Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:3845

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2022
Datum publicatie
26-04-2022
Zaaknummer
9573891 \ EJ VERZ 21-86374
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werknemer heeft berust in het einde van de arbeidsovereenkomst. Werkgever heeft erkend dat het ontslag op staande voet zonder een dringende reden is geschied. Het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding wordt dan ook toegewezen. Voor het vaststellen van de hoogte van deze vergoeding wordt toepassing gegeven aan de uitgangspunten die de HR heeft geformuleerd in zijn New-Hairstyle beschikking. Ook komt aan de werknemer de transitievergoeding toe, de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW en achterstallig loon ex artikel 7:628a lid 8 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

MZ

Rep.nr.: 9573891 \ EJ VERZ 21-86374

Datum: 23 maart 2022

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. R.G. Verheij,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Biedronki B.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Noordwijkerhout,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M. Bathoorn.

Partijen worden aangeduid als “de werknemer” en “de werkgever”.

1 Het procesverloop

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de werknemer, met producties;

- het verweerschrift van de werkgever, met producties;

- de herziene versie van het verzoekschrift, met producties.

1.2

Op 7 maart 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. Door de gemachtigden van beide partijen is een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft de werknemer nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1

De werkgever exploiteert een Poolse supermarkt welke is gevestigd te [vestigingsplaats] . De werkgever verkoopt originele levensmiddelen en andere producten uit Polen.

2.2

De werknemer, geboren op [geboortedatum] 1989, is op 1 april 2020 in dienst getreden bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijde van zes maanden. Partijen zijn een oproepovereenkomst overeengekomen op basis waarvan de werknemer uitvoering gaf aan de functie van winkelmedewerker.

2.3

Aansluitend aan de tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben partijen een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de duur van een jaar. Deze arbeidsovereenkomst zou eindigen per 31 december 2021.

2.4

Het laatstelijk overeengekomen salaris van de werknemer bedroeg € 11,35 bruto per uur, exclusief 8% vakantietoeslag. Over de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 september 2021 bedraagt het gemiddelde bruto maandsalaris van de werknemer € 1.780,13 per maand, inclusief vakantietoeslag.

2.5

Op 7 oktober 2021 ontving de werknemer van de werkgever een brief per e-mail, welke brief gedateerd is op 6 oktober 2021. In de brief staat dat ‘de werkgever per direct het contract van de werknemer wil ontbinden en dat zij geen werkzaamheden meer hoeft te verrichten’. In de brief is opgenomen dat de reden van het ontslag persoonlijk aan de werknemer door [werkgever] is medegedeeld en toegelicht. Tevens wordt vermeld dat een eindafrekening van het vakantiegeld en eventuele niet genoten vakantiedagen zou plaatsvinden in oktober 2021.

2.6

Bij brief van 25 oktober 2021 heeft de toenmalige gemachtigde van de werknemer de werkgever medegedeeld het niet eens te zijn met de wijze waarop het dienstverband plots tot een einde is gekomen. Daarnaast is de werkgever verzocht om aan al haar wettelijke en contractuele verplichtingen te voldoen tot en met 31 december 2021.

2.7

Op 8 november 2021 ontving de werknemer van de werkgever op haar bankrekening een nettobedrag van € 1.270,16.

2.8

Op 12 november 2021 is de werkgever nogmaals namens de werknemer aangeschreven door de huidige gemachtigde. In die brief is nogmaals medegedeeld dat de werknemer niet heeft ingestemd met een opzegging van haar arbeidsovereenkomst.

2.9

Voorts is in die brief aangegeven dat de werknemer berust in het einde van de arbeidsovereenkomst per 6 oktober 2021. De werknemer maakt aanspraak op de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. Tevens is aangegeven dat de werknemer recht heeft op betaling van haar loon tot 6 oktober 2021 en op een correcte eindafrekening van het dienstverband.

2.10

In reactie op vorenbedoelde brief heeft het administratiekantoor Apollo namens de werkgever laten weten dat de werkgever aan de gedane verzoeken geen gehoor zal geven.

3 Het verzoek

3.1

De werknemer verzoekt – samengevat – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de werkgever te veroordelen aan de werknemer te betalen:

A. € 7.120,52 bruto ter zake van een billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;

B. € 899,75 bruto ter zake van een transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;

C. € 3.258,22 bruto ter zake van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente;

D. € 302,05 bruto ter zake van achterstallig salaris over de periode van 1 tot en met 6 oktober 2021 te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente;

E. € 1.440,32 bruto ter zake van achterstallig loon ex artikel 7:628a lid 8 BW over de maanden april, augustus en september 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente;

F. de werkgever te veroordelen over te gaan tot het opstellen en toesturen aan de werknemer van een correcte eindafrekening ten aanzien van de waarde van het van 1 juni 2021 tot en met 6 oktober 2021 door de werknemer opgebouwde vakantietoeslag en de door haar eveneens tot 6 oktober 2021 opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen, op straffe van een dwangsom;

G. de werkgever te veroordelen tot het uitbetalen van een correcte eindafrekening ten aanzien van de waarde van het van 1 juni 2021 tot en met 6 oktober 2021 door de werknemer opgebouwde vakantietoeslag en de door haar eveneens tot die datum opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen, voor zover betaling nog niet heeft plaatsgevonden op 8 november 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente;

H. de werkgever te veroordelen tot betaling aan de werknemer van de door haar gemaakte advocaatkosten van € 6.000,- inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente;

I. de werkgever te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2

De werkgever verweert zich tegen toewijzing van de billijke vergoeding.

4 De beoordeling

4.1

De werknemer berust in het einde van de arbeidsovereenkomst, zodat tussen partijen vaststaat dat deze op 6 oktober 2021 is geëindigd. De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden is die of aan de werknemer ex artikel 7:681 lid 1 onderdeel a BW een billijke vergoeding moet worden toegekend omdat de werkgever, naar tussen partijen vaststaat, de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW heeft opgezegd. Partijen zijn het er over eens dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zoals door de werkgever gedaan bij e-mail van 7 oktober 2021, is geschied zonder een geldige dringende reden.

4.2

Uit artikel 7:681 lid 1, onder a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Daarmee is tevens invulling gegeven aan het (ook) ingeval van een verzoek op grond van artikel 7:681 lid 1 onderdeel a BW voor een billijke vergoeding vereiste ernstige verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het niet in acht nemen van de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften wordt immers als zodanig al ernstig verwijtbaar geacht. Nu hierboven is overwogen dat geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging, moet het verzoek van de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding dan ook worden toegewezen.

4.3

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De werknemer acht een billijke vergoeding van € 7.120,52 bruto passend. Daarentegen meent de werkgever dat de werknemer aanspraak kan maken op een billijke vergoeding ter hoogte van het salaris over de maand december 2021.

4.4

In zijn beschikking van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187 New Hairstyle) heeft de Hoge Raad een aantal uitgangspunten geformuleerd voor de begroting van de billijke vergoeding. De Hoge Raad overweegt dat de begrotingswijze en omvang van de billijke vergoeding moet aansluiten bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij op de rechter een motiveringsplicht rust. Voorts dient de billijke vergoeding naar haar aard in relatie te staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever en niet tot de gevolgen van het ontslag, maar kan met die gevolgen wel rekening worden gehouden bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding, voor zover deze zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding kan worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen. Daarbij is mede van belang of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, en op welke termijn dit dan had mogen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd. Tot de mee te wegen omstandigheden behoort onder meer de mate waarin de werkgever van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging een verwijt valt te maken. Voorts kan daartoe behoren - voor zover het om in de toekomst te derven loon gaat - of de redenen die de werknemer heeft om af te zien van vernietiging van de opzegging aan de werkgever zijn toe te rekenen. Bij de vaststelling van de billijke vergoeding kan ook ermee rekening worden gehouden of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en met de inkomsten die hij daaruit dan geniet, en met de (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. Bij de vergelijking tussen de situatie zonder de vernietigbare opzegging en de situatie waarin de werknemer zich thans bevindt, dient bovendien de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding te worden betrokken. Voor zover elementen van de vaststelling van de billijke vergoeding zien op de vergoeding van schade van de werknemer, lenen de wettelijke regels van artikel 6:95 e.v. BW zich voor overeenkomstige toepassing. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, maar de billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding kan ermee rekening worden gehouden dat recht bestaat op een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

4.5

Uitgaande van het voorgaande overweegt de kantonrechter bij het vaststellen van de billijke vergoeding het volgende. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst onregelmatig opgezegd en naar het oordeel van de kantonrechter valt die omstandigheid de werkgever toe te rekenen. De werkgever heeft er op gewezen dat zij niet op de hoogte is van het Nederlandse arbeidsrecht, maar de kantonrechter is van oordeel dat het de werkgever ernstig valt te verwijten hoe zij heeft gehandeld. De werkgever dient als goed werkgever op de hoogte te zijn van de opzegbepalingen en hiermee in overeenstemming te handelen. De werkgever diende te weten dat zij de arbeidsovereenkomst zonder geldige dringende reden en zonder de geëigende wegen te bewandelen niet kon beëindigen. De werkgever heeft de werknemer bewust in financiële problemen gebracht door over de maanden oktober, november en december 2021 geen salaris te betalen. Ondanks dat de werkgever inmiddels erkent dat zij de transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding aan de werknemer verschuldigd is, heeft zij tot op heden niets betaald zodat de financiële problemen voor de werknemer voort duren.

De werknemer heeft aangevoerd dat de opzegging plaatsvond in een periode van ziekte en dat zij vanwege haar baan naar [woonplaats verzoeker] is verhuisd. Deze stellingen zijn door de werkgever betwist en door de werknemer onvoldoende onderbouwd zodat de kantonrechter bij het bepalen van de billijke vergoeding daarmee geen rekening houdt.

4.6

De kantonrechter houdt bij de vaststelling van de billijke vergoeding verder rekening met de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst wel tussentijds opzegbaar was. Voorts is van belang dat de arbeidsovereenkomst reeds op 31 december 2021 op rechtmatige wijze zou eindigen en dat de werknemer relatief kort in dienst was bij de werkgever. Verder is van belang dat ervan uitgegaan wordt dat het, zoals de werknemer ter zitting heeft verklaard, mogelijk moet zijn elders snel werk te vinden.

Ook betrekt de kantonrechter de aan de werknemer toekomende transitievergoeding ad € 899,75 en de gefixeerde schadevergoeding van € 3.258,22 bij haar oordeel nu de werkgever tegen toewijzing van deze bedragen geen verweer heeft gevoerd. De kantonrechter zal, uitgaande van het voorgaande, de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 3.560,26 bruto (twee maanden salaris). Hoewel werkgever ernstig valt te verwijten hoe zij heeft gehandeld is het gelet op het vorenstaande niet redelijk werkgever, naast de onregelmatigheidsvergoeding en transitievergoeding, te veroordelen tot een hogere billijke vergoeding.

4.7

Het verzoek van de werknemer tot betaling van € 302,05 aan achterstallig salaris kan als onweersproken worden toegewezen. Aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen is er niet.

4.8

De werkgever heeft niet weersproken dat zij op grond van artikel 7:628a lid 8 BW haar verplichting om een aanbod voor een vaste arbeidsomvang te doen niet is nagekomen. De werknemer heeft dus recht op salaris over de gemiddelde arbeidsomvang over de periode 1 april 2020 tot en met 31 maart 2021. De werknemer heeft berekend dat zij over de maanden april 2021, augustus 2021 en september 2021 € 1.440,32 te weinig salaris heeft ontvangen. De werkgever verweert zich niet tegen die berekening, met dien verstande dat het bedrag volgens haar moet worden verminderd met € 211,87 bruto (maand april 2021). De kantonrechter verwerpt het betoog van de werkgever nu haar stelling niet uit artikel 7:628a lid 5 BW volgt. Het verzoek van de werknemer tot betaling van € 1.440,32 bruto ligt voor toewijzing gereed. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 10%.

4.9

Het verzoek van de werknemer om de werkgever te veroordelen een correcte eindafrekening ten aanzien van de waarde van het van 1 juni 2021 tot en met 6 oktober 2021 door de werknemer opgebouwde vakantietoeslag en de door haar eveneens tot 6 oktober 2021 opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen op te stellen wijst de kantonrechter af. De werkgever heeft onweersproken aangevoerd dat zij op 8 november 2021 een eindbetaling ad € 1.270,16 netto heeft gedaan aan de werknemer. Dit is conform de eindspecificatie zoals destijds naar de werknemer is verstuurd. De eindafrekening ziet op 77,37 verlofuren (meeruren) x € 11,35 (uurloon) en daarnaast de opgebouwde vakantietoeslag.

4.10

Het verzoek van de werknemer tot betaling van de door haar gemaakte advocatenkosten ad € 6.000,- inclusief BTW, wijst de kantonrechter af. Niet gebleken is dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. De door de werknemer gevorderde kosten zien slechts op deze procedure. De werkzaamheden zoals gevorderd dienen te worden geschaard onder de forfaitaire proceskostenregeling, gebaseerd op de artikelen 237-240 Rv.

4.11

De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals gevorderd in de herziene versie van het verzoekschrift, nu daartegen geen verweer is gevoerd.

4.12

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt de werkgever om aan de werknemer te betalen:

€ 3.560,26 bruto ter zake van een billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2022 tot de dag der algehele voldoening;

€ 899,75 bruto ter zake van een transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2021 tot de dag der algehele voldoening;

€ 3.258,22 bruto ter zake van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2022 tot de dag der algehele voldoening;

€ 302,05 bruto ter zake van achterstallig salaris over de periode van 1 tot en met 6 oktober 2021 te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over beide bedragen vanaf 1 november 2021 tot de dag der algehele voldoening;

€ 1.440,32 bruto ter zake van achterstallig loon ex artikel 7:628a lid 8 BW over de maanden april, augustus en september 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente over beide bedragen vanaf 24 februari 2022 tot de dag der algehele voldoening;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G.M.A. van Zaltbommel-Uittenbogaard en uitgesproken ter openbare zitting van 23 maart 2022.