Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:6122

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2022
Datum publicatie
27-06-2022
Zaaknummer
NL21.13708-T
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Asiel - Pakistan – tussenuitspraak - verweerder verschijnt niet ter zitting én brengt geen verweerschrift uit – de rechtbank acht deze proceshouding onaanvaardbaar en kan deze proceshouding niet anders kwalificeren dan als respectloos ten aanzien van eiser en zijn gemachtigde – verweerder verhindert de rechtbank haar wettelijke taak om een geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten uit te oefenen – verweerder miskent het belang van het behandelen van een beroep ter zitting – verweerder veronderstelt ten onrechte dat het niet reageren op de beroepsgronden in deze fase van de procedure zonder gevolgen blijft – de behandeling ter zitting die is geagendeerd en dus gewoon heeft plaatsgevonden is geen “gratis rondje rechtbank” - de gronden zijn thans niet betwist, verweerder kan dat in een nieuw te nemen besluit niet alsnog doen, alle tegenwerpingen zijn weerlegd en verweerder zal nieuwe argumenten moeten aandragen indien hij in het nieuwe besluit wederom tot afwijzing wil overgaan – na een inhoudelijke behandeling overweegt de rechtbank bij wijze van voorlopig oordeel dat bovendien alle besproken beroepsgronden slagen – FMMU-advies is niet inzichtelijk, verweerder heeft onvoldoende invulling gegeven aan zijn samenwerkingsplicht door documenten en videobestanden niet te onderzoeken, verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hij geen FMO laat verrichten, verweerder heeft landeninfo niet betrokken, verweerder heeft niet kenbaar betrokken dat eiser ten tijde van aanvraag en gehoren minderjarig was, verweerder werpt ten onrechte tegen dat eiser gedragingen van derden niet inzichtelijk kan maken – meerdere tegenwerpingen onbegrijpelijk gelet op strekking verzoek om internationale bescherming – verweerder moet onderbouwen dat hij kennis heeft over risico-taxaties die minderjarigen volgens hem verrichten alvorens te handelen – verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom aan eiser niet het voordeel van de twijfel kan worden gegund – verweerder legt te hoge bewijsdrempel aan – terugkeerbesluit in strijd met TQ – rechtbank doet tussenuitspraak omdat de rechtbank het in belang van eiser acht om regie te kunnen blijven voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.13708-T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , geboren op [geboortedag] 2003 en van Pakistaanse nationaliteit, eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft op voorhand aangegeven niet te zullen verschijnen en geen verweerschrift uit te zullen brengen.

De rechtbank heeft na de behandeling van het beroep een voorlopig oordeel gegeven en aan eiser en zijn gemachtigde medegedeeld dat de rechtbank een tussenuitspraak zal doen en dat het onderzoek ter zitting om die reden vooralsnog niet wordt gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 26 augustus 2020 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat zijn vader sinds 2011 werkzaam is als politiecommandant in [plaats] en omgeving. In 2013 heeft eisers vader de Taliban benaderd met een vreedzame oproep. De Taliban zijn daar niet mee akkoord gegaan en sindsdien hebben zich ernstige problemen voorgedaan. Eiser en zijn familie zijn vanwege de werkzaamheden van zijn vader bedreigd door de Taliban. Er zijn ook aanslagen op hen persoonlijk gepleegd. Eiser heeft verklaard over verschillende incidenten die hebben plaatsgevonden. Zo heeft er op 18 juni 2013 een zelfmoordaanslag plaatsgevonden waarbij er 200 slachtoffers zijn gevallen. Het was de bedoeling dat eisers vader bij deze aanslag om het leven zou komen, maar dat is niet gebeurd. Eiser heeft ook verklaard over een incident dat op 2 augustus 2016 heeft plaatsgevonden. Eiser was op de motor van zijn oom aan het rijden toen hij door gewapende mannen werd achtervolgd en in zijn been is geschoten. Eiser heeft hier een litteken op zijn been aan overgehouden. Op 15 juli 2017 is er wederom een aanslag op hem gepleegd toen hij met zijn broer en zes bewakers naar het dorp is gegaan. Op de terugweg is de benzine opgeraakt waardoor zij een stuk moesten lopen. Iemand heeft de Taliban toen gebeld, waarna er een auto met vijf bewapende mannen achter eiser en zijn broer zijn aangegaan. Eiser, zijn broer en de bewakers zijn gevlucht naar een huis. Eiser heeft zich daar verstopt in een kippenhok en heeft aan de aanval kunnen ontsnappen. Eiser is uiteindelijk samen met twee broers op 1 januari 2018 Pakistan ontvlucht omdat de invloed van de Taliban in Pakistan steeds groter werd en eisers vader zich ernstig zorgen maakte over de veiligheid van eiser en zijn broers. Eiser heeft ook verklaard over een aanval op zijn vader in 2020. Eisers vader is voor zijn werk naar een inval bij een huis zijn gegaan. Hierbij heeft er een gevecht plaatsgevonden. Eiser vreest bij terugkeer naar Pakistan voor zijn leven.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- De identiteit, nationaliteit en herkomst;

- De persoonlijke problemen met de Taliban die eiser vanwege het werk van zijn vader zou hebben ondervonden.

3. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Verweerder acht ongeloofwaardig dat eiser persoonlijke problemen met de Taliban heeft ondervonden. Verweerder heeft daarom de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

4. Eiser heeft uitgebreid en gemotiveerd beroepsgronden aangevoerd die zowel betrekking hebben op procedurele aspecten als op de inhoudelijke tegenwerpingen in het besluit.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Eiser heeft op 26 augustus 2020 een asielaanvraag ingediend, op 26 augustus 2021 beroep ingesteld en op 11 maart 2022 de rechtbank verzocht om de zitting te agenderen omdat eiser -kort gezegd- last heeft van het tijdsverloop in deze procedure. Op 5 april 2022 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat het beroep zal worden behandeld op 23 juni 2022.

Verweerder heeft bij brief van 9 juni 2022 het navolgende aan de rechtbank laten weten:

(…)

Op dit moment wordt de directie Juridische Zaken van de IND geconfronteerd met een hoger werkaanbod dan wat we aan kunnen. We moeten daarom keuzes maken over in welke zaken we ter zitting verschijnen. Deze keuze maken we aan de hand van een inhoudelijke screening die plaats vindt zodra een zaak een zittingsdatum krijgt. Deze screening heeft voor onderhavige zaak tot gevolg dat verweerder niet zal verschijnen op 23 juni 2022 noch een verweerschrift zal schrijven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is en de gerechtelijke toets kan doorstaan.

Indien en voor zover uw rechtbank overweegt in deze zaak zonder zitting uitspraak te doen, geeft verweerder daarvoor op voorhand toestemming.

(…)

7. De rechtbank acht deze proceshouding van verweerder niet alleen in strijd met de goede procesorde maar ronduit onaanvaardbaar.

8. De rechtbank is er mee bekend dat sprake is van capaciteitsproblemen bij verweerder, echter de rechtbank kan niet anders dan deze proceshouding kwalificeren als respectloos ten aanzien van eiser en zijn gemachtigde. Duidelijk is dat de zitting niet per ongeluk over het hoofd is gezien, maar dat willens en wetens na screening is beslist dat in deze procedure geen verdere handelingen zullen worden verricht terwijl de procedure nog niet is afgerond. Daargelaten dat verweerder door eenvoudigweg niet te verschijnen de rechtbank niet in staat stelt invulling te geven aan haar wettelijke plicht om een geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten, doet verweerder het door óók geen verweerschrift uit te brengen voorkomen het van weinig belang te vinden wat eiser in beroep aanvoert. Verweerder miskent hiermee bovendien geheel de aard en strekking van een verzoek om internationale bescherming. Een dergelijk verzoek vereist een grondige beoordeling van de beschermingsbehoefte van de verzoeker en uiterste zorgvuldigheid gedurende deze procedure. De inzet van een asielprocedure is aanzienlijk omdat een verzoeker stelt te vrezen voor zijn leven, daarom zijn land van herkomst en familie verlaat en bovendien te gelden heeft dat het verbod op refoulement absoluut is. Het niet onderkennen van de precaire positie waarin een verzoeker om internationale bescherming zich bevindt en het veronachtzamen van de procedure die is ingericht teneinde om bescherming te verzoeken acht de rechtbank daarom buitengewoon kwalijk.

9. Verweerder realiseert zich kennelijk in het geheel niet in welke onzekerheid een derdelander die verzoekt om internationale bescherming zich in deze fase van de procedure bevindt en tot welk onbegrip het niet ter zitting verschijnen en het niet reageren op de beroepsgronden aan de zijde van eiser en zijn gemachtigde leidt. Het niet verschijnen terwijl bovendien geen schriftelijke reactie wordt gegeven op de beroepsgronden getuigt van het veronachtzamen van de belangen van eiser en zijn recht om een zorgvuldige behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming te verkrijgen, welke behandeling niet eindigt met het nemen van een besluit tot afwijzing van dit verzoek.

10. Verweerder geeft bovendien door niet te verschijnen geen blijk van het onderkennen van de functie van het behandelen van een beroep ter zitting. Het behandelen ter zitting heeft niet alleen tot doel om de rechtbank in de gelegenheid te stellen de benodigde feiten te vergaren om een uitspraak te kunnen doen, maar dient ook om eiser in de gelegenheid te stellen zich te overtuigen dat zijn procedure door de rechtbank en door verweerder serieus wordt genomen en zorgvuldig plaatsvindt. Eiser dient niet alleen geïnformeerd te worden dat hij wordt gehoord, maar dient dit ook te ervaren. Een behandeling ter zitting is bij uitstek geschikt voor zowel de rechtbank als voor verweerder om aan de rechtszoekende te laten zien dat hij daadwerkelijk wordt gehoord ongeacht de uiteindelijke uitkomst van de procedure. Partijen kunnen ter zitting hun standpunten toelichten en over en weer reageren, de rechtbank kan zich vergewissen of deze standpunten voldoende helder zijn toegelicht en kan 3 EVRM-aspecten in het asielrelaas die door partijen onvoldoende zijn onderkend voorhouden en bespreken. Door zonder overleg aan te geven niet te zullen verschijnen gaan deze waardevolle aspecten van een behandeling ter zitting in grote mate verloren.

Het is niet uit te leggen aan eiser dat het bestuursorgaan dat beslist over verblijfsaanvaarding geen capaciteit vrijmaakt om 45 minuten aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn beroep, te luisteren naar eiser en te reageren en zijn besluit nader toe te lichten en vragen van de rechtbank te beantwoorden. Dit klemt in de onderhavige procedure te meer nu eiser minderjarig was ten tijde van de aanvraag. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven dat eiser, door de mededeling van verweerder niet te zullen verschijnen en eenvoudigweg niet in te gaan op de beroepsgronden, zich zorgen heeft gemaakt wat dit betekent voor zijn procedure en of de rechter wel een beslissing mag en kan nemen als verweerder niet ter zitting verschijnt. Het zou goed zijn als verweerder zich realiseert dat ook dit gevolgen zijn van zijn proceshouding.

11. De rechtbank acht de keuze van verweerder om capaciteitsproblemen “te beheersen” door het aannemen van deze proceshouding niet acceptabel en ziet overigens in het geheel niet in waarom niet is verzocht om aanhouding of om een nadere termijn om alsnog schriftelijk verweer uit te kunnen brengen. Zonder enig overleg met de gemachtigde van eiser en/of de rechtbank verhindert verweerder de door de rechtbank op grond van de wet bepaalde beroepsprocedure. Capaciteitsproblemen bij een bestuursorgaan mogen niet op deze wijze gevolgen voor een rechtszoekende veroorzaken en mogen evenmin op deze wijze de rechtbank belemmeren in de uitoefening van haar taken.

12. Verweerder lijkt door deze wijze van procederen te veronderstellen dat indien het nu niet gelegen komt om te verschijnen of om op schriftelijke wijze te reageren op de beroepsgronden, dit zonder juridische gevolgen blijft. Verweerder heeft dit echter onderschat.

13. Het kan niet zo zijn dat verweerder in deze fase van de procedure niet ingaat op de beroepsgronden, deze dus in het geheel niet betwist, en bij een nieuw te nemen besluit alsnog inhoudelijk ingaat op de argumenten die eiser in zijn beroepsgronden heeft benoemd om de tegenwerpingen in het besluit te weerleggen. De behandeling ter zitting die heeft plaatsgevonden op 23 juni 2022 is immers geen “gratis rondje rechtbank ” waar verweerder al dan niet aan mee kan doen om vervolgens te procederen alsof deze zitting nimmer heeft plaatsgevonden.

14. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep niet aangehouden, reeds omdat daarom niet is verzocht, en heeft het beroep dus “gewoon” inhoudelijk behandeld. De rechtbank heeft ter zitting enkel de beroepsgrond dat leden van het veiligheidsapparaat en hun familie moeten worden aangemerkt als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep niet besproken. De rechtbank heeft ter zitting alle overige onderbouwde en uitgebreid gemotiveerde beroepsgronden niet alleen inhoudelijk besproken, maar de rechtbank heeft ook vastgesteld dat al deze beroepsgronden niet zijn betwist. Net als wanneer een rechtszoekende bepaalde overwegingen of tegenwerpingen van verweerder niet betwist en “de toetsende rechter” hier in beginsel van uit dient te gaan, heeft dit ook te gelden als verweerder bepaalde beroepsgronden niet betwist. De rechtbank zal weliswaar ook als toetsende rechter “ambtshalve” beoordelen of een besluit inzichtelijk is omdat er anders niets te toetsen valt en zal als toetsende rechter ook “ambtshalve” beoordelen of beroepsgronden zijn onderbouwd omdat ze anders het besluit niet kunnen aantasten. Indien het besluit op zichzelf inzichtelijk en begrijpelijk is en de gronden onderbouwd zijn is het echter aan partijen om te beargumenteren waarom het beroep al dan niet slaagt.

15. In de onderhavige procedure heeft te gelden dat alle beroepsgronden deugdelijk zijn onderbouwd en betrekking hebben op nagenoeg alle tegenwerpingen. Deze beroepsgronden zijn niet betwist in de -enige- procedurele fase waarin dit kan. Reeds hierom slagen alle beroepsgronden en zal het besluit in de einduitspraak worden vernietigd. De rechtbank overweegt hierbij uitdrukkelijk dat nu verweerder in deze procedure de argumenten die eiser ten grondslag heeft gelegd aan zijn beroepsgronden niet heeft bestreden, het verweerder niet vrijstaat om zijn nieuw te nemen besluit op dezelfde overwegingen die nu zijn weerlegd door de niet bestreden beroepsgronden te baseren. Net zoals een rechtszoekende indien hij een opvolgende aanvraag indient om zijn oorspronkelijke asielmotieven alsnog te staven nieuwe elementen en bevindingen zal moeten aandragen, zal verweerder nieuwe argumenten moeten aandragen indien hij de afwijzing van het verzoek om bescherming wil handhaven.

Een andere invulling geven aan het procesrecht betekent dat verweerder vrijblijvend en zonder gevolgen kan bepalen dat aan een lopende procedure niet langer wordt deelgenomen, hierbij te anticiperen op de vernietiging van het betreffende bestreden besluit, en eenvoudigweg “de tweede ronde” volwaardig deel te nemen aan de procedure door in het nieuw te nemen besluit als het ware in te gaan op de beroepsgronden. Dit acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde en een dergelijke handelwijze zou, indien dit willens en wetens is beoogd, moeten leiden tot de conclusie dat sprake is van misbruik van procesrecht.

De rechtbank overweegt dan ook dat dit in het nieuw te nemen besluit een gepasseerd station is en verweerder zijn mogelijkheid om het onderhavige besluit en meer het bijzonder al die overwegingen die door de beroepsgronden zijn weerlegd te handhaven heeft prijsgegeven.

16. In aanvulling op het bovenstaande overweegt de rechtbank, zoals ter zitting bij wijze van voorlopig oordeel aan eiser en zijn gemachtigde aangegeven, dat na een inhoudelijke beoordeling -kort gezegd- alle ter zitting besproken beroepsgronden slagen.

De rechtbank licht dit – op hoofdlijnen- als volgt toe.

17. Verweerder heeft onvoldoende invulling gegeven aan zijn samenwerkingsplicht. Eiser heeft meerdere documenten overgelegd en videobestanden aangeboden die naar zijn zeggen zijn relaas staven. Verweerder heeft deze documenten en videobestanden niet onderzocht, terwijl verweerder gehouden is om met eiser samen te werken door te onderzoeken of deze documenten en videobestanden steunbewijs opleveren voor de verklaringen van eiser. In het besluit is overwogen dat de aangiften die eiser heeft overgelegd “kopieën betreffen waarvan de authenticiteit niet kan worden beoordeeld en waarvan de inhoud is gebaseerd op de verklaringen die eiser bij de politie heeft afgelegd”. De rechtbank overweegt dat uit het besluit lijkt te volgen dat de beslismedewerker dit oordeel over de documenten geeft. Het onderzoek aan documenten is echter voorbehouden aan deskundigen en eerst daarna kan de beslismedewerker aangeven welke bewijswaarde aan de documenten toegekend kan worden.

Verweerder heeft voorts aangegeven dat de identiteit van eiser geloofwaardig is omdat het identiteitsdocument dat eiser heeft overgelegd origineel en echt bevonden is. Indien eiser ter staving van zijn verzoek een authentiek identiteitsdocumenten overlegt onderbouwt dit echter niet alleen zijn identiteit, maar dient dit naar het oordeel van de rechtbank te worden betrokken bij de algehele geloofwaardigheid van het relaas. Immers, indien een verzoeker een vervalst document overlegt tast dit de geloofwaardigheid van het relaas van een verzoeker in negatieve zin aan; het overleggen van een authentiek document zou op vergelijkbare wijze de geloofwaardigheid moeten beïnvloeden maar dan in positieve zin. Verweerder heeft geen rapport van bevindingen van Bureau Documenten overgelegd, maar de rechtbank begrijpt dat Bureau Documenten het identiteitsdocument heeft onderzocht. Gelet hierop is overigens onbegrijpelijk dat verweerder, na aan te geven dat het eerste element geloofwaardig is mede gelet op het overgelegde identiteitsbewijs, in het besluit wijst op de registratie van eiser in Slovenië met andere identiteitsgegevens en daaraan toevoegt dat “eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij in Slovenië met geboortejaar 2004 is geregistreerd”. Deze overweging is in aanvulling genomen op het voornemen waarin is overwogen dat “het eerste element geloofwaardig wordt bevonden, maar wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het feit dat betrokkene onder andere gegevens staat geregistreerd in Slovenië afbreuk doet aan de algehele geloofwaardigheid van betrokkene”.

Dit getuigt van grote onzorgvuldigheid. Bovendien is niet alleen gelet op het echt bevonden identiteitsdocument ten onrechte overwogen dat de Sloveens registratie ten nadele van eiser wordt meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling, maar heeft verweerder ook niet kenbaar tot uitdrukking gebracht in hoeverre de Sloveense registratie de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en dus de geloofwaardigheid van de inhoud van het asielrelaas regardeert. Deze vaststelling is gelet op de ernst en reikwijdte van het motiveringsgebrek op zichzelf voldoende om het besluit te vernietigen. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Slovenië en meer in het bijzonder ten aanzien van het registreren van persoonsgegevens door deze lidstaat omdat dit in de onderhavige procedure verder niet relevant is.

18. De rechtbank overweegt voorts dat eiser gedetailleerd heeft verklaard over een beschieting waarbij hij in zijn been is geraakt door een kogel. Hij heeft verklaard, en dat is ook vermeld in het FMMU-rapport, dat hij hier een litteken aan heeft overgehouden. Dit litteken houdt verband met de kern van het asielrelaas. Verweerder heeft beslist dat eiser zijn beschermingsbehoefte niet voldoende heeft onderbouwd en heeft ten aanzien van dit incident overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over of hij de sleutels van de motor heeft gevraagd, gekregen of zelf heeft gepakt en of hij toen bij zijn oom of op het politiebureau was. De rechtbank overweegt dat verweerder, nu deze tegenstrijdigheden niet zien op de kern van dit deel van het relaas dat immers de beschieting door de Taliban en de daarbij opgelopen verwonding is, had moeten motiveren waarom hij geen forensisch medisch onderzoek heeft gestart om te bezien of dit steunbewijs kan opleveren voor dit incident. De rechtbank heeft kennisgenomen van de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1584), waarbij de uitspraak van 18 februari 2021 van deze rechtbank en zittingsplaats (ECLI:NL:RBDHA:2021:1381) is bevestigd met verbetering van de gronden. Echter, ook op grond van deze uitspraak van de Afdeling volgt in deze procedure een gehoudenheid voor verweerder om in het kader van zijn samenwerkingsplicht zich tenminste te realiseren wat de inhoud en strekking van zijn verplichtingen die voortvloeien uit artikel 18 van de Procedurerichtlijn zijn en dit in zijn besluit tot uitdrukking te brengen door kenbaar te motiveren waarom hij geen medisch onderzoek verricht. De beroepsgrond van eiser die hierop betrekking heeft slaagt.

19. De rechtbank merkt overigens op dat in het dossier een medisch advies horen en beslissen van de FMMU is opgenomen dat is gedateerd op 21 september 2020 en is opgemaakt en getekend door een verpleegkundige en een arts. In dit advies is onder meer opgenomen dat “hoewel tijdens het onderzoek lichamelijke en psychische klachten zijn gebleken, deze klachten medisch gezien geen beperkingen voor het horen en beslissen opleveren”. De rechtbank heeft geconstateerd, zoals ter zitting besproken, dat in het verslag van het nader gehoor meerdere malen is aangegeven dat eiser de vragen niet lijkt te begrijpen en nadere verduidelijking of meer tijd nodig heeft. Ook is vermeld dat eiser meerdere malen emotioneel wordt tijdens het gehoor op momenten dat hij verklaart over de incidenten die de kern van zijn asielrelaas vormen en ten grondslag liggen aan zijn verzoek om internationale bescherming. In het FMMU-advies is vermeld dat eiser een afspraak heeft bij een GZA-arts en dat hem dat ook is geadviseerd. De rechtbank overweegt dat het FMMU-rapport onvoldoende inzichtelijk is omdat niet duidelijk is welke psychische klachten zijn gebleken en waarom de gebleken psychische klachten geen beperkingen opleveren voor het horen en beslissen. Verweerder heeft op punten overwogen dat eiser meer of anders had dienen te verklaren Gelet op het verloop van het nader gehoor en gelet op de omstandigheid dat eiser ten tijde van nader gehoor minderjarig was acht de rechtbank, voor zover verweerder in zijn nieuw te nemen besluit wenst vast te houden aan een afwijzing van de aanvraag, het noodzakelijk dat kennis wordt genomen van de onderliggende stukken van dit FMMU-advies om te kunnen beoordelen of de conclusie van dit advies volgt uit de onderbouwing. Eiser heeft zelf geen medische informatie overgelegd. Dit doet niet af aan de verplichting van verweerder om procedurele waarborgen te verschaffen en zich steeds te vergewissen van de capaciteiten van eiser om adequaat te kunnen verklaren indien sprake is van psychische problemen. In beginsel mag worden uitgegaan van het FMMU-advies. Dit is anders indien dit advies niet inzichtelijk is en dat is in de onderhavige procedure aan de orde. Indien verweerder dit nalaat kan hier een taak voor de rechter liggen. Het verbod tot refoulement is immers absoluut en dit brengt ook de verplichting voor de rechter mee om actief en kritisch te onderzoeken of internationale bescherming moet worden geboden. Ook bij het toetsen van het besluit aan de hand van de beroepsgronden kan dit betekenen dat de rechter “ambtshalve” beslist tot het opvragen van nadere stukken. In de onderhavige procedure zal de rechtbank, indien verweerder niet berust in deze uitspraak en niet zelf de onderliggende stukken van het FMMU-advies opvraagt, dan ook zelf hiertoe overgaan. Indien blijkt dat toch sprake is van beperkingen ten aanzien van het horen en/of ten aanzien van het beslissen zal eiser opnieuw moeten worden gehoord en/of zal verweerder de reeds afgelegde verklaringen van eiser opnieuw en integraal met de overige bewijsmiddelen moeten beoordelen.

20. Eiser heeft voorts terecht aangevoerd dat verweerder de algemene landeninformatie niet (kenbaar) heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas van eiser. Verweerder acht geloofwaardig dat de vader van eiser geruime tijd commandant van de politie is geweest in het herkomstgebied van eiser Pakistan en dat eiser geruime tijd bij zijn vader op het politiebureau heeft moeten wonen om zijn veiligheid te waarborgen. Verweerder is op de hoogte, althans dient dat te zijn, van de aanwezigheid en gedragingen van de Taliban in Pakistan en de gewelddadige confrontaties tussen de formele Pakistaanse autoriteiten en de Taliban. Indien verweerder zich rekenschap zou hebben gegeven van deze algemene informatie, had verweerder geconstateerd dat de verklaringen van eiser naadloos passen in het beeld dat uit deze informatie naar voren komt. Niet alleen heeft verweerder nagelaten het relaas van eiser te beoordelen in deze context, ook heeft verweerder op niet adequate wijze gereageerd op de door eiser uitgebreid overgelegde algemene informatie.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn gronden onder meer verwezen naar verschillende bronnen waaruit blijkt dat Pakistaans politiepersoneel maar ook familieleden daarvan, doelwit zijn van de Taliban. Zo blijkt uit het rapport “ Country Policy and Information Note Pakistan: Security and humanitarian situation, including fear of militant groups” van de UK Home Office van januari 2019 dat er Pakistan terroristische aanslagen worden gepleegd, met name tegen onder andere veiligheidspersoneel en dat daarbij ook wordt gericht op burgers. Uit het Country Advice Pakistan van informatie van Refworld van 9 januari 2012 blijkt ook dat familieleden van Pakistaanse politiemannen en legerofficials evenzeer het doelwit zijn van de Pakistaanse Taliban. Eiser heeft ook in beroep gewezen op verschillende bronnen waaruit volgt dat eiser vanwege het werk van zijn vader heeft te vrezen voor de Taliban. Zo heeft eiser verwezen naar het rapport “Shaping a New Peace in Pakistan’s Tribal Areas” van de International Crisis Group van 20 augustus 2018. Hierin is beschreven dat familieleden van [naam] – een leider van de Pashtun Tahafuz-beweging – zijn vermoord omdat hij de Taliban tegenwerkte. Ook heeft eiser verwezen naar een nieuwsbericht van The Seattle Times van 20 juni 2018 (Gunmen kill police officer’s son, uncle in Pakistan | The Seattle Times) en het nieuwsbericht "Senior Police Officer, His Wife And Son Shot Dead In Pakistan” van NDTV van 15 november 2017.

Door in reactie hierop enkel te overwegen dat eiser zijn verklaringen zelf aannemelijk moet maken en hij bovendien aannemelijk moet maken dat hij zelf slachtoffer is geworden van bedreigingen en geweld, miskent verweerder dat algemene informatie steunbewijs oplevert voor deze gestelde individuele ervaringen. Ook deze beroepsgrond slaagt dus.

21. Eiser heeft er voorts ook terecht op gewezen dat een groot deel van de tegenwerpingen onterecht is omdat eiser wordt verweten dat hij geen inzicht kan verschaffen over de gedragingen en beweegredenen hiervoor van derden. Zo heeft verweerder verklaringen van eiser over concrete incidenten ongeloofwaardig geacht omdat verweerder de gedragingen van de Taliban -kennelijk- vreemd vindt en eiser niet inzichtelijk kan maken waarom de Taliban op de door eiser gestelde wijze aanslagen pleegt en eiser en zijn familie heeft bedreigd en gepoogd hen te doden. Eiser wordt eveneens tegengeworpen dat het niet geloofwaardig is dat eisers’ vader, indien alle gestelde incidenten geloofwaardig zouden moeten worden geacht, niet eerder had gezorgd dat eiser en zijn broers Pakistan konden verlaten. Daargelaten dat eiser 14 jaar was toen hij feitelijk Pakistan zelfstandig met twee oudere broers heeft verlaten en het reeds daardoor weinig aannemelijk is dat zijn vader eiser gedurende al die jaren heeft medegedeeld welke keuzes hij voor de veiligheid van zijn gezin maakte, kan eiser bezwaarlijk wordt verweten dat hij inzicht verschaft over het moment waarop zijn vader heeft beslist dat eiser het land moest verlaten.

22. Eiser heeft er ook terecht op gewezen dat de tegenwerping dat het ongeloofwaardig is dat eiser op 14-jarige leeftijd, terwijl hij van zijn vader uit veiligheidsoverwegingen bij hem op het politiebureau moest verblijven vanaf 2015 tot het vertrek uit Pakistan, naar buiten ging geen standhoudt. Indien verweerder aan zijn geloofwaardigheidsbeoordeling ten grondslag legt dat verklaringen van minderjarigen ongeloofwaardig zijn omdat verweerder veronderstelt dat minderjarigen hun feitelijke gedragingen steeds op risicotaxaties baseren en pubers zich bij de keuzes die ze maken altijd laten leiden door “verstand”, zal hij nader dienen te motiveren waarop hij dit baseert en waarom verweerder meent dat hij deskundig is en over expertise beschikt over gedragingen van minderjarigen in het betreffende land van herkomst die zich in een situatie als door eiser beschreven bevinden. Eiser heeft in het gehoor gedetailleerd uitgelegd waarom hij in bepaalde situaties bepaalde keuzes heeft gemaakt. De tegenwerping van verweerder dat verklaringen niet geloofwaardig zijn omdat eiser “toch wéét hoe de Taliban zich gedragen” en dus niet zonder bewakers naar buiten zal gaan, kan dan ook geen standhouden.

23. De rechtbank heeft ter zitting de beroepsgronden en de tegenwerpingen waarop deze zien besproken. De rechtbank heeft hierbij uitgesproken dat eiser, naar het oordeel van de rechtbank, uitgebreid, gedetailleerd en consistent heeft verklaard, welke verklaringen passen in het beeld dat naar voren komt uit algemene informatie uit diverse bronnen. De tegenwerpingen die verweerder heeft geformuleerd zijn zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en zien overigens niet op de kern van het relaas en de kern van de verhaallijnen.

Verweerder heeft het bijvoorbeeld “bevreemdend” geacht dat als de Taliban het doel had om eisers’ vader te vermoorden, zij dit – ondanks de middelen waarover zij beschikken – niet hebben kunnen bewerkstelligen, maar wel 40 andere dodelijke slachtoffers hebben veroorzaakt.

Verweerder heeft het daarnaast “bevreemdend” geacht dat de Taliban eiser in zijn been heeft geschoten, maar vervolgens zo makkelijk heeft laten gaan, nu eiser meermaals heeft aangegeven dat de Taliban hem wilden ontvoeren, informatie bij hem wilden inwinnen en hem zouden willen vermoorden. Eiser heeft verklaard dat er bedragen van zeker tienduizend euro waren uitgevaardigd om hem op te pakken dan wel te ontvoeren. Gelet hierop valt volgens verweerder niet in te zien waarom “de Taliban eiser slechts in zijn been zou hebben geschoten”.

Verweerder heeft ook eisers verklaringen over de gestelde aanslag op 15 juli 2017 betrokken bij de beoordeling. Verweerder heeft het “bevreemdend” geacht dat bij deze aanslag de bewakers zouden zijn vermoord en/of verwond, maar dat de bewapende mannen eiser nimmer hebben gevonden. Indien de mannen wisten dat eiser zich mogelijk in/bij het huis verbleef, valt niet in te zien dat “ze niet gevonden konden worden als de Taliban ze wilden hebben”.

24. De rechtbank constateert dat verweerder deze aspecten van het relaas ongeloofwaardig acht omdat eiser -kort gezegd- heeft weten te overleven, terwijl de Taliban in staat moeten worden geacht hem te kunnen ontvoeren en/of doden. Het lijkt erop dat verweerder het relaas niet geloofwaardig acht omdat verweerder er van uit gaan dat de Taliban, omdat eiser heeft weten te vluchten, het dan ook wel niet op eiser gemunt zullen hebben. Deze redenering van verweerder komt er in feite op neer dat degenen die weten te ontvluchten aan de Taliban nimmer hun vrees dat zij bij terugkeer een reëel en voorzienbaar risico om in een met artikel 3 EVRM-strijdige situatie te geraken aannemelijk kunnen maken, immers eiser heeft weten te ontkomen en dús zal de actor van geweld hem niet hebben bedreigd en belaagd en hoeft eiser niet te vrezen bij terugkeer.

De rechtbank acht de strekking van deze tegenwerpingen onbegrijpelijk omdat verweerder niet onderkent dat hij de beschermingsbehoefte van diegenen die aan een actor van geweld stellen te hebben weten ontkomen nu juist grondig en welwillend moet onderzoeken. Ook de beroepsgrond die op dit soort tegenwerpingen ziet slaagt.

25. Met betrekking tot de gestelde aanslag op eisers vader in 2020 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser deze aanval op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken. Zo heeft eiser niet aan kunnen geven wanneer deze aanval heeft plaatsgevonden en heeft hij dit evenmin met documenten kunnen aantonen, terwijl deze aanval volgens eiser wel in de Engelse media onder de aandacht is gebracht. Verweerder gaat er bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van deze verklaringen van eiser volledig aan voorbij dat dit incident heeft plaatsgevonden toen eiser reeds in Nederland was. Verweerder moet zich er bij de beoordeling van een asielrelaas voortdurend rekenschap van geven of de verzoeker over wetenschap kan beschikken en welke eisen hij dus kan stellen aan het aannemelijk maken van het relaas. Verweerder heeft ten aanzien van het aannemelijk maken van deze verklaringen een te hoge bewijsdrempel aangelegd. Eiser heeft verklaard wat hij weet en hoe hij deze informatie heeft verkregen. Eiser heeft verklaard dat over deze aanslag is bericht in Engelse media wat is bevestigd door de medewerkster van Nidos die bij het gehoor aanwezig is geweest. In plaats van tegen te werpen dat de verklaringen van eiser zo summier zijn dat het relaas niet geloofwaardig is, had verweerder in het kader van zijn samenwerkingsplicht ook zelf kunnen nagaan of in de internationale nieuwsberichten verslag is gedaan van een aanslag. Eiser heeft gedurende deze procedure voldaan aan zijn inspanningsplicht door uitgebreid, consistent en gedetailleerd te verklaren en documenten, videobestanden en landeninformatie aan te dragen. Verweerder heeft in het gehoor geconstateerd dat eiser vanwege de informatie die hij over dit incident heeft verkregen “van slag was”. Juist in deze omstandigheden wordt van verweerder verwacht dat hij invulling geeft aan zijn samenwerkingsplicht. Verweerder heeft dit in deze procedure, terwijl eiser die als minderjarige asiel heeft aangevraagd wel heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht, onvoldoende gedaan en heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de omvang en strekking van zijn verplichting om een verzoek om internationale bescherming grondig en welwillend te onderzoeken en daarbij samen te werken met de verzoeker.

26. Verweerder heeft zich bovendien niet kenbaar rekenschap gegeven van de omstandigheid dat eiser minderjarig was ten tijde van de incidenten waar hij zijn vrees bij terugkeer aan ontleent en dat eiser minderjarig was tijdens de gehoren. De rechtbank overweegt dat verweerder, daargelaten dat het FMMU-advies niet inzichtelijk is, het horen zorgvuldig heeft ingericht en verricht. Verweerder is echter ook gehouden bij het waarderen en beoordelen van de verklaringen van een minderjarige rekening te houden met deze minderjarigheid als het gaat om het stellen van eisen aan het aannemelijk maken van het relaas. Verweerder heeft in zijn besluit geen rekenschap gegeven dat hij zich in de onderhavig procedure hiervan bewust is geweest. Verweerder heeft recent Werkinstructie 2021/1 gepubliceerd waaruit blijkt hoe invulling wordt gegeven aan het voordeel van de twijfel. Weliswaar is deze werkinstructie pas geldig vanaf 12 januari 2022 en dus na het bestreden besluit. Verweerder was echter ook zonder hiervoor een werkinstructie te hebben gehouden om te beoordelen of aan eiser het voordeel van de twijfel kán worden gegund omdat deze verplichting voortvloeit uit het Unierecht en is “vertaald” naar artikel 31, zesde lid, Vw. Eiser heeft concreet en onderbouwd gewezen op deze verplichting en ook de reactie van verweerder hierop is niet adequaat.

27. De beroepsgrond van eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het arrest TQ omdat bij het opleggen van het terugkeerbesluit als onderdeel van de meeromvattende beschikking geen beoordeling is gemaakt van de vraag of voor eiser adequate opvang beschikbaar is na terugkeer slaagt ook. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat TQ niet relevant is omdat eiser “ten tijde van verzending van het voornemen minderjarig was en ten tijde van het besluit meerderjarig is en er daardoor een terugkeerbesluit kan worden opgelegd en TQ en het onderzoek naar adequate opvang niet meer van toepassing is”.

Eiser heeft dus terecht verwezen naar de uitspraak van 8 juni 2022 van de Afdeling waarin de Afdeling heeft uitgelegd hoe zij het arrest TQ leest en begrijpt (ECLI:NL:RVS:2022:1530, rechtsoverweging 26). Indien verweerder bij zijn nieuw te nemen besluit wederom tot de conclusie komt dat aan eiser geen internationale bescherming dient te worden geboden zal hij zich dus rekenschap moeten geven van het arrest TQ en de verplichtingen die dit meebrengt ten aanzien van eiser die ten tijde van de aanvraag minderjarig was.

28. De rechtbank concludeert dat deze procedure getuigt van onzorgvuldige en inhoudelijk onjuiste besluitvorming, waarbij in ernstige mate onvoldoende acht is geslagen op het belang van eiser om een deugdelijke en grondige beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming te verkrijgen, terwijl eiser bovendien minderjarig was ten tijde van zijn aanvraag en gehoren.

29. Het niet verschijnen ter zitting en het niet betwisten van argumenten van de wederpartij komt in beginsel voor rekening van die partij die hiermee in gebreke is.

De rechtbank zal thans echter niet volstaan met een gegrondverklaring van het beroep.

Zoals ter zitting besproken acht de rechtbank het in het belang van eiser om een tussenuitspraak te doen om verweerder in deze procedure in de gelegenheid te stellen zich te beraden over de gevolgen van deze overwegingen van de rechtbank en een standpunt in te nemen over zijn procespositie en de omvang van de mogelijkheden om een nieuw besluit te nemen. Indien de rechtbank zou volstaan met het gegrond verklaren van het beroep is elke vorm van regievoeren door de rechtbank onmogelijk en is niet uitgesloten, juist door het capaciteitsprobleem van verweerder, dat wederom sprake zal zijn van aanzienlijk tijdsverloop totdat verweerder een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser neemt.

30. De rechtbank acht zich weliswaar, gelet op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 22 april 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:3776) bevoegd om een dwangsom aan de termijn om een nieuw besluit te nemen te verbinden. Gelet op de capaciteitsproblemen bij verweerder die in de onderhavige procedure reeds op onaanvaardbare wijze de belangen en het recht van eiser op een fatsoenlijke procedure hebben geschonden, acht de rechtbank niet onvoorzienbaar dat verweerder ook niet kan voldoen aan het opnieuw beslissen binnen de door de rechtbank te bepalen termijn. De rechtbank overweegt dat eiser meer belang zal hebben bij spoedige duidelijkheid over zijn verblijfspositie omdat eiser 4,5 jaar geleden zijn land van herkomst heeft verlaten. In plaats van het aanspraak maken op een dwangsom denkt de rechtbank dan ook, na dit zo besproken te hebben ter zitting, dat het zinniger is om thans een tussenuitspraak te doen en zodoende te bewerkstelligen dat verweerder op korte termijn aan eiser, zijn gemachtigde en de rechtbank kenbaar moet maken hoe hij het vervolg van deze procedure voor zich ziet en daarmee voorkomen wordt dat de asielaanvraag van eiser die hij op 26 augustus 2020 heeft ingediend door capaciteitsproblemen bij verweerder “onder op de stapel komt”.

31. Verweerder is niet verschenen ter zitting en verhindert de rechtbank daardoor ook te overleggen over de termijn die verweerder nodig heeft om te kunnen voldoen aan de tussenuitspraak. De rechtbank zal een termijn van drie weken bepalen om tot uitdrukking te brengen dat verweerder een reële mogelijkheid moet hebben om zich te beraden, maar tegelijkertijd het nadere tijdsverlies dat is gemoeid met het doen van een tussenuitspraak en dat wordt veroorzaakt door de handelwijze van verweerder zoveel mogelijk moet worden beperkt.

32. De rechtbank zal dan ook een tussenuitspraak doen en verweerder een termijn van drie weken geven om aan te geven wat zijn standpunt is met betrekking tot de gevolgen van deze uitspraak. De rechtbank wijst er hierbij op dat indien verweerder bij gebreke aan “nieuwe tegenwerpingen” reeds nu over wenst te gaan tot inwilliging van de aanvraag van eiser hij hiertoe vanzelfsprekend bevoegd is. Indien verweerder (vooralsnog) niet voornemens is de aanvraag in te willigen en opnieuw gaat beslissen op de aanvraag dient hij uit te gaan van de overwegingen in deze uitspraak omdat tegen deze tussenuitspraak geen rechtsmiddel open staat. Dit heeft ook te gelden indien verweerder besluit niet te voldoen aan de tussenuitspraak van de rechtbank maar eenvoudigweg zonder enige toelichting het bestreden besluit intrekt. Indien verweerder een rechtsmiddel wenst in te stellen tegen de overwegingen van de rechtbank zal hij om een einduitspraak moeten verzoeken, waarbij de rechtbank reeds nu aangeeft dat in de einduitspraak niet zal worden ingegaan op eventuele inhoudelijke opmerkingen over deze uitspraak. De rechtbank zal dan einduitspraak doen op grond van het dossier zoals dat nu ter beschikking staat en grond van het verhandelde ter zitting. Afhankelijk van de reactie van verweerder zal de rechtbank nader in overleg treden met beide partijen over de voortgang van de procedure.

33. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Dat betekent ook dat de rechtbank over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen drie weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier zich op de wijze zoals de rechtbank heeft bepaald nader uit te laten over het vervolg van de procedure;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:27 juni 2022

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak kunnen partijen geen hoger beroep instellen. Hoger beroep is slechts mogelijk tegelijk met het hoger beroep tegen de nog te wijzen einduitspraak.