of geweld van overheidswege of van anderen waartegen de Poolse autoriteiten geen enkele bescherming bieden en waardoor zij niet of moeilijk op maatschappelijk en sociaal terrein kunnen functioneren. Dat er in Polen incidenten plaatsvinden waarbij LHBTI negatief worden bejegend of worden gediscrimineerd door de Poolse bevolking of vertegenwoordigers van de Poolse overheid en geconfronteerd worden met geweld, is daarvoor dus op zichzelf niet voldoende. Uit de ingebrachte algemene informatie, komt niet het beeld naar voren dat de Poolse autoriteiten dusdanig onverschillig staan tegenover de rechten van LHBTI, dat leden van deze gemeenschap daar een reëel risico lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen. Zo is onder andere gebleken dat de LHBTI-vrije-zones voor een groot deel weer zijn opgeheven en dat zulke zones geen formeel juridische status hebben. Verder zijn de hiervoor genoemde wetsvoorstellen (nog) niet omgezet in nationale wet- en regelgeving. Naast homofobe Poolse politici, zijn er bovendien ook Poolse politici die zich inzetten voor gelijke rechten. In Polen hebben de afgelopen jaren steeds meer ‘prides’ op vreedzame wijze plaatsgevonden. In de overgelegde landeninformatie zijn geen aanwijzingen te vinden dat de LHBTI bij de (hogere) Poolse autoriteiten geen bescherming kunnen krijgen tegen de schending van hun rechten of dat daarover klagen zinloos is. Uit de eigen ervaringen van eiser blijkt niet het tegendeel. Hij heeft in Polen namelijk niet geklaagd over de negatieve behandeling die hem ten deel is gevallen. Er zijn tot slot geen aanwijzingen dat LHBTI geen gehoor kunnen vinden bij de Poolse rechters; er worden ook uitspraken gedaan in het voordeel van LHBTI.

11.3.

De rechtbank ziet daarom in de positie van de LHBTI in Polen onvoldoende reden om aan te nemen dat de seksuele geaardheid van eiser een individuele risicofactor is als bedoeld in 8.4. De eigen ervaringen van eiser maken dit niet anders. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, heeft eiser in Polen niet geklaagd over de negatieve behandeling die hem ten deel is gevallen. De rechtbank kan zich voorstellen dat hij dat niet heeft gedaan – uit angst of vanwege een gebrek aan vertrouwen in de hogere Poolse autoriteiten – maar, gezien het voorgaande, verwacht verweerder niet ten onrechte van eiser dat hij zich in Polen tot de autoriteiten wendt als hij daar weer te maken zou krijgen met problemen.

Opvangvoorzieningen, waaronder de medische voorzieningen, in Polen

12. Eiser betoogt dat de medische voorzieningen voor asielzoekers met hiv in Polen onder de maat zijn, in die zin dat het uitermate complex is om de benodigde medische zorg te verkrijgen en de continuïteit van die zorg, die in het geval van hiv-patiënten zo van belang is, niet is gegarandeerd. Dat eiser de benodigde medische zorg zal krijgen, is volgens hem geen zekerheid. Polen houdt zich volgens eiser in dat opzicht niet aan de bepalingen uit de Opvangrichtlijn. Eiser verwijst, ter onderbouwing van zijn betoog, naar zijn eigen ervaringen in Polen en naar de e-mail van Feras Daboul van 15 november 2021. Hierin beschrijft Feras Daboul zijn ervaringen als hulpverlener van asielzoekers, waaronder eiser, met betrekking tot het verkrijgen van medische zorg voor hiv-patiënten in Polen. Ook verwijst hij naar informatie uit algemene bron over sociale en medische bijstand voor asielzoekers in Polen tijdens verschillende stadia van de asielprocedure. Hieruit blijkt volgens eiser bovendien dat er hulp van buitenaf nodig is om de benodigde medische behandeling geregeld te krijgen en de voorzieningen geboden door de Poolse overheid dus onvoldoende zijn. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt ook naar het meest recente AIDA-rapport over Polen.40 In de overweging van verweerder, dat eiser bij de overdracht en ter overbrugging daarvan een voorraadje medicijnen meegegeven kan worden, ziet eiser een bevestiging van zijn betoog dat medische behandeling in Polen niet (direct) gegarandeerd is. Verder betoogt eiser, onder verwijzing naar de e-mail van Feras Daboul, dat in het geval van een afwijzing van zijn asielaanvraag, medische behandeling niet gegarandeerd is, wat gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Ook voert hij aan dat de continuïteit van de behandeling niet langer is gegarandeerd als zijn asielaanvraag door de Poolse autoriteiten wordt afgewezen.

Om voorgaande redenen kan volgens eiser ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.

12.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat van structurele, fundamentele gebreken in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Polen niet is gebleken. Opvang is mogelijk en op de opvanglocaties zijn medische basisvoorzieningen aanwezig. Dat de medische zorg en behandeling die hij voor zijn hiv-besmetting nodig heeft buiten de zorg valt die binnen die basisvoorzieningen wordt verstrekt en dat eiser deze moet aanvragen bij de organisatie Petra Medica, doet er volgens verweerder niet aan af dat die zorg en behandeling aanwezig zijn in Polen.41 Verweerder vindt ook van belang dat is gebleken dat eiser tijdens zijn eerdere verblijf in Polen toegang heeft gehad tot medische zorg en de behandeling die hij nodig heeft en daartoe de juiste wegen heeft weten te bewandelen. Verweerder gaat er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van uit dat de medische voorzieningen in Polen van een vergelijkbaar niveau zijn als in Nederland. Bij het eventueel uitblijven van die voorzieningen, moet eiser zich daarover beklagen bij de betreffende (hogere) autoriteiten of daartoe geëigende instanties, zo overweegt verweerder. De autoriteiten staan daar volgens verweerder niet totaal onverschillig tegenover. Volgens verweerder heeft eiser te allen tijde recht op medische zorg in Polen. Met de ingebrachte stukken heeft eiser volgens verweerder geen aanknopingspunten geboden gelet waarop ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat verweerder heeft aangegeven dat het mogelijk is dat eiser bij vertrek naar Polen een voorraadje medicatie wordt meegegeven, heeft er volgens verweerder niet mee te maken dat hij denkt dat de medische behandeling in Polen niet voorhanden en/of niet (direct) voor eiser toegankelijk zal zijn, maar moet worden gezien als een tegemoetkoming in de zorgen die eiser zich maakt over de continuïteit van zijn behandeling.

12.2.

Vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag erop worden vertrouwd dat er in Polen passende medische zorg aanwezig is voor eisers hiv-besmetting en deze voor eiser ook toegankelijk is. Dit laatste stelt eiser ter discussie. Eiser maakt zich zorgen over de continuïteit van de behandeling voor zijn hiv-besmetting na een overdracht aan Polen. De rechtbank begrijpt dat eiser van mening is dat ook dit een individuele risicofactor vormt.

12.3.

De rechtbank is van oordeel dat zij in het kader van dit beroep alleen voor drie situaties hoeft te beoordelen of een overdracht van eiser aan Polen voor hem reëel risico oplevert op een schending van artikel 4 van het EU Handvest. Het gaat om de situatie dat eisers asielaanvraag wordt behandeld door Polen, de situatie dat eiser een vrijwillige vertrektermijn krijgt opgelegd en de situatie dat hem door Polen een status zou worden verleend42. Gesteld noch gebleken is dat uit enige toepasselijke Richtlijn volgt dat een lidstaat verplicht is om noodzakelijke medische zorg te verlenen aan afgewezen asielzoekers die niet aan de vertrektermijn voldoen. Eiser heeft ook niet onderbouwd op grond van welke wet- of regelgeving de rechtbank gehouden zou zijn die situatie wel in haar beoordeling te betrekken. Dit betekent dat de rechtbank niet hoeft te beoordelen in welke situatie waarin eiser (medisch gezien) komt te verkeren als hij na een afwijzing van zijn asielaanvraag en de geboden vrijwillige vertrektermijn besluit Polen niet te verlaten.

12.4

Over de toegang tot medische zorg in Polen tijdens de asielprocedure en de vrijwillige vertrek termijn is het volgende van belang.

12.4.1.

Uit het AIDA-rapport43, eisers eerdere eigen ervaringen met het verkrijgen van de benodigde behandeling in Polen, en de informatie van Feras Daboul – aan de juistheid van wiens informatie de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen omdat die ondersteund wordt door de overgelegde informatie – blijkt het volgende.

De behandeling van hiv is mogelijk in Polen. Er is toegang tot medische zorg voor alle Polen met een ziektekostenverzekering en voor alle asielzoekers. Dit laatste is ook het geval als de asielzoeker geen opvang krijgt of beperkt aanspraak kan maken op andere voorzieningen.

Uit het AIDA-rapport blijkt verder dat het erg lastig is voor een asielzoeker om de benodigde behandeling te krijgen en zelf te regelen. Dit komt onder andere door de taalbarrière, gebrekkige informatievoorziening en de omstandigheid dat de ziekenhuizen die de zorg aan asielzoekers bieden veraf gelegen zijn. De (organisatie van de) medische zorg voor asielzoekers wordt sinds 2015 uitbesteed aan een particulier bedrijf, Petra Medica. Er is veel kritiek op de kwaliteit van de zorg die deze organisatie levert. Met name de toegang tot gespecialiseerde medische zorg is de afgelopen periode verslechterd. Sommige asielzoekers wordt de toegang tot duurdere medische behandelingen geweigerd. Er zijn gevallen bekend dat sommige asielzoekers die toegang alleen verkregen na maandenlange strijd, al dan niet met hulp van rechtshulp of non-gouvernementele organisaties. Vooral asielzoekers met hiv krijgen moeilijk toegang tot de benodigde behandeling. Zij hebben te maken met veel administratieve barrières.

Uit de toelichting van Feras Daboul blijkt daarnaast dat iedere keer dat een behandeling nodig is die niet door Petra Medica wordt aangeboden, zoals de behandeling voor hiv, een medische verwijzing van het Poolse ‘Office for Foreigners’ nodig is. Daarna moet een goedkeuring voor kostenovername worden verkregen van Petra Medica. Vervolgens moet bij het ziekenhuis uitgelegd worden op welke wijze de kosten voor de hiv-behandeling worden vergoed. Daarvoor zijn ook meerdere gesprekken nodig. Dit proces is erg moeilijk zonder de steun van een Pools sprekend persoon. Dit betekent dat eiser deze stappen voor ieder consult met een dokter, ieder recept of iedere test moest en zal moeten doorlopen.

12.4.2

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat behandeling van hiv in Polen aanwezig is, ook voor asielzoekers. Wel is het zo dat het verkrijgen van toegang tot en daarna continueren van deze behandeling (in de vorm van medicatie en follow-ups), onder meer vanwege een omslachtige procedure en de taalbarrière, moeizaam is. Toch leidt dit de rechtbank niet tot de conclusie dat er een voorzienbaar risico bestaat dat de toegang tot en de continuïteit van de voor eiser noodzakelijke hiv-behandeling in gevaar komt na een overdracht aan Polen. Er is sprake van behoorlijke praktische obstakels bij het verkrijgen en continueren van de benodigde behandeling.. Dat doet echter niet af aan de gebleken aanwezigheid en toegankelijkheid van die behandeling. Het is eiser eerder ook gelukt de noodzakelijke behandeling in Polen te verkrijgen. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat hem dit, al dan niet met hulp van Pools sprekende derden en met de nodige inspanningen, niet opnieuw zal lukken. Verweerder stelt zich bovendien niet ten onrechte op het standpunt dat eiser zich, mocht hij op dit punt moeilijkheden of problemen ervaren, hierover kan en moet beklagen bij de Poolse (hogere) autoriteiten of daartoe geëigende instanties.

Hieruit volgt dat eiser in de eerste situatie, tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag, recht heeft op medische zorg en dat ervan kan worden uitgegaan dat de voor hem benodigde behandeling voor hiv voor hem op continue basis toegankelijk is. In het aanbod van verweerder aan eiser om tijdens de overdracht, ter overbrugging van die periode, een voorraadje medicijnen mee te nemen, ziet de rechtbank, anders dan eiser, geen aanwijzing dat verweerder toch niet zo zeker is van zijn zaak voor wat betreft de aanwezigheid en toegankelijkheid voor eiser van de noodzakelijke medische zorg na aankomst in Polen. Dit heeft verweerder voldoende uitgelegd.

12.4.3.

In het hypothetische geval, dat eisers asielaanvraag door de Poolse autoriteiten wordt afgewezen, zal van eiser worden verwacht dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst. Hij heeft dertig dagen de tijd om Polen vrijwillig te verlaten. In deze periode is er sprake van legaal verblijf.44 In artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is bepaald dat lidstaten – behoudens een aantal gevallen – een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen derdelanders die illegaal op het grondgebied verblijven. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt – behoudens een aantal uitzonderingen – in het terugkeerbesluit een passende termijn voor vrijwillig vertrek van zeven tot dertig dagen vastgesteld. De termijn voor vrijwillig vertrek in Polen is in overeenstemming met deze bepaling.

In artikel 14, eerste lid onder b, van de Terugkeerrichtlijn is bepaald dat aan derdelanders, behalve zij die zich in bewaring bevinden, tijdens de vrijwillige vertrektermijn ‘dringende medische zorg wordt verstrekt en essentiële behandeling van ziekte wordt uitgevoerd’. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat Polen deze verplichting uit de Terugkeerrichtlijn niet naleeft. Integendeel, (ook) uit de toelichting van Feras Daboul blijkt dat een asielzoeker, na de afwijzing van zijn asielaanvraag, nog 30 dagen recht heeft op medische zorg.

De rechtbank concludeert daarom dat eiser ook gedurende de termijn waarbinnen hem na afwijzing van zijn asielaanvraag de gelegenheid wordt geboden vrijwillig te vertrekken

– dit is de tweede situatie –, in Polen recht op de benodigde medische zorg.

12.4.4.

Ten overvloede wordt overwogen dat niet is gesteld dat er een reëel risico is op een schending van artikel 4 van het EU Handvest in het geval dat eisers asielverzoek wordt toegewezen en hij een verblijfsvergunning krijgt voor Polen, zodat de rechtbank ook die situatie niet zal beoordelen.

12.5.

Uit wat hierboven is overwogen, volgt dat eiser gedurende de behandeling van zijn asielverzoek en de termijn waarbinnen hem na afwijzing van zijn asielaanvraag de gelegenheid wordt geboden vrijwillig te vertrekken, in Polen recht op de benodigde medische zorg. Verweerder stelt zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt dat van structurele, fundamentele gebreken in de opvangvoorzieningen in Polen niet is gebleken. Ook op dit punt kan ten aanzien van Polen dan ook nog steeds worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De toegankelijkheid en continuïteit van de voor eiser noodzakelijke medische zorg vormt naar het oordeel van de rechtbank daarom geen individuele risicofactor als hierboven bedoeld.

13. Dan komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of, ondanks wat er in zijn algemeenheid is geoordeeld over de situatie over de rechterlijke macht, de situatie van de LHBTI en de beschikbaarheid en toegankelijkheid van een medische behandeling voor hiv voor asielzoekers in Polen, de combinatie van deze omstandigheden maakt dat er sprake is individuele risicofactoren waardoor geoordeeld moet worden dat er een reëel gevaar bestaat dat in het geval van eiser geen onafhankelijk rechterlijk oordeel zal worden gegeven, of dat hij anderszins een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Alle omstandigheden die worden genoemd betreffen algemene omstandigheden, geen individuele omstandigheden. Ook heeft de rechtbank hiervoor geoordeeld dat dit geen individuele risicofactoren zijn.

Verweerder heeft er ook niet ten onrechte op gewezen dat er geen aanwijzingen zijn dat LHBTI die asiel hebben aangevraagd in Polen in een nadeligere positie verkeren ten opzichte van andere asielzoekers. Ook heeft verweerder er niet ten onrechte op gewezen dat nergens uit blijkt dat er in Polen met betrekking tot de seksuele geaardheid van een asielzoeker onderscheid wordt gemaakt bij de toegang tot opvangvoorzieningen of de asielprocedure of dat LHBTI-asielzoekers zich bij voorkomende problemen niet kunnen wenden tot de aangewezen autoriteiten of geëigende instanties in Polen. Dat eiser eerder het slachtoffer is geworden van geweld door Poolse politieambtenaren betreurt de rechtbank ten zeerste maar maakt dit niet anders. Zoals gezegd, eiser heeft toen niet geklaagd en heeft toen geen bescherming gevraagd bij hogere Poolse autoriteiten.

Er is ook niet gebleken van overige individuele omstandigheden of factoren die, in combinatie met de hiervoor genoemde omstandigheden, maken dat áls eiser in Polen (wederom) te maken mocht hebben met een schending van zijn mensenrechten of indien in die lidstaat niet gehandeld zou worden overeenkomstig (bijvoorbeeld) de Opvangrichtlijn, eiser geen bescherming zou kunnen vragen bij de Poolse autoriteiten of het zinloos zou zijn om daarover te klagen.

Eiser heeft ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij vanwege zijn seksuele gerichtheid in Polen, of de combinatie van de hierboven genoemde omstandigheden, een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Polen.

Tussenconclusie

14. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de situatie zoals die momenteel in Polen is, een reëel risico oplevert dat eiser, als homoseksuele asielzoeker met hiv, aldaar een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling. Er is in de specifieke zaak van eiser ook geen sprake van (een combinatie van) individuele risicofactoren die maken dat er een reëel gevaar bestaat dat eiser, in een eventuele Poolse gerechtelijke procedure, geen onafhankelijk rechterlijk oordeel zal krijgen. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in Polen een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. Verweerder mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat Polen zijn verdragsverplichtingen nakomt, ook ten aanzien van eiser.

14.1.

Verweerder heeft de overwegingen van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, in de uitspraak van 29 juli 2021 en de daar geconstateerde gebreken in de eerdere besluitvorming voldoende bij de nieuwe besluitvorming betrokken. De geconstateerde gebreken zijn voldoende hersteld.

De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17 van de Dublinverordening

15. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

15.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het door eiser aangevoerde, ook niet als alle omstandigheden in samenhang worden bekeken, redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Zoals hiervoor is geoordeeld, mag verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat Polen zijn verdragsverplichtingen nakomt. Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gestelde dat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat zijn overdracht aan Polen van een onevenredige hardheid zou getuigen of sprake is van een bijzonder samenstel van factoren dat maakt dat de behandeling van het verzoek om internationale bescherming in Nederland in de rede ligt. Verweerder heeft zijn besluit op dit punt voldoende gemotiveerd.

Eisers beroepsgrond slaagt niet.

Arrest C.K.

16. Eiser doet vanwege zijn medische situatie een beroep op het arrest C.K. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser medische informatie overgelegd afkomstig van S. Kraan, verpleegkundig specialist bij Isala ziekenhuis, van 15 oktober 2021. Hierin wordt eisers medische situatie en huidige behandeling beschreven. Ook wijst eiser op de e-mail van Feras Daboul, en naar de pagina’s 66 tot en met 69 van AIDA-rapport. Eiser concludeert dat hieruit, en ook uit zijn eerdere eigen ervaringen in Polen, dat de zorg in Polen, in het bijzonder voor hiv-patiënten, gecompliceerd en structureel moeilijk toegankelijk is. Daardoor is het onzeker of hem medische zorg verleend gaat worden en, zo ja, of de continuïteit van die zorg gewaarborgd is, terwijl het voor hem als hiv-patiënt van levensbelang is dat zijn medische behandeling wordt gecontinueerd. Dat wat volgt uit het arrest C.K. en de stukken die hij heeft overgelegd, maakt volgens eiser dan ook dat hij niet kan worden overgedragen aan Polen.

16.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiser op het arrest C.K. niet kan slagen. Eiser heeft namelijk niet met objectieve bewijsstukken de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van de overdracht op zijn gezondheidstoestand aangetoond. Verweerder ziet daarom geen aanleiding het Bureau Medische Advisering om advies te vragen.45 Hiertoe overweegt verweerder dat een hiv-patiënt met de juiste medicatie normaal kan functioneren in de samenleving en ook kan reizen. Dat eiser hiv-patiënt is en daarvoor medicatie gebruikt, maakt niet dat een overdracht aan Polen aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen zal hebben voor eisers gezondheidssituatie. Daar waar eiser stelt dat het in Polen niet makkelijk is (gebleken) medische zorg te krijgen voor zijn hiv-besmetting, overweegt verweerder dat eiser in dat geval de hulp van de (hogere) Poolse autoriteiten en/of van Feras Daboul kan inroepen. Bovendien zal de feitelijke overdracht van eiser worden opgeschort als de Poolse autoriteiten laten weten dat zij niet kunnen voorzien in behandeling van eisers medische problematiek. Ook kan eiser tijdens de overdracht ter overbrugging een voorraadje medicijnen nemen, aldus verweerder.

16.2.

Uit het arrest C.K. volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. De vraag of dit het geval is, moet worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van een asielzoeker of in het geval van een rechterlijke procedure, wanneer wordt geoordeeld over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, omdat de tenuitvoerlegging daarvan tot een onmenselijke of vernederende behandeling van die asielzoeker zou kunnen leiden. Hieruit volgt ook dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.46

16.2.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroep op het arrest C.K. voor het eerst ter zitting van 23 september 2021 heeft gedaan en pas daarna stukken heeft ingediend ter onderbouwing van zijn standpunt. De hiervoor genoemde beoordeling heeft verweerder daarom gedaan in zijn brief van 24 november 2021.

16.2.2.

De rechtbank wijst er op dat de vraag, of de overdracht van eiser aan Polen een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand tot gevolg heeft, moet worden onderscheiden van de vraag of in Polen ná de overdracht van eiser, voor hem passende medische zorg aanwezig is.47Over dit laatste heeft de rechtbank in 12.4.2 en 12.4.3 haar oordeel gegeven.

16.2.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser met de door hem overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat een overdracht aan Polen leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, zoals bedoeld in het arrest C.K. De medische informatie van S. Kraan, verpleegkundig specialist van Isala, maakt melding van eisers gezondheidstoestand, zijn huidige medische behandeling en de noodzaak van het levenslang continueren van deze behandeling. Daarin wordt aangegeven dat eiser, dankzij de therapie, een onderdrukt virus heeft en een normale immuniteit. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit niet dat de gezondheidstoestand van eiser op dit moment (bijzonder) slecht is. De omstandigheid dat hiv op zichzelf een ernstige, potentieel levensbedreigende aandoening is, maakt dit niet anders. Het gaat namelijk om de (voorzienbare) situatie ten tijde van de overdracht naar Polen. Bovendien wordt in de brief niet beschreven wat de eventuele gevolgen zijn van een overdracht voor de gezondheidstoestand van eiser. Dat betekent dat eiser niet met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand én de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht heeft aangetoond.

Eisers beroepsgrond slaagt niet.

Opschorting Dublinoverdrachten aan Polen

17. Eiser verwijst in beroep naar de brief van verweerder van 17 maart 202248 waarin deze de Tweede Kamer erover informeert hoe wordt omgegaan met de instroom van vluchtelingen uit Oekraïne. Uit deze brief volgt dat er voor Dublinclaimanten die op Polen, Slowakije en Tsjechië zijn geclaimd, een feitelijk overdrachtsbeletsel bestaat. Volgens eiser kan hij dus niet aan Polen worden overgedragen en kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

17.1.

Verweerder is van mening dat de overdracht op dit moment niet kan worden uitgevoerd vanwege de situatie in Oekraïne maar dat het hier gaat om een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel. Dit maakt de vaststelling van Polen als de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van eisers asielverzoek niet onrechtmatig, aldus verweerder. Verweerder maakt de vergelijking met de situatie ten tijde van de Covid-19-pandemie.49 Daarbij merkt verweerder nog op dat in eisers geval sprake is van een toegewezen voorlopige voorziening, die tot gevolg heeft dat de uiterste overdrachtstermijn is opgeschort en de overdrachtstermijn van zes maanden opnieuw gaat lopen op het moment dat uitspraak wordt gedaan in de onderhavige zaak.

17.2.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de omstandigheid, dat vanwege de conflictsituatie in Oekraïne en de vluchtelingenstroom die dit op gang heeft gebracht naar onder andere Polen, er op dit moment geen Dublinoverdrachten aan Polen plaatsvinden omdat Polen deze heeft opgeschort, een feitelijk overdrachtsbeletsel van tijdelijke aard vormt. Dit beletsel doet niet af aan de rechtmatigheid van de vaststelling van Polen als verantwoordelijke lidstaat. Dit staat er niet aan in de weg dat als dat beletsel is opgeheven, eiser in beginsel alsnog aan Polen kan worden overgedragen. Dat dit wellicht nog enige tijd gaan duren, zoals eiser terecht opmerkt, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.

Verwijzing naar wat eerder in de procedure is ingebracht

18. Eiser heeft verder verzocht dat wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat verweerder hier in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op is ingegaan en eiser deze gronden, anders dan besproken in voormelde rechtsoverwegingen, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

Conclusie

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, voorzitter, mr. S. Scherff, en

mr. A.S. Gaastra, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Zaaknummer NL21.8894 (niet gepubliceerd).

2 ECLI:NL:RBDHA:2021:11115.

3 Arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2019:218 (arrest Jawo), punten 84-84 en 87-88.

4 Arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2011, N.S. e.a., ECLI:EU:C:2011:865 (arrest N.S.), punten 80 en 104.

5 Artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.

6 Arrest van het EHRM van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, overweging 263, en het arrest Jawo, punten 91-93.

7 Arrest N.S., punt 82.

8 ABRvS 12 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3801.

9 HvJ 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127 (arrest C.K.).

10 Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn betoog naar de brief van VWN van 4 mei 2021, het artikel in het NRC van 31 maart 2021 ‘Europese Commissie daagt Polen voor Europese Hof van Justitie vanwege rechtspraak’, https://www.nrc.nl/nieuws/2021/03/31/europese-commissie-daagt-polen-voor-europese-hof-van-justitie-vanwege-rechtspraak-a4037960, het artikel van Al Jazeera van 17 augustus 2012 ‘Poland to dismantle disciplinary chamber for judges after EU row’, https://www.aljazeera.com/news/2021/8/17/poland-to-dismantle-disciplinary-chamber-for-judges-after-eu-row en op het artikel ‘Poland notifies EU it is closing disciplinary chamber for judges’ van 17 augustus 2021 van DW, https://www.dw.com/en/poland-notifies-eu-it-is-closing-disciplinary-chamber-for-judges/a-58886329. Ook heeft de Europese Unie het Hof van Justitie gevraagd Polen een boete op te leggen, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_21_4587.

11 Arrest van het Hof van Justitie van 17 december 2020, L en P, ECLI:EU:C:2020:1033 (arrest LP).

12 ABRS van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:282) en de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:2728).

13 ECLI:NL:RBDHA:2022:5327.

14 Rechtsoverweging 7.3.

15 Rechtsoverwegingen 7.2 tot en met 7.2.4.

16 ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:282.

17 Arrest van het Hof van Justitie van 25 juli 2018, LM, ECLI:EU:C:2018:586 (arrest L.M.).

18 Rechtsoverwegingen 7.2.1 en 7.2.2.

19 Rechtsoverwegingen 6.1.4. en 7.2.4.

20 Eiser heeft een groot aantal stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Deze stukken komen – daar waar relevant voor het oordeel van de rechtbank – gaandeweg aan de orde.

21 Eiser verwijst onder andere naar een stuk van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) aan zijn gemachtigde van 4 mei 2021, gebaseerd op het rapport van Asylum Information Database ‘Country Report: Poland, 2020 Update’ van april 2021 (AIDA-rapport) en een aantal andere bronnen.

22 Amnesty International over het onderwerp LHBTI-rechten in Polen, https://www.amnesty.nl/wat-we-doen/landen/mensenrechtensituatie-in-polen/lhbti-rechten, datum onbekend.

23 Eiser wijst op een bericht op de website van de Europese Commissie waarin melding wordt gemaakt van een door de Europese Commissie geïnitieerde procedure tegen Polen wegens het instellen van LHBTI-vrije-zones, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_21_3668.

24 https://kph.org.pl/polish-stonewall-campaign-against-homophobia-statement-on-protests-against-the-politicized-arrest-of-an-lgbt-activist-and-brutal-police-repression/

25 NOS, ‘Poolse LHBTI-demonstranten opgepakt na ophef om vlag over jezusbeeld’, 8 augustus 2022, https://nos.nl/artikel/2343380-poolse-lhbti-demonstranten-opgepakt-na-ophef -om-vlag-over-jezusbeeld.

26 Amnesty International, ‘Polen: activist gearresteerd na bezoek aan Amnesty Nederland’, 7 mei 2019, https://www.amnesty.nl/actueel/polen-activist-gearresteerd-na-bezoek-aan-nederland, en Amnesty International, ‘Poolse lhbti-activisten vrijgesproken’, 2 maart 2021, https://www.amnesty.nl/actueel/poolse-lhbti-activisten-vrijgesproken.

27 NOS, ‘Pride in Polen, maar wie kan, zoekt zijn heil in andere EU-landen’, 19 juni 2021, https://nos.nl/artikel/2385713-pride-in-polen-maar-wie-kan-zoekt-zijn-heil-in-andere-eu-landen.

28 Rapport Aanmeldgehoor Dublin, pagina 7.

29 Zie noot 10.

30 Namelijk in de eerdere procedure van eiser, waarin het beroep gegrond is verklaard en in de uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2021:5225.

31 Verweerder verwijst naar het artikel van 23 september 2021 van Trouw https://www.trouw.nl/buitenland/polen-zwicht-voor-brussel-en-trekt-anti-lhbti-verklaringen-in~b9f9c9eb en naar een artikel van RTL-Nieuws, ‘Polen heeft 80 procent van de LHBT-vrije zones opgeheven: wint de EU?’ van 29 september 2021, https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/buitenland/artikel/5257021/polen-eu-brussel-lhbt-vrije-zones-opgeheven-poolse-regering.

32 Verweerder verwijst naar het artikel ‘Poland: Kill the "Stop LGBT" bill, op allout.org.

33 Verweerder verwijst naar ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:282, naar aanleiding van HvJ 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:586, en de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2728.

34 Verweerder verwijst onder meer naar een bericht van Amnesty International van 12 januari 2022, https://www.amnesty.nl/actueel/goed-nieuws-hoger-beroep-poolse-activisten-afgewezen.

35 https://www.state.gov/reports/2020-country-reports-on-human-rights-practices/poland.

36 “Memorandum on the stigmatisation of LGBTI people in Poland” van 3 december 2020 van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Europese Unie, https://rm.coe.int/memorandum-on-the-stigmatisation-of-lgbti-people-in-poland/1680a08b8e.

37 “A long way to go for LGBTI equality”, European Union’s Fundamental Rights Agency, survey, 14 mei 2019, https://fra.europa.eu/en/publication/2020/eu-lgbti-survey-results.

38 Nieuwsbericht van de BBC van 14 juni 2020 “Polish election: Andrzej Duda says LGBT 'ideology' worse than communism”, https://www.bbc.com/news/world-europe-53039864.

39 Bericht van Amnesty International “Poland: new 'Stop LGBT' Bill is 'discriminatory to its core'” van 28 oktober 2021.

40 Eiser verwijst naar de voorbeelden die worden gegeven op pagina 67 van het AIDA-rapport van asielzoekers in een – volgens hem – vergelijkbare situatie.

41 Verweerder verwijst naar het AIDA-rapport, pagina 66, tweede alinea.

42 De te beoordelen situaties zoals de rechtbank die afleidt uit het arrest Jawo.

43 Pagina’s 66 en 67. Hetzelfde staat vermeld in het, recentere, AIDA Country Report: Poland van 31 mei 2021, op de pagina’s 76 tot en met 79.

44 Pagina 24, vijfde alinea, van het AIDA-rapport.

45 Verweerder verwijst naar ABRvS 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2835 en ABRvS 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1804.

46 ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980 en ECLI:NL:RVS:2017:2986 en ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:129.

47 ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986.

48 Brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 17 maart 2022, met kenmerk 3910291.

49 Verweerder verwijst naar ABRvS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1032.