Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:6298

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2022
Datum publicatie
30-06-2022
Zaaknummer
09/263631-20, 09/279149-21 en 09/244159-21 (gev. ttz.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet openbare manifestaties. Betogingen tegen coronamaatregelen op het Plein in Den Haag. De burgemeester heeft opdracht gegeven de betogingen te beëindigen ter bescherming van de gezondheid en ter voorkoming van wanordelijkheden. Hij heeft zich daarbij slechts in algemene termen gebaseerd op eerdere ervaringen en geen vaststellingen gedaan over de nieuw ontstane situatie. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende blijkt dat beëindiging van de betogingen noodzakelijk was. Volgt vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Kantonrechter

Parketnummers 09/263631-20, 09/279149-21 en 09/244159-21 (gev. ttz.)

Datum uitspraak: 28 juni 2022

Tegenspraak

De kantonrechter in de rechtbank Den Haag heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 14 juni 2022.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. R. Dijkstra, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. S. Passchier heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding met parketnummer 09/244159-21 ten laste gelegde onder gelijktijdige vernietiging van de uitgevaardigde strafbeschikking, en tot bewezenverklaring van het bij dagvaardingen met parketnummers 09/263631-20 en 09/279149-21 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor elk van de bewezen te verklaren feiten wordt veroordeeld tot een geldboete van 250 euro, subsidiair vijf dagen hechtenis.

Het ingestelde verzet

In de zaak met parketnummer 09/244159-21 is aan de verdachte op 20 september 2021 een strafbeschikking uitgevaardigd. De verdachte heeft daartegen op 24 september 2021 verzet ingesteld. Het verzet voldoet aan de eisen die daaraan in artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld. De verdachte is daarom ontvankelijk in haar verzet.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

onder parketnummer 09/263631-20

zij op of omstreeks 10 oktober 2020 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, niet heeft voldaan aan de door de burgemeester op grond van artikel 7 Wet openbare manifestaties gegeven opdracht de betoging terstond te beëindigen en uiteen te gaan, door nadat krachtens artikel 7 sub a Wet openbare manifestaties en/of artikel 7 sub b Wet openbare manifestaties en/of artikel 7 sub c Wet openbare manifestaties door de burgemeester de opdracht was gegeven om de demonstratie te beëindigen en uiteen te gaan, zich niet te verwijderen van die betoging en/of de locatie waarop deze werd gehouden;

onder parketnummer 09/279149-21

zij op of omstreeks 8 oktober 2020 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, niet heeft voldaan aan de door de burgemeester op grond van artikel 7 Wet openbare manifestaties gegeven opdracht de betoging terstond te beëindigen en uiteen te gaan, door nadat krachtens artikel 7 sub a Wet openbare manifestaties en/of artikel 7 sub b Wet openbare manifestaties en/of artikel 7 sub c Wet openbare manifestaties, door de burgemeester de opdracht was gegeven om de demonstratie te beëindigen en uiteen te gaan, zich niet te verwijderen van die betoging en/of de locatie waarop deze werd gehouden;

onder parketnummer 09/244159-21

zij op of omstreeks 25 mei 2021 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, niet heeft voldaan aan de door de burgemeester krachtens artikel 7 Wet openbare manifestaties gegeven opdracht de betoging terstond te beëindigen en uiteen te gaan, door, nadat de burgemeester krachtens artikel 6 Wet openbare manifestaties de volgende aanwijzing(en) had gegeven:

- dat de demonstratie en/of betoging op de Koekamp moest plaatsvinden en/of (enkel) daar was/werd toegestaan en/of

- dat sprake moest zijn van een statische demonstratie en/of betoging, waarbij niet zou worden verplaatst,

en nadat aan die aanwijzing(en) geen gevolg was gegeven en (nadat) door de burgemeester krachtens artikel 7 sub a en/of sub b en/of sub c Wet openbare manifestaties de opdracht was gegeven de betoging te beëindigen en uiteen te gaan, zich niet te verwijderen van die betoging en/of de locatie waar deze werd gehouden.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie met betrekking tot parketnummer 09/244159-21 niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Volgens de raadsvrouw is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, omdat de verdachte is aangehouden zonder dat er een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

Het gaat bij dit feit om een betoging op het Plein in Den Haag op 25 mei 2021. Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2021146447-4 blijkt dat de burgemeester van Den Haag om 13.35 uur die dag de opdracht heeft gegeven om de betoging te beëindigen. Om 15.10 uur heeft de politie met een megafoon alle aanwezige betogers gevorderd zich te verwijderen van het Plein. De verdachte behoorde tot deze betogers. Zij heeft het Plein niet verlaten. Hierop heeft de politie onder anderen de verdachte aangehouden. Naar het oordeel van de kantonrechter bestond op dat moment een redelijk vermoeden dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit, namelijk overtreding van artikel 11 van de Wet openbare manifestaties. De kantonrechter volgt de raadsvrouw dus niet in haar betoog.

Ook overigens zijn er geen vervolgingsbeletselen, zodat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

De bewijsbeslissing

De verdachte heeft op 8 en 10 oktober 2020 en 25 mei 2021 in Den Haag deelgenomen aan betogingen gericht tegen de zogenoemde coronamaatregelen van de rijksoverheid. Zij wordt ervan verdacht geen gevolg te hebben gegeven aan opdrachten van de burgemeester om die betogingen te beëindigen.

De kantonrechter moet beoordelen of de burgemeester telkens bevoegd een opdracht tot beëindiging van de betoging heeft gegeven en zo ja, of de verdachte aan deze opdracht geen gevolg heeft gegeven. Bij die beoordeling stelt de kantonrechter het volgende voorop.

Het recht op betoging is een grondrecht dat wordt beschermd door artikel 9 van de Grondwet en de artikelen 10 en 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het is evenwel geen onbegrensd recht. Het recht op betoging mag worden onderworpen aan beperkingen, mits die bij wet zijn voorzien en die noodzakelijk zijn in het belang van (onder meer) de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de bescherming van de gezondheid. De wet die het stellen van dergelijke beperkingen regelt is de Wet openbare manifestaties (hierna: de WOM). Op grond van de WOM zijn de bevoegdheden inzake de beperking van het recht op betoging gedelegeerd aan de burgemeester. Zo kan de burgemeester op grond van artikel 6 van de WOM aanwijzingen geven die deelnemers aan een betoging in acht moeten nemen. Op grond van artikel 7 van de WOM kan de burgemeester aan deelnemers aan een betoging opdracht geven de betoging terstond te beëindigen en uiteen te gaan. Deze bevoegdheid kan de burgemeester aanwenden indien een van de belangen genoemd in artikel 2 van de WOM dat vordert. Hierbij gaat het om het belang van de bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer en het belang van de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het handelen in strijd met een opdracht tot beëindiging is strafbaar op grond van artikel 11 van de WOM.

Bij de processtukken in deze zaak bevinden zich geen op schrift gestelde opdrachten tot beëindiging. Dat bevreemdt niet, want aangenomen kan worden dat dergelijke opdrachten, gelet op de korte tijdsspanne waarin zij doorgaans moeten worden genomen, veelal niet door de burgemeester schriftelijk worden vastgelegd. Wel bevinden zich bij de processtukken ambtsedige processen-verbaal van de politie waarin over de opdrachten tot beëindiging is gerelateerd.

In het proces-verbaal met nummer PL1500-2020304039-3 staat – samengevat – het volgende over de beëindigingsopdracht van 8 oktober 2020. Omstreeks 19.14 uur heeft de politie de burgemeester van Den Haag geïnformeerd dat er een onaangekondigde demonstratie was op het Plein in Den Haag, waarbij ongeveer 50 demonstranten aanwezig waren die hadden aangegeven tot 20.30 uur te willen demonstreren. Kort daarna heeft de burgemeester besloten op grond van artikel 7 van de WOM de demonstratie te beëindigen. De overwegingen hierbij waren dat eerdere ervaringen met demonstraties van deze actiegroep zeer negatief waren: bij eerdere demonstraties werd er onderling geen anderhalve meter afstand gehouden en zijn grote wanordelijkheden ontstaan. Ook hebben de deelnemers van deze demonstratie zich bij voorgaande demonstraties niet gehouden aan de gemaakte afspraken. De demonstratie is “op grond van zorgen voor de volksgezondheid en vrees voor dreigende wanordelijkheden” beëindigd.

In het proces-verbaal met nummer PL1500-2020305912-4 staat – samengevat – het volgende over de beëindigingsopdracht van 10 oktober 2020. Vanaf 19.00 uur verschenen op het Plein in Den Haag circa 100 personen die, op basis van uiterlijke kenmerken (demonstratieborden en bedrukte T-shirts) door de politie gelieerd werden aan een gezamenlijke onaangekondigde demonstratie gericht tegen coronamaatregelen. Na telefonisch overleg tussen de politie en de burgemeester van Den Haag, is door de burgemeester kort na 19.10 uur op grond van artikel 7 van de WOM besloten de demonstratie te beëindigen. De overwegingen hierbij waren dat eerdere ervaringen met demonstraties van deze actiegroep zeer negatief waren: bij eerdere demonstraties werd er onderling geen anderhalve meter afstand gehouden en zijn grote wanordelijkheden ontstaan. Ook hebben de deelnemers van deze demonstratie zich bij voorgaande demonstraties niet gehouden aan de gemaakte afspraken. De demonstratie is “op grond van zorgen voor de volksgezondheid en vrees voor dreigende wanordelijkheden” beëindigd.

In het proces-verbaal met nummer PL1500-2021146447-4 staat – samengevat – het volgende over de beëindigingsopdracht van 25 mei 2021. Rond 12.20 uur zag de politie dat op het Plein in Den Haag ongeveer 30 personen zich verzamelden. Deze personen hielden geen anderhalve meter afstand van elkaar. De groep had volgens de politie de uiterlijke kenmerken van een demonstratie. Nadat de burgemeester van Den Haag op de hoogte was gesteld, besloot deze om de demonstratie te faciliteren op de Koekamp, “in het belang van de volksgezondheid”. Hierop heeft de politie aan de groep op het Plein meegedeeld dat men zich moest verplaatsen naar de Koekamp. Toen de groep zich ondanks herhaalde vorderingen niet verplaatste, heeft de politie de groep ingesloten en geprobeerd te bewegen in de richting van de Lange Houtstaat. Een deel van de groep bewoog zich in die richting, een ander deel ging zitten midden op het Plein. Nadat het de politie duidelijk was geworden dat dit deel van de groep niet van plan was om weg te gaan, is de burgemeester door de politie geïnformeerd dat er een sitdown op het Plein gaande was. Hierop heeft de burgemeester om 13.35 uur de opdracht gegeven de demonstratie op grond van artikel 7 van de WOM te beëindigen “omdat niet werd voldaan aan de voorwaarden”.

De kantonrechter is van oordeel dat uit deze processen-verbaal voldoende duidelijk het bestaan van opdrachten tot beëindiging kan worden afgeleid en ook hoe die opdrachten tot stand zijn gekomen en wat de inhoud daarvan was. De vraag is vervolgens of de burgemeester bevoegd was die opdrachten onder deze omstandigheden te geven.

Aan de beëindigingsopdrachten van 8 en 10 oktober 2020 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd het belang van de bescherming van de gezondheid en het belang van de voorkoming van wanordelijkheden. Ter onderbouwing daarvan heeft de burgemeester gewezen op eerdere ervaringen met betogingen van dezelfde actiegroep. Op zich mocht de burgemeester eerdere ervaringen bij zijn besluitvorming betrekken. Hij heeft dat echter in zeer algemene bewoordingen gedaan. Zo heeft hij niet aangegeven wanneer de eerdere betogingen plaatsvonden, hoeveel personen daarbij aanwezig waren, of het ging om (deels) dezelfde personen als op 8 en 10 oktober 2020, waaruit de wanordelijkheden destijds bestonden en hoe die zijn beëindigd. Daarbij komt dat de processtukken geen vaststellingen bevatten over de situatie op 8 en 10 oktober 2020. Was die situatie dezelfde als bij eerdere, uit de hand gelopen betogingen? Waren er concrete aanwijzingen dat het wederom zou komen tot wanordelijkheden? Werd er geen anderhalve meter afstand gehouden? Op die vragen geven de processtukken geen antwoord. Bij die stand van zaken kan de kantonrechter niet vaststellen hoe reëel de kans op wanordelijkheden op 8 en 10 oktober 2020 was en of die wanordelijkheden naar redelijke verwachting van dien aard zouden zijn, dat daaraan niet het hoofd zou kunnen worden geboden door de inzet van politie. Evenmin is vast te stellen of er op 8 en 10 oktober 2020 gevaar dreigde voor de gezondheid. Ook blijkt niet dat op 8 en 10 oktober 2020 niet eerst een lichter middel had kunnen worden ingezet, zoals het geven van aanwijzingen aan de betogers. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de besluitvorming van de burgemeester, zoals die is neergelegd in voormelde processen-verbaal, dan ook niet dat het belang van de bescherming van de gezondheid en het belang van de voorkoming van wanordelijkheden de beëindiging van de betogingen noodzakelijk maakten. De beëindigingsopdrachten van 8 en 10 oktober 2020 zijn dus niet bevoegd gegeven. Bij zijn oordeel neemt de kantonrechter in aanmerking dat hoewel dergelijke besluitvorming veelal in een korte tijdsspanne zal moeten worden genomen, aan de motivering daarvan niettemin eisen mogen worden gesteld. Het gaat immers om de beperking van een grondrecht.

Over 10 oktober 2020 merkt de kantonrechter voor de volledigheid nog het volgende op. Uit de processtukken blijkt dat de betoging die was begonnen op het Plein later die avond is voortgezet op een andere locatie in Den Haag, in de vorm van een stoet personen die leuzen scanderend door het centrum trok. Uit de processtukken blijkt ook dat daarbij geen anderhalve meter afstand werd gehouden. Evenwel blijkt niet dat de burgemeester in verband daarmee een nieuwe beëindigingsopdracht heeft gegeven, zodat deze latere gebeurtenissen niet kunnen leiden tot een ander oordeel.

Nu niet kan worden vastgesteld dat op 8 en 10 oktober 2020 sprake was van bevoegd gegeven beëindigingsopdrachten, moet de verdachte worden vrijgesproken van de bij dagvaardingen met parketnummers 09/263631-20 en 09/279149-21 ten laste gelegde feiten.

Aan de beëindigingsopdracht van 25 mei 2021 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat in strijd werd gehandeld met de eerder door hem gegeven aanwijzing de betoging te verplaatsen naar de Koekamp. Het enkele niet opvolgen van een aanwijzing kan een beëindigingsopdracht echter niet rechtvaardigen. Ook in dat geval is vereist is dat een van de in artikel 2 van de WOM genoemde belangen de beëindiging vordert. De aanwijzing van de burgemeester om naar de Koekamp te verplaatsen is blijkens het hiervoor genoemde proces-verbaal gegeven ter bescherming van de gezondheid. Hoewel dit is niet nader is gemotiveerd, begrijpt de kantonrechter dat dit moet worden bezien tegen de achtergrond van de uitbraak van COVID-19 en de noodzaak om voldoende afstand te kunnen houden van elkaar. Het is een feit van algemene bekendheid dat de Koekamp ruimer is dan het Plein en dus beter de mogelijkheid biedt om afstand te houden. Nu de betogers de aanwijzing niet hebben opgevolgd en kan worden vastgesteld dat zij geen anderhalve meter afstand hebben gehouden, is de kantonrechter van oordeel dat het belang van de bescherming van de gezondheid de beëindiging van de betoging noodzakelijk maakte. De beëindigingsopdracht van 25 mei 2021 is dus bevoegd gegeven.

Daarmee komt de kantonrechter toe aan de vraag of kan worden vastgesteld dat de verdachte aan die opdracht geen gevolg heeft gegeven.

In het hiervoor genoemde proces-verbaal is beschreven dat de politie de aanwezige betogers heeft gevorderd het Plein te verlaten. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat zij het Plein heeft geprobeerd te verlaten maar daarbij werd tegengehouden door de politie. Ter onderbouwing van haar verklaring heeft de verdachte een door haar opgenomen filmpje overgelegd, dat op de terechtzitting is afgespeeld. De kantonrechter ziet en hoort op dit filmpje inderdaad dat de verdachte probeert het Plein te verlaten en vervolgens door de politie wordt tegengehouden en wordt teruggestuurd het Plein op. Hoewel de kantonrechter zich ervan bewust is dat dit filmpje slechts een deel van de gebeurtenissen op het Plein laat zien, is hij van oordeel dat hiermee te veel twijfel is ontstaan over de gang van zaken om te kunnen komen tot een bewezenverklaring. De processtukken bevatten geen specifieke vaststellingen over de gedragingen van de verdachte voorafgaand aan haar aanhouding, zodat de reële mogelijkheid open blijft dat de verdachte inderdaad wilde voldoen aan de vordering van de politie om het Plein te verlaten.

Dat betekent dat de verdachte ook van het bij dagvaarding met parketnummer 09/244159-21 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.

De beslissing

De kantonrechter:

vernietigt de onder parketnummer 09/244159-21 uitgevaardigde strafbeschikking;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaardingen met parketnummers 09/263631-20, 09/279149-21 en 09/244159-21 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.W. Mulder, kantonrechter,

in tegenwoordigheid van Y. Bibi griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2022.