Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:4790

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2022
Datum publicatie
24-05-2022
Zaaknummer
9503973 / CV EXPL 21-3346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geannuleerde vluchten ten gevolge van de coronacrisis. Restitutie vliegtickets. Passagier spreekt na faillissement reisbureau / tussenpersoon rechtstreeks de vliegtuigmaatschappij aan op grond van artikel 5 lid 1 a jo artikel 8 lid 1 a van de Verordening (EG) nr. 261/2004. Beroep op bevrijdende betaling en ontbreken rechtstreekse contractuele relatie tussen vliegtuigmaatschappij en passagier slaagt niet. Sprake van bemiddelingsovereenkomst. Dat het reisbureau failliet is verklaard in de tijd gelegen tussen betaling vliegtuigmaatschappij en uitbetaling aan passagier komt voor rekening en risico van vliegtuigmaatschappij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

MV/JJ (C/D)

Rolnr.: 9503973 \ CV EXPL 21-3346

Datum: 18 mei 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. R. Schreuders (ARAG SE),

tegen

de vennootschap naar vreemd recht Limited Liability Company (Indonesië) PT GARUDA INDONESIA (PERSERO) TBK,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer.

Partijen worden aangeduid als “ [eiser] ” en “Garuda”.

1 Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 19 oktober 2021 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de akte met een aanvullende productie aan de zijde van [eiser] ontvangen ter griffie op 11 februari 2022;

  • -

    de akte met twee aanvullende producties aan de zijde van [eiser] ontvangen ter griffie op 3 maart 2022.

1.2

Op 17 maart 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald op vandaag.

2 Feiten

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit.

2.1

[eiser] heeft op 8 januari 2020 bij D-Reizen voor zichzelf en vijf anderen vliegtickets geboekt voor de volgende drie vluchten:

op 22 juli 2020, Amsterdam – Medan, vlucht GA0089,

op 31 juli 2020, Medan – Jakarta, vlucht GA0121,

op 19 augustus 2020, Denpasar – Amsterdam, vlucht GA0088.

Garuda zou de vluchten uitvoeren.

2.2

Ten gevolge van de coronapandemie heeft Garuda de vluchten geannuleerd.

2.3

[eiser] heeft D-Reizen tussen 2 september 2020 en 23 maart 2021 meermaals verzocht om restitutie van het door hem betaalde bedrag van € 8.607,30.

2.4

Op 2 september 2020 heeft Airtrade Holland B.V. (hierna: Airtrade) Garuda verzocht om terugbetaling van een bedrag van € 1.390,15 per passagier, zijnde € 8.340,90 in totaal. Op 4 september 2020 is de betaling door Garuda geautoriseerd en aan Airtrade overgemaakt. Op enig moment heeft D-Reizen dit bedrag van Airtrade ontvangen. D-Reizen heeft het bedrag niet overgemaakt aan [eiser] .

2.5

Op 6 april 2021 is het faillissement van D-Reizen uitgesproken.

3 Vordering en verweer

3.1

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om Garuda te veroordelen tot betaling van € 8.607,30 aan hoofdsom en een bedrag van € 974,30 aan buitengerechtelijke incassokosten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van Garuda in de nakosten en de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

3.2

Aan zijn vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. [eiser] heeft door bemiddeling van D-Reizen een vervoersovereenkomst gesloten met Garuda uit hoofde waarvan zij drie vluchten zou uitvoeren. Garuda heeft de vluchten niet uitgevoerd. Op grond van artikel 5 lid 1 onder a juncto artikel 8 lid 1 onder a van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) heeft [eiser] tegenover Garuda recht op terugbetaling van het aankoopbedrag van de tickets binnen zeven dagen. Dat zij voor terugbetaling gebruikt heeft gemaakt van de dienstverlening van een reisagent / tussenpersoon komt voor haar risico. Ten slotte is Garuda (door de gemachtigde van [eiser] ) herhaaldelijk aangemaand om het gevorderde bedrag aan [eiser] te voldoen, zonder dat zij tot betaling is overgegaan. Daarom is zij tevens de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente verschuldigd geworden.

3.3

Garuda voert verweer. Dit verweer zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, verder worden besproken.

4 Beoordeling

4.1

In geschil is de vraag tegenover wie [eiser] recht heeft op restitutie van de door hem betaalde ticketkosten wegens de niet-uitgevoerde vluchten in juli en augustus 2020. [eiser] stelt dat hij door bemiddeling van D-Reizen vervoersovereenkomsten heeft gesloten met Garuda. Garuda voert daartegenover aan dat zij de ticketprijs niet aan [eiser] hoefde terug te betalen nu zij geen contractuele relatie heeft of had met [eiser] , aangezien [eiser] een overeenkomst heeft gesloten met D-Reizen. [eiser] heeft de tickets bij het boeken ook niet aan haar betaald. D-Reizen heeft voor het boeken van de tickets een overeenkomst gesloten met Airtrade. Airtrade heeft als IATA agent toegang tot het boekingssysteem “Amadeus”, via welk systeem Garuda haar vluchten ook aanbiedt. Zij heeft in september 2020 reeds bevrijdend betaald aan Airtrade – die de betaling weer heeft overgemaakt aan D-Reizen – en kan daarom niet meer gehouden worden tot terugbetaling van de vliegtickets aan [eiser] , aldus Garuda. Bovendien, zo stelt Garuda, bedragen de ticketkosten bij elkaar opgeteld slechts € 8.337,30 en zijn de overige, door D-Reizen in rekening gebrachte kosten geen onderdeel van de ticketprijs. De kantonrechter zal eerst het meest verstrekkende verweer van Garuda, dat zij niet gehouden was aan [eiser] terug te betalen, beoordelen en overweegt daaromtrent het volgende.

Aan wie diende Garuda te betalen?

4.2

De Verordening bepaalt voor zover relevant het volgende:

“Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

b) ,,luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert”: een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier;

Artikel 3

Werkingssfeer

1. Deze verordening is van toepassing

a. a) op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is;

b) op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is (…)

(…)

5. Deze verordening is van toepassing op elke luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert en vervoer aanbiedt aan passagiers als bedoeld in de leden 1 en 2. Indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, wordt zij geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier.

(…)

Artikel 5

Annulering

1. In geval van annulering van een vlucht:

a. a) wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 8;

(…)

Artikel 8

Recht op terugbetaling of een andere vlucht

1. Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers de keuze tussen:

a. a) — volledige terugbetaling van het ticket binnen zeven dagen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, tegen de prijs waarvoor het gekocht was, (…)”

4.3

Door de Europese Commissie zijn voorts op 18 maart 2020 ‘Interpretatieve richtsnoeren betreffende de EU-verordeningen inzake passagiersrechten in de context van de ontwikkeling van COVID-19’ gepubliceerd (PbEU 2020, C 89 I01) waarvan de richtsnoeren nummers 3.1 tot en met 3.4 zien op ‘RECHTEN VAN LUCHTREIZIGERS (VERORDENING (EG) Nr. 261/2004’, (hierna: de richtsnoeren). De kantonrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat Garuda gehouden was de ticketprijs terug te betalen (hetgeen zij ook heeft gedaan, zij het aan Airtrade), zodat het recht van [eiser] op terugbetaling an sich geen beoordeling behoeft. Verder volgt uit artikel 5 en 8 van de Verordening en de richtsnoeren dat in het geval zich een dergelijke situatie voordoet, een luchtvaartmaatschappij de passagier de keuze moet bieden tussen terugbetaling, een andere vlucht bij de eerste gelegenheid, of een andere vlucht op een latere datum naar keuze van de passagier.

4.4

Door Garuda wordt aangevoerd dat zij geen terugbetalingsverplichting heeft tegenover [eiser] , omdat [eiser] niet degene is van wie zij de betaling heeft ontvangen en tussen hen geen contractuele verbintenis bestaat. De kantonrechter overweegt als volgt. Niet in geschil is dat van een pakketreis of reisarrangement in casu geen sprake is. Voorts staat vast dat [eiser] (eerst) een contractuele verbintenis is aangegaan met D-Reizen, die de kantonrechter kwalificeert als een bemiddelingsovereenkomst. Dit is ook expliciet zo opgenomen in de aan [eiser] verstrekte boekingsbevestiging/factuur. D-Reizen heeft op grond van die overeenkomst namens en op naam van [eiser] en zijn medepassagiers vliegtickets naar en vanuit Indonesië geboekt en verkregen, voor de vluchten uit te voeren door Garuda (en daarmee heeft D-Reizen aan haar opdracht voldaan). Garuda heeft de vluchten vervolgens geannuleerd. De kantonrechter is het met [eiser] eens dat op basis van de Verordening de passagier recht heeft op terugbetaling van de ticketprijs tegenover de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. Dit volgt ook uit artikel 3 lid 5 van de Verordening waarin is bepaald dat ook indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, zij geacht wordt dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier. Daarbij is in overweging nummer 7 van de Verordening opgenomen: “(…) dienen de bij de verordening gecreëerde verplichtingen te rusten op de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of voornemens is de vlucht uit te voeren, met eigen dan wel inclusief of zonder bemanning geleaste vliegtuigen, of in enige andere vorm.”. Voorts staat in overweging nummer 13: “Passagiers van wie de vlucht geannuleerd wordt, moeten hun tickets terugbetaald kunnen krijgen (…)”. Een en ander betekent dat niet van belang is of rechtstreeks een contract is gesloten met de luchtvaartmaatschappij of dat de vlucht met tussenkomst van een of meerdere tussenpersonen is geboekt: de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert blijft ervoor verantwoordelijk dat bij annulering de ticketprijs aan de passagier wordt terugbetaald. Niet is vereist dat Garuda de tickets heeft uitgegeven of rechtstreeks de boeking aan de passagiers heeft bevestigd. Voldoende is dat de passagiers een ticket hebben dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan, hetgeen in casu het geval is. Het verweer van Garuda dat zij niet gehouden was de ticketprijs aan [eiser] terug te betalen, slaagt daarom niet.

Is er bevrijdend betaald?

4.5

Voorts voert Garuda aan dat zij niet gehouden is alsnog enig bedrag aan [eiser] te betalen, omdat door haar reeds bevrijdend is betaald aan Airtrade in september 2020. Gelet op de betaling van Airtrade aan D-Reizen mocht Garuda er volgens haar gerechtvaardigd op vertrouwen dat die betaling op deze wijze (uiteindelijk) terecht zou komen bij de passagiers.

4.6

De kantonrechter begrijpt dat bovengenoemde manier van betalen een gebruikelijke gang van zaken is in de reiswereld die, zonder het faillissement van D-Reizen, uiteindelijk ook het geld bij de passagiers zou hebben teruggebracht. Dit ontslaat Garuda echter niet van haar verplichting om de ticketprijs aan de passagier te vergoeden indien die passagier bij annulering van een vlucht op grond van artikel 5 lid 1 onder a jo artikel 8 lid 1 onder a van de Verordening zijn geld terug wenst. Dat in casu D-Reizen failliet is gegaan voordat de door Garuda via Airtrade terugbetaalde ticketprijs door de betreffende passagiers is ontvangen, komt – hoe vervelend de consequenties daarvan ook zijn – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen voor rekening en risico van Garuda. Van bevrijdende betaling is dan ook geen sprake. Dat de tickets in dit geval geboekt zijn via een bemiddelingsovereenkomst maakt dit niet anders.

Terugbetaling ticketprijs

4.7

[eiser] vordert terugbetaling van het totaal door hem betaalde bedrag ad € 8.607,30. [eiser] heeft de boekingsbevestiging en factuur van D-Reizen overgelegd. Op de factuur valt te lezen dat de kosten van “vervoer, Indonesië – Airtrade”, bestaand uit de ticketkosten en luchthavenbelasting, € 8.607,30 bedragen. Verder valt te lezen dat D-Reizen een bedrag ter hoogte van € 41,95 aan bemiddelingskosten heeft gerekend en een korting heeft toegepast van € 41,95. Garuda wijst wat betreft de hoogte van de ticketprijs naar het bedrag van € 8.340,90 dat zij aan Airtrade heeft terugbetaald en stelt dat zij niet van enige provisie af wist en niet met deze kosten heeft ingestemd.

4.8

In het arrest Harms van het Europees Hof van Justitie van 12 september 2018 (HvJ EU 12 september 2018, C-601/17, ECLI:EU:C:2018:702, r.o. 20) is bepaald dat, als een passagier een ticket heeft gekocht bij een tussenpersoon en die tussenpersoon voor de bemiddeling een provisie heeft ontvangen, de ticketprijs die op grond van artikel 8 lid 1 onder a van de Verordening aan de passagier moet worden terugbetaald, ook het provisiebedrag omvat, tenzij die provisie is vastgesteld buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij. De vraag is aldus of Garuda wetenschap had van door D-Reizen bovenop de ticketprijzen gerekende bemiddelings- en/of provisiekosten. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

4.9

Gelet op de formulering van het Europees Hof van Justitie in het bovengenoemde arrest van 12 september 2018, “tenzij die provisie is vastgesteld buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij”, ligt het op de weg van Garuda om aan te tonen dat een bedrag van € 266,40 (8.607,30 - 8.340,90 =) aan provisie is gehanteerd dat buiten haar medeweten is vastgesteld. De enkele stelling van Garuda dat dit het geval is en dat dit volgt uit het door Airtrade bij haar teruggevorderde bedrag van € 8.340,90 is daarvoor onvoldoende. Daarbij weegt mee dat uit de door [eiser] overgelegde boekingsbevestiging en factuur volgt dat de ticketprijs voor zes tickets bij Airtrade € 8.607,30 bedroeg. Het lag op de weg van Garuda om haar stelling op dit punt nader en concreet te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. De kantonrechter concludeert dan ook dat Garuda dit verweer onvoldoende heeft onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

4.10

Het verweer van Garuda dat [eiser] enkel voor zijn eigen ticket om restitutie kan vragen, behoeft geen bespreking meer aangezien de overige vijf passagiers hun vordering blijkens de akte aan de zijde van [eiser] , ontvangen op 3 maart 2022, aan hem hebben gecedeerd en hiermee voldoende is komen vast te staan dat [eiser] ook namens de andere passagiers terugbetaling van de ticketprijzen kan vorderen.

Buitengerechtelijke incassokosten, rente en proceskosten

4.11

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 974,50. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.12

De wettelijke rente over het gevorderde bedrag zal worden toegewezen vanaf 15 mei 2021, zijnde de dag nadat de termijn van vier weken in de sommatiebrief van de gemachtigde van [eiser] van 16 april 2021 is verstreken. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is eveneens toewijsbaar.

4.13

Nu de vordering van [eiser] is toegewezen, dient Garuda als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De nakosten zijn daarbij inbegrepen voor zover deze kosten daadwerkelijk worden gemaakt. De nakosten worden begroot op € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

5 Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Garuda om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen € 8.607,30, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Garuda om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen € 974,30 ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Garuda in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 967,18, waaronder begrepen € 622,00 (2 x 311,00) voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde btw;

- veroordeelt gedaagde partij tot betaling van € 100,00 aan nasalaris, voor zover eisende partij daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag der voldoening, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.S. Vonck en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2022.