Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:5356

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2022
Datum publicatie
21-06-2022
Zaaknummer
C/09/622264 / HA RK 21-485
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

deelgeschil - er kan geen causaal verband worden aangenomen - geen aanleiding tot veroordeling medewerking aan medische expertise - onvoldoende aanknoping voor nadere bevoorschotting - geen verdere vergoeding BGK - geen begroting kosten deelgeschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/622264 / HA RK 21-485

Beschikking van 21 april 2022

in de zaak van

[verzoeker] te [plaats],

verzoeker,

advocaat: mr. A.A. Bart te Veenendaal,

tegen

DE VEREENDE N.V. te Rijswijk,

verweerster,

advocaat: mr. R. Gruben te Voorburg.

Partijen worden hierna [verzoeker] en De Vereende genoemd.

1 De procedure

1.1.

Op 13 december 2021 heeft [verzoeker] een verzoekschrift ingediend met 9 producties.

1.2.

Op 10 maart 2022 heeft de mondeling behandeling van de zaak plaatsgevonden.

Hierbij zijn verschenen:

  • -

    [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. Bart voornoemd en zijn letselschadeadviseur de heer [naam 1];

  • -

    namens De Vereende: mr. Gruben voornoemd.

1.3.

Mr. Gruben heeft ter zitting namens De Vereende verweer gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Deze zijn aan het dossier toegevoegd.

1.4.

Ten slotte is een datum voor het geven van een beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is taxichauffeur. Hij is op 26 mei 2019 betrokken geraakt bij een verkeersongeval (hierna: het ongeval). Hij reed in zijn auto op een voorrangsweg toen hij door een andere auto van rechts werd aangereden. [verzoeker] heeft hierbij letsel opgelopen.

2.2.

De andere auto was conform de WAM verzekerd bij De Vereende. De Vereende heeft aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van het ongeval.

2.3.

Op 28 mei 2019 heeft [verzoeker] zich tot zijn huisarts gewend met lichamelijke klachten. De huisarts heeft [verzoeker] doorverwezen naar de fysiotherapeut.

2.4.

Omdat [verzoeker] ook last had van psychische klachten heeft hij op 17 april 2020 een intakegesprek gehad bij de praktijkondersteuner (POH-GGZ). Vervolgens is er overleg geweest tussen de huisarts, de praktijkondersteuner en de fysiotherapeut, waarna [verzoeker] is doorverwezen naar het Centrum Integrale Revalidatie (CIR). [verzoeker] is bij het CIR door verschillende professionals onderzocht en behandeld. [verzoeker] heeft er voor gekozen om niet te starten met een vervolgtraject bij het CIR.

2.5.

De Vereende heeft de beschikbare medische informatie laten beoordelen door haar medisch adviseurs.

2.6.

Op 27 februari 2020 is [verzoeker] wederom betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Voor de gevolgen van dit ongeval is ook aansprakelijkheid erkend door De Vereende. Dit ongeval speelt in dit deelgeschil verder geen rol.

2.7.

De Vereende heeft tot op heden een bedrag van € 16.250,-- aan voorschotten betaald. Bij wijze van voorschot op de buitengerechtelijke kosten heeft de Vereende € 8.470,-- betaald.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w Rv, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat de medische gevolgen van het ongeval voldoende vast staan en dat er een causaal verband bestaat tussen het ongeval en de na het ongeval opgetreden klachten;

  2. indien het hiervoor bedoelde causaal verband naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast staat: De Vereende te veroordelen tot medewerking aan een in onderling overleg te benoemen neuropsycholoog en het doen uitvoeren van een neuropsychologische expertise op kosten van De Vereende, volgens in onderling overleg te bepalen vragen conform de gebruikelijke vragenlijst voor medische experts in letselschadezaken;

  3. De Vereende te veroordelen tot betaling van € 24.883,-- als voorschot op de door [verzoeker] reeds geleden schade en tot het blijven bevoorschotten op de nog te lijden schade;

  4. e Vereende te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van de letselschadeadviseur tot een bedrag van € 8.684,65;

  5. de kosten van dit deelgeschil te begroten en De Vereende te veroordelen tot betaling van deze kosten aan [verzoeker].

3.2.

Ter zitting heeft De Vereende gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De beoordeling

Behandeling in deelgeschil

4.1.

In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de verzoeken van [verzoeker] zich lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Rv. Dit artikel biedt betrokkenen bij een geschil over letselschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling.

4.2.

De rechtbank stel in dit verband voorop dat geschillen over het causaal verband tussen ongeval en schade en aanvullende bevoorschotting in een deelgeschilprocedure aan de orde kunnen komen. De Vereende heeft er echter op gewezen dat op voorhand duidelijk was dat het causaal verband tussen de klachten van [verzoeker] en het ongeval nog niet vast staat en dat er onderzoek door een deskundige nodig is om dat verder te kunnen beoordelen. Daarover is nog onvoldoende overleg geweest om van een patstelling in de onderhandelingen te kunnen spreken en als partijen daar onderling niet uitkomen kan daarover een beslissing worden gevraagd in een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht. De deelgeschilprocedure is daarvoor niet bedoeld en is volgens De Vereende hier ten onrechte en tegen beter weten in ingezet.

4.3.

De rechtbank is het met De Vereende eens dat [verzoeker] zijn stelling dat er sprake is van causaal verband tussen het ongeval en zijn klachten niet voldoende heeft onderbouwd. De door hem ingeschakelde medisch adviseur denkt daar anders over dan de medisch adviseurs van De Vereende en bij die stand van zaken ligt het in de rede dat een onafhankelijke (medisch) deskundige onderzoek doet en daarover een rapport uitbrengt. Als partijen het onderling niet eens kunnen worden over de vraag wat voor soort arts als deskundige moet worden gevraagd, wie dat moet zijn en welke vragen moeten worden voorgelegd, dan kan daarvoor een verzoek worden ingediend bij de rechtbank. In de wet is daarvoor een specifieke regeling opgenomen. Een deelgeschilprocedure is daar niet voor bedoeld. [verzoeker] vordert weliswaar in deze zaak niet dat de rechtbank een deskundige benoemt, maar dat is in de gegeven omstandigheden wel de weg die hij zou moeten bewandelen, als hij daarover met De Vereende niet tot overeenstemming kan komen. Dat hij in de eerste plaats vordert dat een uitspraak wordt gedaan over het causaal verband tussen het ongeval en zijn klachten maakt dat niet anders. [verzoeker] wordt bijgestaan door een ervaren advocaat en dat bij deze stand van zaken niet zonder meer een uitspraak wordt gedaan over causaal verband en eerst deskundigenonderzoek moet plaatsvinden is gebruikelijk en zozeer voorzienbaar dat dit hem ervan had moeten weerhouden om de verzoeken in deze vorm in een deelgeschil voor te leggen. De rechtbank zal hieronder eerst nog verder ingaan op het partijdebat over het causaal verband en vervolgens op de verzoeken met betrekking tot verdere bevoorschotting en de vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

Causaal verband

4.4.

Partijen verschillen van mening over de vraag welke schade ten gevolge van het ongeval voor [verzoeker] is ontstaan. Met name bestaat discussie over de klachten en beperkingen die door het ongeval zijn veroorzaakt en de over de aard (en de omvang) van de schade die [verzoeker] door deze klachten en beperkingen lijdt. Als uitgangspunt geldt dat [verzoeker] moet stellen en (zo nodig) moet bewijzen dat sprake is van een causaal verband tussen het ongeval en de door hem gestelde klachten (en daaruit voortvloeiende schade). Hierbij moet worden opgemerkt dat aan het te leveren bewijs geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke medische aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het oorzakelijk verband geleverd is.

4.5.

[verzoeker] stelt thans fysieke en psychische klachten te hebben waardoor hij op dit moment niet of nauwelijks in staat is om te werken. Tevens ontbreekt hem de energie om dagelijkse activiteiten (binnens- en buitenshuis) te ondernemen. [verzoeker] stelt zich op het standpunt zijn klachten direct na het ongeval zijn ontstaan en daardoor ook kunnen zijn veroorzaakt. Hij wijst daarbij op het advies van zijn medisch adviseur mevrouw [naam 2]. Zij geeft – kort samengevat – aan dat de klachten van [verzoeker] als ongevalsgevolg moeten worden geduid. De rug-, schouder-, nek- en hoofdpijnklachten sluiten aan bij de ongevalstoedracht en passen bij een whiplash associated disorder. Daarbij ligt het voor de hand dat het ongeval als luxerende gebeurtenis voor het manifest worden van de psychische problematiek moet worden aangewezen. [verzoeker] stelt dat hiermee duidelijk is dat hij zonder het ongeval geen van zijn klachten had ondervonden en dat zijn klachten daarmee aan het ongeval moeten worden toegerekend.

4.6.

De Vereende stelt zich op het standpunt dat op basis van de op dit moment beschikbare informatie geen causaal verband kan worden aangenomen tussen de door [verzoeker] gepresenteerde klachten en het ongeval. De Vereende betwist dat uit de op dit moment beschikbare informatie volgt dat [verzoeker] ten gevolge van het ongeval zodanige klachten ondervindt dat hij niet kan werken. Verder wijst De Vereende op het advies van haar medisch adviseur [naam 3] die – kort samengevat – aangeeft dat niet duidelijk is of het ongeval bij [verzoeker] beperkingen heeft veroorzaakt en dat op basis van de beschikbare informatie ook onvoldoende duidelijk is geworden in hoeverre in het toestandsbeeld van [verzoeker] ongevalsvreemde aspecten een rol spelen, met name daar waar het gaat om de gepresenteerde psychische klachten. Volgens de Vereende is een onafhankelijke medische expertise nodig om de causaliteitsvraag te kunnen beantwoorden.

4.7.

Zoals hiervoor al opgemerkt kan op basis van de beschikbare (medische) stukken, waaronder de verschillende medische adviezen, geen causaal verband worden aangenomen tussen de klachten van [verzoeker] en het ongeval. Verder geldt dat – ook als een causaal verband kan worden aangenomen tussen het ongeval en de klachten van [verzoeker] – nog moet worden vastgesteld tot welke functionele beperkingen die klachten bij [verzoeker] leiden. Op dit moment zijn de beperkingen van [verzoeker] onvoldoende in kaart gebracht en is evenmin duidelijk welke gevolgen deze beperkingen hebben, bijvoorbeeld voor het kunnen verrichten van zijn werkzaamheden. Deze informatie is van wezenlijk belang omdat een aanzienlijk deel van de gestelde schade van [verzoeker] bestaat uit verlies aan verdienvermogen. Hierbij speelt tevens een rol dat [verzoeker] aanvankelijk nog wel – zij het in mindere mate – heeft gewerkt en dat hij zich niet heeft ziekgemeld. Het voorgaande betekent dat het verzoek van [verzoeker] voor recht te verklaren dat zijn klachten aan het ongeval kunnen worden toegerekend, niet kan worden toegewezen.

Medewerking aan medische expertise

4.8.

Partijen beschikken nog niet over een onafhankelijke medische beoordeling en zij zijn het er beiden over eens dat – in geval het causaal verband tussen het ongeval en de klachten nog niet vaststaat – een of meer medische expertises moeten plaatsvinden. De Vereende heeft te kennen gegeven dat het overleg hierover nog niet heeft plaatsgevonden en dat op dit punt nog geen patstelling tussen partijen bestaat. Zij is daarom van mening dat het verzoek moet worden afgewezen.

4.9.

Gebleken is dat partijen nog niet hebben gesproken over in te schakelen medische experts. Voor het geval dat partijen op dit punt geen overeenstemming kunnen bereiken, staat voor [verzoeker] de route van indiening van een verzoek tot het laten verrichten van een voorlopig deskundigenonderzoek open. Gelet hierop ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om De Vereende te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de door [verzoeker] verlangde medische expertise. Het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

Nadere bevoorschotting

4.10.

Voor toewijzing van een nader voorschot op de [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade moet voldoende aannemelijk zijn dat de bodemrechter in de hoofdzaak tot het oordeel zal komen dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en het ongeval en dat de omvang van de daaraan toe te rekenen schade de reeds door De Vereende verstrekte voorschotten te boven gaat. Verder dient in de afweging van de belangen van partijen mede te worden betrokken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van het voorschot.

4.11.

Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat zij op basis van de op dit moment beschikbare (medische) stukken geen causaal verband kan aannemen tussen de klachten van [verzoeker] en het ongeval. Dit betekent dat er op dit moment evenmin voldoende aanknopingspunten zijn om voldoende aannemelijk te achten dat de schade van [verzoeker] de al aan hem verstrekte voorschotten overstijgt. Het verzoek tot nadere bevoorschotting zal daarom worden afgewezen. Hierbij merkt de rechtbank op dat ook de uitgangspunten voor het in kaart brengen van eventuele inkomensschade en overige vermogensschade nog niet vaststaan en dat er op diverse punten opheldering nodig is.

Verdere vergoeding buitengerechtelijke kosten

4.12.

Uitgangspunt is dat een slachtoffer van een ongeval recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand van de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Dit houdt in dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk moet zijn en ook dat de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is in het kader van de behandeling van de zaak.

4.13.

Bij de beoordeling van de dubbele redelijkheidstoets is onder meer van belang de aard en omvang van de schade en de complexiteit van de zaak. Daarnaast komt betekenis toe aan de verhouding tussen de schade en de kosten, met dien verstande dat ook als uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden aanspraak op vergoeding van deze kosten kan bestaan. Ook de opstelling van partijen kan van invloed zijn op de redelijkheid van het maken van kosten en de omvang ervan. Verder is van belang dat ook in relatief eenvoudige zaken of in zaken met een (vaak pas achteraf vast te stellen) relatief gering (financieel) belang, de belangen van de benadeelde adequaat behartigd moeten worden.

4.14.

De Vereende is van mening dat het reeds op de buitengerechtelijke kosten betaalde voorschot volstaat. Zij voert hiertoe onder meer aan dat de zaak tot op heden niet erg complex of bewerkelijk is geweest. Voorts meent De Vereende dat het uurtarief van € 250,-- van de letselschadeadviseur niet redelijk en niet marktconform is. Een uurtarief van € 180,-- ligt volgens haar meer in de rede. Tot slot stelt De Vereende dat met kantoorkosten geen rekening mag worden gehouden, omdat deze kosten door digitalisering relatief beperkt zijn.

4.15.

De rechtbank stelt voorop dat De Vereende in deze kwestie reeds een bedrag van € 8.470,-- aan buitengerechtelijke kosten heeft vergoed. Dat is een substantieel bedrag, maar dit betekent nog niet dat in dit stadium geen aanspraak op verdere vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten kan bestaan.

4.16.

Uit de bij het verzoekschrift als productie 8 overgelegde urenspecificatie blijkt dat de letselschadeadviseur in de periode van 9 juni 2019 tot en met 21 november 2021 in totaal 52 uren aan deze kwestie heeft besteed. Deze tijdsbesteding is zeer fors afgezet tegen de complexiteit van deze kwestie. In deze zaak zijn er immers geen omstandigheden aangevoerd die de afwikkeling van de schade compliceren en evenmin is gebleken dat de opstelling van De Vereende tot extra werkzaamheden van de letselschadeadviseur van [verzoeker] heeft geleid.

4.17.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om deze tijdsbesteding naar beneden bij te stellen. Ook het door de letselschadeadviseur gehanteerde uurtarief komt de rechtbank bovenmatig voor en zal naar beneden worden bijgesteld. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om rekening te houden met kantoorkosten, nu deze worden geacht te zijn begrepen in het uurtarief. De rechtbank zal in redelijkheid een totaal van 38 uren tegen een uurtarief van € 180,-- exclusief btw in aanmerking nemen. Hiermee komen de buitengerechtelijke kosten van de letselschadeadviseur niet hoger uit dan het reeds verstrekte voorschot van € 8.470,--. De verzochte vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.18.

Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de persoon die schade door letsel lijdt begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Ook hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet ook redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. In dat geval kan begroting van de kosten achterwege blijven.

4.19.

De rechtbank is met De Vereende van oordeel dat in dit geval sprake is van een volstrekt onnodig en ten onrechte ingestelde procedure. Op voorhand was duidelijk dat er onderzoek door een deskundige nodig zou zijn om tot verdere beoordeling van het causaal verband en de omvang van de geleden schade en bevoorschotting te komen en daarvoor is de procedure van artikel 202 en verder Rv bedoeld. De rechtbank zal daarom ook niet overgaan tot begroting van de kosten.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2022.1

1 type: 1366