Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:4482

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2022
Datum publicatie
23-05-2022
Zaaknummer
09/273959-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EncroChat en Sky ECC. Betrouwbaarheidsverweren verworpen. Deels bekennende verdachte. Deelneming aan criminele drugsorganisatie. Lokale drugshandel en voorbereidingshandelingen daarvoor. Vrijspraak voorbereidingshandelingen internationale drugshandel. Oplegging onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/273959-21

Datum uitspraak: 12 mei 2022

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op 10 april 1977 te Den Haag,

BRP-adres: [adres] Rijswijk,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Maatschapslaan.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 25 april 2022. Op 28 april 2022 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.A. Pronk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Blonk naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2019 tot en met 12 oktober 2021 te ’s-Gravenhage en/of te Rijswijk en/of te Vlaardingen, althans elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere [medeverdachte 1] , geboren op 20 september 1974 en/of [medeverdachte 2] , geboren op 10 juni 1985 en/of met één of meer ander(en) onbekend gebleven perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;

2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 oktober 2019 tot en met 12 oktober 2021 te Vlaardingen en/of te ’s-Gravenhage en/of te Rijswijk, althans elders in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, telkens opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer (zeer) grote hoeveelheid/hoeveelheden, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij op één of meer tijdstip)pen) in of omstreeks de periode van 19 oktober 2019 tot en met 12 oktober 2021 te ’s-Gravenhage en/of te Vlaardingen en/of te ’s-Gravenhage en/of te Rijswijk en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen,

immers heeft verdachte:

- Inlichtingen uitgewisseld over en/of transport(en) geregeld om verdovende middelen per luchtpost vanuit Brazilië naar Nederland te brengen en/of

- inlichtingen uitgewisseld over het transporteren van verdovende middelen in containers over zee naar Brazilië en/of

- inlichtingen en/of foto’s van verdovende middelen uitgewisseld met betrekking tot de koop en/of verkoop van die verdovende middelen en/of

- transport in verborgen ruimtes geregeld (zgn stashplekken) en/of

- informatie uitgewisseld over stashplekken om aldaar verdovende middelen op te slaan en/of

- geld en/of waardepapieren verstrekt en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of in ontvangst genomen en/of betaling(en) gedaan en/of laten doen ten behoeve van de aanschaf en/of verkoop van verdovende middelen en/of

- berekeningen en/of aantekeningen met betrekking tot geldbedragen gemaakt en/of ontmoetingen gehad met en/of (telefonische) afspraken gemaakt met en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten (door)gegeven aan zijn mededader(s))en/of een of meer anderen, om verdovende middelen te kopen en/of verkopen en/of in ontvangst te nemen en/of te vervoeren

en/of

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen gelden of andere betaalmiddelen voorhanden gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s)

- één of meerdere PGP-telefoons, althans encryptie-telefoons, voorhanden gehad.

3 Inleiding; aard van de zaak

De Franse autoriteiten zijn in 2018 een strafrechtelijk onderzoek gestart naar het ‘georganiseerd verband EncroChat’ en hebben de nodige opsporingshandelingen verricht. Het bedrijf EncroChat bood een applicatie aan waarmee op een telefoon versleutelde berichten konden worden verzonden en ontvangen. Gebruikers konden alleen onderling en één-op-één communicatie voeren.

In de eerste maanden van 2020 hebben politie en justitie uit verschillende landen overleg gevoerd met als doel te komen tot een gecoördineerde aanpak bij het onderzoek naar het bedrijf EncroChat en daaraan gelieerde personen. Dit gezamenlijk overleg heeft in april 2020 geleid tot de oprichting van een Joint Investigation Team (JIT) door Nederland en Frankrijk om de verdenkingen tegen het bedrijf verder te onderzoeken. De verdenkingen kwamen erop neer dat het bedrijf en daaraan gelieerde personen zich schuldig maakten aan witwassen, deelname aan criminele organisaties en het plegen van drugsgerelateerde feiten.

Onderzoek 26Lemont is onderdeel van het JIT. Serverdata waar Frankrijk al de beschikking over had, zijn in het JIT gevoegd en door Nederland met rechtshulpverzoeken opgevraagd. Dit heeft een grote hoeveelheid chatberichten opgeleverd. Informatie uit 26Lemont is verstrekt aan onderzoek Abrikoos, waar de nu voorliggende strafzaak over gaat. Op 19 mei 2020 is dat onderzoek onder gezag van een Nederlandse officier van justitie gestart. De verkregen informatie bevat onder andere IMEI-nummers van gebruikers van EncroChat, chatberichten tussen gebruikers, adressen (‘accountnamen’) van gebruikers en telecom-locatiegegevens. In het onderzoek Abrikoos staan vooral de accountnamen Dakdekker en Hipposhrub centraal.

Op 11 december 2020 werd onder gezag van het Landelijk Parket en het Parket Amsterdam een opsporingsonderzoek met de naam Argus gestart. Onderzoek Argus komt voort uit een langer lopend onderzoek, genaamd Werl. Nederland maakt met onderzoek Werl deel uit van een JIT met Frankrijk en België. Onderzoek Argus richt zich op zowel geïdentificeerde als NN-gebruikers van Sky ECC. Dit is een berichtenapp op een versleutelde smartphone waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd. Tegen gebruikers ervan bestaat het vermoeden dat zij in georganiseerd verband (drugsgerelateerde) strafbare feiten beramen dan wel plegen. In onderzoek Argus zijn meerdere Sky-ID’s naar voren gekomen, te weten [Sky-ID] . Deze informatie is verstrekt aan onderzoek Abrikoos.

De verdachte is in het onderzoek Abrikoos in beeld gekomen. Aanvankelijk heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen. Op 16 februari 2022 en 16 maart 2022 heeft hij bij de politie verklaringen afgelegd. Hij heeft bekend de gebruiker te zijn geweest van (achtereenvolgens) de accounts [Sky-ID] (Sky ECC), Dakdekker (EncroChat) en [Sky-ID] (Sky ECC). De verklaring van de verdachte houdt het volgende in. Van een oude jeugdvriend (volgens de verdachte Hipposhrub) kreeg hij de opdracht om tasjes aan te nemen, op te slaan in een kluis in verschillende opslagplaatsen en deze vervolgens aan derden te verstrekken. Dit begon met kleine hoeveelheden cocaïne, maar die werden gaandeweg steeds groter. Zo had de verdachte naar eigen zeggen op enig moment ongeveer 300 kilo cocaïne in de kluis van een opslagplaats liggen. In de maanden juni en juli 2020 heeft hij in totaal ongeveer 2800 kilo cocaïne aangenomen, opgeslagen en aan derden verstrekt. De verdachte heeft al deze verklaringen ter terechtzitting van 25 april 2022 herhaald en nader toegelicht. Op vragen van de rechtbank over mogelijke mededaders en de onderlinge taakverdeling tussen hem en de oude jeugdvriend heeft hij geen tot weinig antwoord willen geven.

Aan de verdachte zijn drie feiten ten laste gelegd. Onder feit 1 wordt hij verdacht van het deelnemen aan een criminele drugsorganisatie. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten het medeplegen van handel en/of het aanwezig hebben van cocaïne. Onder feit 3 is aan de verdachte ten laste gelegd het medeplegen van het treffen van voorbereidingshandelingen tot het plegen van Opiumwetdelicten door hiertoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen.

4 Verweer bewijsuitsluiting EncroChat- en Sky ECC-berichten

4.1

Het verweer van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat de verkrijging en de verwerking van de berichten van EncroChat en Sky ECC onrechtmatig zijn geweest wegens strijd met nationaal en internationaal recht en dat de verkregen data onvolledig en onbetrouwbaar zijn. Volgens de verdediging moet dit bewijsuitsluiting tot gevolg hebben, zodat enkel en alleen de deels bekennende verklaring van de verdachte overblijft. Dit is echter onvoldoende om tot een wettige bewezenverklaring te komen, zodat integrale vrijspraak moet volgen. Voor de onderbouwing van dit betoog heeft de raadsvrouw verwezen naar de onderbouwing van de door haar op 14 april 2022 schriftelijke ingediende (en op 20 april 2022 ingetrokken) onderzoekswensen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer. Volgens haar is er inmiddels voldoende rechtspraak voorhanden op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat uitsluiting van EncroChat- en Sky ECC-berichten van het bewijs niet aan de orde is.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat chatberichten, die afkomstig zijn van de berichtendiensten EncroChat en Sky ECC, bij de aan de verdachte ten laste gelegde feiten een belangrijke rol spelen. De rechtbank merkt op dat inmiddels sprake is van bestendige rechtspraak in eerste aanleg die erop neerkomt dat verweren strekkende tot uitsluiting van verkregen EncroChat- en Sky ECC-berichten van het bewijs niet slagen. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 16 september 20211 (EncroChat en Sky ECC), van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 20212 (Sky ECC), van de rechtbank Rotterdam van 11 april 20223 (EncroChat) en de rechtbank Den Haag van 22 april 20224 (EncroChat). De rechtbank sluit zich bij die rechtspraak aan. De enkele verwijzing door de raadsvrouw ter terechtzitting naar de – nota bene daags voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak ingetrokken – onderzoekswensen van 14 april 2022 leidt de rechtbank niet tot andere inzichten en conclusies. Bewijsuitsluiting is dus niet aan de orde.

De rechtbank verwerpt het verweer.

5 De verdere beoordeling van de tenlastelegging

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – op gronden als verwoord in haar schriftelijk requisitoir – gerekwireerd tot bewezen verklaring van alle ten laste gelegde feiten.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich – op gronden als verwoord in haar schriftelijk pleidooi –met betrekking tot het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de pleegperiode niet geheel bewezen kan worden. Met betrekking tot het eerste en tweede gedachtestreepje van feit 3 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit en zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

5.3

Opgave van bewijsmiddelen en aanvullende bewijsoverwegingen

De rechtbank acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de grotendeels bekennende verklaring van de verdachte en het slechts partiële (juridische) vrijspraakverweer van de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan worden volstaan. De rechtbank heeft aanvullende bewijsoverwegingen opgenomen over de ten laste gelegde periode (alle feiten) en over de in- en uitvoer van cocaïne (feit 3).

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal in het onderzoek Abrikoos met het onderzoeksnummer DHRAA20042, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 432 (voorgeleidings-dossier), 1 t/m 94 (raadkamerdossier), 1 t/m 388 (pro forma dossier I), 1 t/m 135 (pro forma dossier II) en 1 t/m 3 (los proces-verbaal AMB 213 PVB Periode actief Sky-ID’s [verdachte] )).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1:

1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 25 april 2022;

2. het proces-verbaal ter beschikking stellen Argus data, opgemaakt op 5 oktober 2021 (p. 344-349 van het voorgeleidingsdossier).

Ten aanzien van feit 2 en 3:

1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 25 april 2022;

2. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 september 2021 (p. 202-216 van het voorgeleidingsdossier);

3. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 maart 2022 (p. 35-44 pro forma dossier II);

4. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 februari 2022 (p. 45-63 pro forma dossier II);

Aanvullende bewijsoverweging alle feiten (de ten laste gelegde pleegperiode)

De raadsvrouw heeft betoogd dat de ten laste gelegde pleegperiode niet geheel bewezen kan worden en dat enkel een bewezenverklaring kan volgen voor de periode van 19 oktober 2019 tot en met 20 februari 2021.

Bij het bepalen van de periode waarin de feiten zijn gepleegd heeft de rechtbank gekeken naar de periode waarin de encryptie-telefoons van de verdachte bij hem in gebruik zijn geweest. De rechtbank kent in dit verband doorslaggevende betekenis toe aan objectieve informatie over dat gebruik. Die informatie is opgenomen in dossierstuk AMB 2013 (los aan het strafdossier toegevoegd). Daarin staat – uitgaande van de eerste en laatste chat per gebruikt account – het volgende:

[Sky-ID]

Eerste chat 19 oktober 2019

Laatste chat 1 november 2019

[Sky-ID]

Eerste chat 30 januari 2020

Laatste chat 5 juni 2020

[Sky-ID]

Eerste chat 3 juni 2020

Laatste chat 8 maart 2021

Van het account [Sky-ID] kan de rechtbank op basis van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet met voldoende zekerheid vaststellen dat de verdachte ook dit account daadwerkelijk heeft gebruikt. De rechtbank zal dit account dan ook buiten beschouwing laten.

Op basis van de hierboven weergegeven chatgeschiedenis acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode 19 oktober 2019 tot en met 8 maart 2021 gebruikt heeft gemaakt van één of meer accounts. De rechtbank heeft geen enkele reden gevonden om de ten laste gelegde periode te verkorten tot 20 februari 2021, zoals de verdediging heeft bepleit. Het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting bieden hiervoor simpelweg onvoldoende objectief bewijs.

De rechtbank concludeert dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde pleegperiode moet worden verkort, in die zin dat de periode zich beperkt van 19 oktober 2019 tot en met 8 maart 2021.

Aanvullende bewijsoverweging feit 3 (voorbereiding in- en uitvoer van cocaïne)

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting geen bewijs bevatten voor het onder feit 3 bij het eerste en tweede gedachtestreepje ten laste gelegde. Het gaat hier om voorbereidingshandelingen voor internationale in- en uitvoer van harddrugs. De – zeer beperkte hoeveelheid – chats die hierover in het dossier zitten, passen niet in het beeld dat naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier naar voren komt van de verdachte: het voor een oude jeugdvriend bezig houden met het aannemen, opslaan en doorgeven van tasjes met kilo’s cocaïne.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de onder 3 ten laste gelegde eerste twee gedachtestreepjes. De overige gedachtestreepjes acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

5.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij in de periode van 19 oktober 2019 tot en met 8 maart 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere [medeverdachte 1] , geboren op 20 september 1974, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;

2

hij op tijdstippen in de periode van 19 oktober 2019 tot en met 8 maart 2021 in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer (zeer) grote hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij op tijdstippen in de periode van 19 oktober 2019 tot en met 8 maart 2021 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken en vervoeren van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, telkens)een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, te bevorderen, zich en anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, immers heeft verdachte:

- inlichtingen en foto’s van verdovende middelen uitgewisseld met betrekking tot de koop en verkoop van die verdovende middelen en

- transport in verborgen ruimtes geregeld (zgn stashplekken) en

- informatie uitgewisseld over stashplekken om aldaar verdovende middelen op te slaan en

- geld verstrekt en afgeleverd en vervoerd en in ontvangst genomen en betalingen gedaan en laten doen ten behoeve van de aanschaf en verkoop van verdovende middelen en

- berekeningen en aantekeningen met betrekking tot geldbedragen gemaakt en ontmoetingen gehad met en (telefonische) afspraken gemaakt met en besprekingen en onderhandelingen gevoerd met en inlichtingen en aanwijzingen en opdrachten (door)gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om verdovende middelen te kopen en verkopen en in ontvangst te nemen en te vervoeren

en

voorwerpen voorhanden gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, hebbende verdachte en zijn mededader(s)

- één of meerdere PGP-telefoons, althans encryptie-telefoons, voorhanden gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

6 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

7 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8 De strafoplegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de rol van de verdachte in de organisatie, die van beperkte betekenis is geweest. Verder heeft de raadvrouw verzocht er rekening mee te houden dat de verdachte een eigen bedrijf, een gezin en een terminaal zieke vader heeft en first offender is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft gedurende bijna anderhalf jaar deel uitgemaakt van een criminele organisatie die tot doel had grote hoeveelheden cocaïne te verhandelen en daartoe voorbereidingshandelingen te treffen. De verdachte heeft binnen de criminele organisatie de rol gehad van bewaarder en doorgever van zeer grote hoeveelheden cocaïne (zeker meer dan 3000 kilo). Daarnaast heeft hij zich beziggehouden met het in ontvangst nemen van aanzienlijke geldbedragen en met het doen van betalingen. De verdachte kreeg naar eigen zeggen opdracht van zijn oude jeugdvriend die hem in contact bracht met afnemers. De verdachte was daarmee dus een belangrijke schakel in het gehele proces van cocaïnehandel. Daar komt bij dat hij de enige was die beschikte over de sleutel van de kluis waarin de cocaïne werd opgeslagen. De rechtbank dicht de verdachte dan ook een grotere rol toe in de criminele organisatie dan hij zelf heeft willen doen voorkomen. Ten slotte heeft de verdachte deze lucratieve en schadelijke activiteiten gedurende een lange periode uitgevoerd.

Aldus heeft de criminele drugsorganisatie waartoe de verdachte behoorde een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van de handel in harddrugs. Het gebruik van harddrugs is verslavend en is zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar draagt de verdachte met zijn handelen aan bij. Daarnaast gaat er van de georganiseerde drugshandel in aanzienlijke mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Drugs en de handel daarin leiden, direct of indirect, tot ernstige vormen van geweld en criminaliteit en daarmee tot onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 januari 2022 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Voor strafvermeerdering om deze reden bestaat dan ook geen aanleiding.

Ten slotte is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke omstandigheden die – afgewogen tegen de ernst van het bewezen verklaarde – in het voordeel van de verdachte zouden moeten wegen.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar passend en geboden. Het voorarrest zal hiervan worden afgetrokken. Deze straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank op onderdelen – in het bijzonder de in- en uitvoer van drugs – niet tot een bewezenverklaring komt.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10, 10 a, en 10b van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid, vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde, vijfde lid, en/of 11a van de Opiumwet;

ten aanzien van feit 2:

eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich en een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben waarvan wij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,

mr. L.C. Bannink, rechter,

mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 mei 2022.

1 ECLI:NL:RBMNE:2021:4480.

2 ECLI:NL:RBAMS:2021:5678.

3 ECLI:NL:RBROT:2022:2674 (onder hoofdstuk 6).

4 ECLI:NL:RBDHA:2022:3694.