Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:4595

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2022
Datum publicatie
16-05-2022
Zaaknummer
NL21.20164 en NL21.20165
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-aanvragen, feitelijke gezinsband, evenredigheidsbeginsel, artikel 4:84 Awb, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2022/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.20164 en NL21.20165

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam1] en [naam2], eiseressen

v-nummers: [nummer1] en [nummer2]

(gemachtigde: mr. E. Arslan), en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis1 afgewezen.

Bij besluit van 30 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2022 op zitting behandeld in Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Als tolk is verschenen M. Sivridag. Verder is referent, [naam3], verschenen.

Overwegingen

1. Eiseressen zijn geboren op [geboortedatum1] en [geboortedatum2] en bezitten de Turkse nationaliteit. Eiseressen beogen verblijf bij hun vader (referent) in Nederland. Aan referent is op 6 september 2019 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Op 1 oktober 2019 heeft referent namens eiseressen mvv-aanvragen ingediend. Op 26 maart 2021 zijn eiseressen op de Nederlandse ambassade te Istanbul in Turkije geïnterviewd.

2. Bij het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder de mvv-aanvragen van eiseressen afgewezen, omdat volgens hem geen sprake is van een feitelijke gezinsband. Hierdoor bestaat geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8

1. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

van het EVRM.2 Eiseressen vallen ook niet onder het jongvolwassenenbeleid, omdat eiseressen zelfstandig hebben gewoond en zelfstandig in hun onderhoud kunnen voorzien. Een eenmaal gebroken feitelijke gezinsband kan in dit geval volgens verweerder niet meer worden hersteld.

3. Eiseressen voeren aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Eiseressen stellen dat zij niet vrijwillig en zelfstandig in een studentenhuis zijn gaan wonen. Ook voeren zij aan dat hun inkomsten gering en van tijdelijke aard waren en zij werden financieel ondersteund door referent. Volgens eiseressen dient paragraaf B7/3.2.1 van de Vc3 analoog te worden toegepast. Daarnaast heeft verweerder de belangen en bijzondere omstandigheden van eiseressen onvoldoende meegewogen in de besluitvorming op grond van het evenredigheidsbeginsel en artikel 4:84 van de Awb.4 Hiervoor verwijzen zij naar de uitspraak van de Afdeling5 van 2 februari 2022.6 Verder doen zij een beroep op artikel 17 van de Gezinsherenigingrichtlijn.7 Tot slot beroepen eiseressen zich erop dat zij in bezwaar hadden moeten worden gehoord.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 29, vierde lid, van de Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoeld vreemdeling behoorden tot diens gezin en indien binnen drie maanden nadat aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een verblijfsvergunning asiel is verleend door of ten behoeve van dat gezinslid een mvv is aangevraagd:

a. (…);

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot zijn gezin;

(…).

5. Uit paragraaf C2/4.1 van de Vc volgt dat verweerder een verblijfsvergunning asiel verleent op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw als de kinderen, ouders, echtgenoot of partner feitelijk behoren tot het gezin van de referent op het moment van binnenkomst van referent. Voor meerderjarige kinderen geldt dat het kind in het buitenland feitelijk tot het gezin van referent moet hebben behoord en die feitelijke gezinsband niet is verbroken. Voor het aannemen van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouder(s) en meerderjarige kinderen moet sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen het meerderjarige kind en diens ouder(s).8 Een uitzondering hierop is het jongvolwassenenbeleid. Er zal door verweerder moeten worden beoordeeld of

2 Verdrag tot bescherming voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

3 Vreemdelingencircula ire 2000.

4 Algemene wet bestuursrecht.

5 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6 De uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.

7 Richtlijn 2003/86/EG.

8 Op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vc.

na de binnenkomst van referent in Nederland zich omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken.

6. Volgens paragraaf B7/3.2.1 van de Vc kan in ieder geval worden aangenomen dat het meerderjarige kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort indien sprake is van een of meer van de volgende omstandigheden:

  • -

    het kind woont zelfstandig;

  • -

    het kind voorziet in eigen onderhoud;

  • -

    het kind is een huwelijk of relatie aangegaan.

Artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn

7. Het beroep van eiseressen op artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt de rechtbank niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet de reikwijdte van artikel 29, tweede lid, van de Vw beperkt worden opgevat, gelet op de strikte scheiding tussen asiel en regulier. De Gezinsherenigingsrichtlijn biedt weliswaar ruimte om het beleid van gezinshereniging uit te breiden naar andere gezinsleden dan de leden van het kerngezin, maar in de Nederlandse wetgeving is uitdrukkelijk gekozen om slechts voor de leden van het kerngezin nareis mogelijk te maken. Wat eiseressen hebben aangevoerd in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en het beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 27 juni 2006 inzake E.P.9 treft dan ook geen doel.

Feitelijke gezinsband

8. Vaststaat dat eiseressen ten tijde van de inreis van referent in Nederland, 17 augustus 2018, 23 jaar en 21 jaar oud waren. Ook staat vast dat eiseressen voor een periode van respectievelijk drie jaar en één jaar, in een studentenhuis hebben gewoond van de Gülenbeweging. Verder ontvingen eiseressen inkomsten uit tijdelijk werk, stagevergoeding en een studiebeurs van hun broer.

9. Zowel in bezwaar als in beroep hebben eiseressen uiteengezet waarom geen sprake is van een verbreking van de feitelijke gezinsband. Eiseressen hebben in dit verband op het volgende gewezen. Wegens de grote afstand tussen het ouderlijk huis en de universiteit woonden eiseressen, onder begeleiding van de Gülenbeweging, noodgedwongen in een studentenhuis. Elk weekend gingen zij terug naar het ouderlijk huis waar zij na hun studie ook weer zijn gaan wonen. Hun inkomsten waren daarnaast zo gering en tijdelijk, dat referent hen financieel moest ondersteunen. Eiseressen verwijzen ter onderbouwing naar uitspraken van de Afdeling.10 Hieruit volgt volgens eiseressen dat het op de weg van verweerder ligt om te onderzoeken of uit contra-indicaties kan worden opgemaakt dat het kind zich zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven. Verweerder heeft in dit verband ter zitting verwezen naar een andere uitspraak van de Afdeling11 waaruit volgt dat het wonen in een studentenkamer op een universiteitscampus moet worden aangemerkt als zelfstandig wonen. De rechtbank is echter van oordeel dat de enkele verwijzing naar deze uitspraak onvoldoende is om te kunnen spreken van zelfstandig wonen. Verweerder heeft de omstandigheden van eiseressen onvoldoende meegewogen in de besluitvorming. Daarbij

9 ECLI:EU:C:2006:429.

10 De uitspraken van 23 augustus 2019 en 9 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2863 en ECLI:NL:RVS:2019:4122.

11 De uitspraak van 29 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2632.

had verweerder meer onderzoek moeten doen naar het inkomen van eiseressen op het moment van de peildatum. Zeker nu eiseressen hebben verklaard dat het inkomen gering en van tijdelijke aard was.

10. Verder doen eiseressen een beroep op paragraaf B7/3.2.1 van de Vc. Hierin staat dat verweerder aanneemt dat in Nederland buitenshuis wonende kinderen nog feitelijk tot het gezin van hun ouder(s) behoren, als die een volledige dagopleiding volgen. Verweerder heeft ter zitting niet kunnen uitleggen waarom deze beleidsregel niet analoog kan worden toegepast, terwijl verweerder de beleidsregel uit dezelfde paragraaf over het niet-aannemen van herstel van de feitelijke gezinsband als deze eenmaal is verbroken, wel analoog toepast. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de ene beleidsregel wél, en de andere níet analoog is toegepast.

Evenredigheidsbeginsel en artikel 4:84 van de Awb

11. Volgens eiseressen zou de afwijzing van de mvv-aanvragen leiden tot onevenredige gevolgen in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Zo is het zelfstandig bestaan in Turkije moeilijk en gevaarlijk, omdat de overheid druk uitoefent op Gülenisten. Eiseressen kunnen hierdoor niet werken. Ter onderbouwing verwijzen eiseressen naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Turkije van maart 2022. Daarnaast dient de eenheid van het gezin gerespecteerd te worden volgens eiseressen.

12. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 202212 en artikel 4:84 van de Awb dient verweerder een afgewogen en deugdelijke motivering te geven over de vraag welke gevolgen het bestreden besluit heeft voor eiseressen en of deze gevolgen evenredig zijn in verhouding tot het doel van de beleidsregel. Hierbij dient verweerder onderscheid te maken tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende de belangen en omstandigheden van eiseressen, zoals genoemd in rechtsoverweging 9 en 11, heeft betrokken bij de besluitvorming. Verweerder heeft dan ook ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet in de door eiseressen aangevoerde omstandigheden om van het toegepaste beleid af te wijken, al dan niet met analoge toepassing van de in overweging 10 genoemde beleidsregel over buitenshuis wonende kinderen die een volledige dagopleiding volgen.

Hoorplicht in bezwaar

13. Van horen in bezwaar kan met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar kan slechts sprake zijn wanneer uit een bezwaarschrift volgt dat de bezwaren ongegrond zijn en redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond, omdat eiseressen wijzen op omstandigheden die blijk geven dat verweerder kennelijk wel ruimte heeft om onder bepaalde omstandigheden een mvv te verlenen wanneer sprake is van een situatie van uithuiswoning ten tijde van de studie. Verweerder had eiseressen daarom voor het nemen van het bestreden besluit in de gelegenheid moeten stellen om te worden gehoord. Nu

12 De uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.

verweerder dat heeft nagelaten, is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb tot stand gekomen.

Conclusie

14. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1.518 (duizendvijfhonderdachttien euro), te betalen aan eiseressen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Documentcode: DSR20397881

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.