Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:3336

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2022
Datum publicatie
12-04-2022
Zaaknummer
09/211358-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor twee verkrachtingen, een aanranding, twee diefstallen, een diefstal met geweld en diefstal met een valse sleutel. Oplegging van een gevangenisstraf van 2 jaren en een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/211358-21 en 09/837346-18 (tul)

Datum uitspraak: 12 april 2022

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in [locatie 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 november 2021, 8 februari 2022 (telkens pro forma) en 29 maart 2022 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.F. Heslinga en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.D.A. Stam naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 29 maart 2022 - ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 3 augustus 2021 te Zoetermeer door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten

- achter [slachtoffer 1] aan te lopen,

- [slachtoffer 1] bij haar bovenarmen vast te pakken en/of vast te houden,

- onverhoeds de borsten van [slachtoffer 1] te betasten en/of vast te pakken,

- over de kleding de vagina van [slachtoffer 1] te betasten,

- de knoop en/of rits van de broek van [slachtoffer 1] los te maken,

- met zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van [slachtoffer 1] te gaan,

- de broek en/of onderbroek van [slachtoffer 1] naar beneden te trekken en/of

- met zijn hand heen en weer bij de clitoris en schaamlippen te gaan

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] te weten:

- duwen, bewegen en/of brengen van zijn vinger(s) en/of hand in de vagina, tussen de schaamlippen en/of bij de clitoris van [slachtoffer 1]

- het betasten en/of vasthouden van de borsten van [slachtoffer 1] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 augustus 2021 te Zoetermeer, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten:

- achter [slachtoffer 1] aan te lopen,

- [slachtoffer 1] bij haar bovenarmen vast te pakken en/of vast te houden,

- onverhoeds de borsten van [slachtoffer 1] te betasten en/of vast te pakken,

- over de kleding de vagina van [slachtoffer 1] te betasten,

- de knoop en/of rits van de broek van [slachtoffer 1] los te maken,

- met zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van [slachtoffer 1] te gaan,

- de broek en/of onderbroek van [slachtoffer 1] naar beneden te trekken en/of

- met zijn hand heen en weer bij de clitoris en schaamlippen te gaan

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten en/of vastpakken van de borsten en/of het betasten van de vagina (schaamlippen en/of clitoris) van [slachtoffer 1] ;

2

hij op of omstreeks 3 augustus 2021 te Zoetermeer een schoudertas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door achter [slachtoffer 1] aan te lopen en/of [slachtoffer 1] vast te pakken bij haar (boven)armen en/of de knoop en/of rits van de broek van [slachtoffer 1] los te en/of [slachtoffer 1] te dwingen onverhoeds seksuele handelingen te ondergaan;

3

hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Zoetermeer door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten

- [slachtoffer 2] hardhandig bij haar arm en/of keel te pakken

- het valselijk, nadat voornoemde [slachtoffer 2] gezegd had dat zij geen seks wilde en terwijl hij dit geld niet had, tegen [slachtoffer 2] zeggen dat hij haar zou betalen voor seksuele handelingen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking

- het voor [slachtoffer 2] zichtbaar dragen van een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, in zijn, verdachtes, broeksband en/of

- te zeggen dat hij hem er ook nog in wilde steken [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2] , te weten

- duwen, bewegen en/of brengen van zijn vinger(s) en/of vuist in de vagina en/of anus van [slachtoffer 2] ;

4

hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Zoetermeer een geldbedrag van 20 euro en/of een busje (markeer)spray, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door [slachtoffer 2] hardhandig bij haar arm en/of keel vast te pakken en/of door zichtbaar voor [slachtoffer 2] een mes, althans op een mes gelijkend voorwerp, in zijn, verdachtes, broeksband te dragen;

5

hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Zoetermeer, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door

- meerdere malen tegen [slachtoffer 3] te zeggen dat hij seks met haar wilde,

- onverhoeds een arm om het (boven)lichaam van [slachtoffer 3] te slaan en/of

- ( vervolgens) met zijn hand de billen van [slachtoffer 3] te betasten, [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van haar billen;

6

hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Zoetermeer een (rug)tas met daarin een telefoon (Samsung, type A71), twee sleutels, een portemonnee met bankpas(sen), bioscoopkaart en/of persoonlijke [sportschool] pas en/of een id-kaart, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld

tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door bij [slachtoffer 3] een rode vloeistof in het gezicht te sprayen/spuiten en/of [slachtoffer 3] te duwen waardoor zij ten val is gekomen;

7

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2021 tot en met 6 augustus 2021 te ’s-Gravenhage een of meerdere geldbedragen (van in totaal 89.89 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de pinpas van [slachtoffer 3] , door meermalen, althans eenmaal met de voornoemde pinpas in diverse winkels en/of automaten transacties te verrichten terwijl hij, verdachte, niet tot het gebruik van die pinpas gerechtigd was.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, waarbij ten aanzien van feit 1 het primair tenlastegelegde bewezen dient te worden verklaard. Indien en voor zover relevant, zal hieronder nader op het betoog van de officier van justitie worden ingegaan.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 1 primair, feit 3, feit 4 en feit 5 ten laste is gelegd. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman verzocht om partiële vrijspraak voor diefstal met geweld. Hij heeft zich met betrekking tot het onder feit 1 subsidiair, feit 6 en feit 7 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Indien en voor zover relevant zal hieronder nader op het betoog van de raadsman worden ingegaan.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer MAYON DHRBC21014 PL1500-2021229284 Z, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer-Leidschendam/Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 397).

3.3.1.

Verkrachting [slachtoffer 1] (feit 1 primair)

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , opgemaakt op 6 augustus 2021, voor zover inhoudende (p. 57 en 58):


Pleegdatum/tijd: 3 augustus 2021, tussen 04:50 uur en 5:20 uur.

Ik ging altijd lopend naar m’n werk toe. Ik had geslapen in Zoetermeer. Ik liep langs [locatie 2] . Daar is het gebeurd. Ik merkte dat iemand achter mij liep. Die meneer pakte mij vast aan mijn bovenarmen. Hij hield mij de hele tijd vast. Ik heb hem vastgepakt bij zijn beide armen en geprobeerd mij los te trekken. Dat ging niet. Hij bleef mij vasthouden met allebei zijn handen. Hij heeft mij ook aan mijn borst vastgepakt. Ik probeerde hem weg te duwen, maar hij had mij nog steeds vast. Hij heeft ook met zijn hand bij mijn vagina gezeten, ik had mijn kleren nog aan. Hij heeft zelf de knoop en rits van mijn spijkerbroek open gemaakt, zonder dat aan mij te vragen. Op zijn eigen initiatief is hij met zijn hand naar mijn vagina gegaan. Hij ging met zijn hand naar mijn vagina in mijn onderbroek. Uiteindelijk heeft hij ook mijn onderbroek en spijkerbroek naar beneden getrokken. Zijn hand ging heen en weer bij de clitoris en bij de lippen. Hij zat op mijn schaamlippen. Mijn broek zat toen denk ik nog normaal en hij heeft hem daarna naar beneden gedaan.

2. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] , opgemaakt op 23 oktober 2021, voor zover inhoudende (p. 332):

V: Je verklaarde eerder dat de hand van de man ook heen en weer ging bij de lippen. Wat bedoel je daarmee?

A: Ik bedoel daarmee mijn schaamlippen.

V: Je verklaarde eerder dat de man met zijn hand op je schaamlippen zat.

Wat bedoel je met op je schaamlippen?

A: Daar tussen.

V: Je hebt twee schaamlippen, je zegt de hand van de man ging heen en weer. Hoe gaat dat heen en weer dan?

A: Hij ging met zijn vingers tussen de ene en de andere schaamlip en daarna naar mijn clitoris.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 maart 2022, voor zover inhoudende:

Ik heb haar bij haar arm vastgepakt. Haar borst heb ik wel aangeraakt. Het klopt ook dat ik met mijn hand bij haar vagina zat. Ik heb het aangeraakt. Ik heb de rits opengemaakt. Ik zat wel in haar onderbroek. Ik heb mijn hand wel op de blote huid gehad.

4. Het deskundigenverslag, op 27 september 2021 opgemaakt en ondertekend door dr. M. Hidding, deskundige op het gebied van Humaan DNA Analyse en Interpretatie, voor zover inhoudende (p. 330 en 331):

De bemonsteringen ‘Buitenste schaamlippen’ ZAAD0171NL#01, ‘Binnenste schaamlippen’ ZAAD0171NL#02 en het referentiemateriaal van [verdachte] RABN1186NL, geboren op [geboortedag] 2001, SKN 9848938 dienen te worden onderworpen aan vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek.

Tabel 1 Resultaat van het Y-chromosomale DNA-onderzoek

Bemonstering

Y-chromosomaal DNA-profiel

Mogelijke donor van mannelijk celmateriaal

Buitenste schaamlippen ZAAD0171NL#01

Y-chromosomaal DNA-profiel

[verdachte] kan donor zijn.

Zie 4. Berekening bewijskracht donorschap

Binnenste schaamlippen ZAAD0171NL#02

Y-chromosomaal DNA-profiel

[verdachte] kan donor zijn.

Zie 4. Berekening bewijskracht donorschap

Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van [verdachte] of een andere man in de mannelijke lijn van verdachte.

Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van een willekeurige niet verwante man.

De resultaten van het onderzoek zijn meer dan 1 miljoen keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, aangezien niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij het lichaam van de aangeefster is binnengedrongen. Volgens de raadsman kan op grond van het bewijs in het dossier immers niet bewezen worden dat de verdachte de schaamlippen van de aangeefster heeft gepasseerd, wat vereist is voor een bewezenverklaring van verkrachting.

De rechtbank is van oordeel dat het gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebruikte bewijsmiddelen. De aangeefster heeft onder meer verklaard dat de verdachte heen en weer ging bij de clitoris en bij de schaamlippen. Wanneer in een later verhoor aan haar wordt gevraagd wat ze bedoelt met ‘op je schaamlippen’ dan verklaart zij: “daar tussen.” Als aan haar vervolgens wordt gevraagd wat ze bedoelt met ‘heen en waar bij de clitoris en de lippen’ dan verklaart zij: “Hij ging met zijn vingers tussen de ene en de andere schaamlip en daarna naar mijn clitoris.” De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen van de aangeefster te twijfelen. Dat de aangeefster in het meldkamergesprek zelf de term aanranding gebruikt, maakt niet dat geen sprake kan zijn van verkrachting in juridische zin. Dat zij in haar aangifte heeft verklaard dat hij niet in haar vagina is geweest, wil niet zeggen dat zij daarmee heeft bedoeld dat de verdachte niet tussen haar schaamlippen is geweest. De vragen die de verbalisant later ter verduidelijking aan de aangeefster heeft gesteld, zijn open vragen en de aangeefster heeft duidelijke antwoorden gegeven. De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar. Daarnaast wordt de verklaring van de aangeefster ondersteund door de resultaten van het van het Y-chromosomale DNA-onderzoek. Hieruit blijkt dat er DNA van de verdachte is aangetroffen op de binnenste schaamlippen van de aangeefster.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met zijn vingers tussen de schaamlippen van de aangeefster is geweest. Omdat uit het arrest van de Hoge raad van 18 mei 2010 volgt dat reeds het wrijven tussen de schaamlippen gekwalificeerd wordt als het seksueel binnendringen van het lichaam, als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

3.3.2.

Diefstal van [slachtoffer 1] (feit 2)

Opgave bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor feit 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen algehele vrijspraak bepleit.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 maart 2022;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , opgemaakt op 6 augustus 2022 (p. 57 t/m 59).

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een schoudertas die aan de aangeefster toebehoorde.

De rechtbank is van oordeel dat deze diefstal niet kan worden gekwalificeerd als diefstal met geweld. Voor een bewezenverklaring van diefstal met geweld is noodzakelijk dat het geweld is gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken of de vlucht na de diefstal mogelijk te maken. Hiervoor is niet voldoende dat er geweld is gebruikt en dat er iets is gestolen. Er moet een vergaand verband bestaan tussen de diefstal en het geweld; het geweld moet in dienst staan van de diefstal. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet dat de verdachte de seksuele handelingen heeft gepleegd met het doel om de schoudertas van de aangeefster te stelen. Dat de verdachte na het plegen van de seksuele handelingen bij de aangeefster haar schoudertas heeft meegenomen, ziet de rechtbank als het gebruik maken van de gelegenheid en niet als het plegen van geweld met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken of vlucht na de diefstal mogelijk te maken. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel vrijspreken.

3.3.3.

Verkrachting van [slachtoffer 2] (feit 3)

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, opgemaakt op 5 augustus 2021, voor zover inhoudende (p. 111):

Informatief gesprek met: [slachtoffer 2]

Ze liep op 5 augustus 2021 omstreeks 01:45 uur in Centrum West in Zoetermeer. Op een gegeven moment kwam ze een jongen tegen. Die werd agressief en hardhandig. Zij moest zich uitkleden. Hij werd steeds agressiever en pakte hardhandig haar arm beet en kneep haar keel dicht. Zij had de rits van haar broek opengedaan. Hij heeft haar met zijn hand gevingerd. Hij deed dit zo hard, dat dit haar veel pijn deed. Hij wilde hem er ook nog insteken. Zij wilde dit echt niet.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 augustus 2021, voor zover inhoudende (p. 122):


Ik beluisterde de geluidsopname van de 112-melding die gedaan werd door slachtoffer [slachtoffer 2] . Ik hoorde het volgende:

[slachtoffer 2] : Het probleem is meneer. Ik ben net verkracht. Door een jongen.

[slachtoffer 2] begint hard te gillen

Centralist: Wat is er aan de hand?

[slachtoffer 2] gilt weer hard en begint te huilen.

Centralist: Mevrouw, wat gebeurt er?

[slachtoffer 2] (schreeuwend): Hij heeft me geslagen! Schiet op!

Centralist: Wat zegt u?

[slachtoffer 2] (schreeuwend Hij heeft me geslagen! Hij kwam terug! Au!

en huilend):

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 maart 2022, voor zover inhoudende:

Het gaat over Centrum West. Ik heb haar gevingerd.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 5 augustus 2022 in Zoetermeer de aangeefster [slachtoffer 2] heeft gevingerd. De lezingen van de aangeefster en de verdachte over de omstandigheden, waaronder dit seksuele contact heeft plaatsgevonden, lopen echter uiteen. De aangeefster heeft verklaard dat zij een jongen tegenkwam die agressief en hardhandig was. Hij greep haar bij de arm en hij kneep haar keel dicht. Zij moest zich uitkleden, waarna de verdachte haar heeft gevingerd. De seksuele handelingen hebben tegen haar wil plaatsgevonden. De verdachte heeft daarentegen verklaard dat de seksuele handelingen met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden. Hij zou met de aangeefster hebben afgesproken dat hij daar tien euro voor zou betalen. Dat hij die tien euro uiteindelijk niet heeft gegeven, maakt volgens hem niet dat de seksuele handelingen tegen de wil van de aangeefster hebben plaatsgevonden. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster wisselend en onbetrouwbaar zijn, dat de verklaringen van de verdachte niet kunnen worden uitgesloten en dat daarnaast steunbewijs voor het aannemen van de vereiste dwang ontbreekt.

De rechtbank zal uitgaan van de verklaring van de aangeefster. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De verschillende door [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen ten aanzien van het feit komen in de kern telkens op hetzelfde neer. Zowel tegenover de zedenrechercheur, haar ambulant begeleider als de ter plaatse gekomen verbalisant heeft zij het over een man die zij is tegengekomen, die haar heeft vastgepakt en die haar vervolgens gevingerd heeft. Bij de centralist van de meldkamer geeft zij aan dat zij verkracht en geslagen is. Ook is in het meldkamergesprek te horen dat zij op het moment dat zij de melding doet erg overstuur is en pijn heeft. Dat er in het dossier aanwijzingen naar voren komen dat zij mogelijk onder invloed en/of verward was, maakt nog niet niet dat haar verklaringen daardoor onwaarachtig of onjuist zouden zijn.

Hiernaast overweegt de rechtbank dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs (in de vorm van zogenaamd schakelbewijs) onder omstandigheden is toegelaten. Voor een bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte.

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat de verdachte bij zowel het hiervoor besproken feit 1 als bij het onderhavige feit betrokken was. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verklaring van [slachtoffer 2] op essentiële punten belangrijke overeenkomsten en kenmerkende gelijkenissen vertoont met de verklaring van [slachtoffer 1] . In de eerste plaats gaat het in beide gevallen om willekeurige vrouwen die op een openbare plek en in de nachtelijke uren door de verdachte zijn benaderd. Hij was daarbij agressief en hij greep de slachtoffers onverhoeds vast. Daarna zijn de broek en onderbroek van de slachtoffers naar beneden gegaan, waarna de verdachte hen is gaan vingeren. Deze incidenten hebben plaatsgevonden in een kort tijdsbestek, namelijk op 3 en 5 augustus 2021. Daarnaast heeft de verdachte in beide gevallen na het plegen van de seksuele handelingen de vrouwen beroofd. De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan feit 1, in samenhang met de feiten 2 en 4, kunnen dienen als schakelbewijs voor feit 3. Het handelen van de verdachte komt bij deze afzonderlijke feiten sterk met elkaar overeen.

Op basis van de voorgaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het aan de verdachte ten laste gelegde feit, waarbij zij de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 als zogenoemd schakelbewijs zal gebruiken.

3.3.4.

Diefstal [slachtoffer 2] (feit 4)

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, opgemaakt op 5 augustus 2021, voor zover inhoudende (p. 111):

Informatief gesprek met: [slachtoffer 2]

Ze liep op 5 augustus 2021 omstreeks 01:45 uur in Centrum West in Zoetermeer. Op een gegeven moment kwam ze een jongen tegen. Die werd agressief en hardhandig. Ze wilde haar pepperspray uit haar rechterjaszak pakken om zichzelf te

verdedigen. Het lukte haar niet om hem in zijn gezicht te sprayen. Ze had 20 euro in haar rechterborstzak zitten. Haar rits stond open en hij pakte die 20 euro eruit.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 augustus 2021, voor zover inhoudende (p. 114):


De woning van de [verdachte] werd doorzocht en in de woning werd een busje met verfspray aangetroffen. Het busje verfspray werd vervolgens in beslag genomen. Wij zijn naar de woning van [slachtoffer 2] gegaan en toonden aan haar meerdere foto's met daarop het in beslag genomen busje verfspray. Bij de eerste foto hoorden wij [slachtoffer 2] roepen: “Dat is mijn busje!”

V: Wanneer is dat gebeurd?

A: Toen hij mijn 20 euro gejat heeft. Ik heb mijn busje spray altijd in mijn zak zitten. Ik wilde hem dus sprayen en toen draaide hij mijn arm om en pakte het busje uit mijn hand.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 maart 2022, voor zover inhoudende:


Ik heb de rode spray gestolen. Ik heb de spray afgepakt. Ik heb het mee naar huis genomen.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een geldbedrag van 20 euro en een busje markeerspray die aan de aangeefster toebehoorden.

De rechtbank is van oordeel dat deze diefstal niet kan worden gekwalificeerd als diefstal met geweld. Voor een bewezenverklaring is noodzakelijk dat het geweld is gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken of de vlucht na de diefstal mogelijk te maken. Hiervoor is niet voldoende dat er geweld is gebruikt en dat er iets is gestolen. Er moet een vergaand verband bestaan tussen de diefstal en het geweld, het geweld moet in dienst staan van de diefstal. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet dat de verdachte de seksuele handelingen heeft gepleegd met het doel om het geldbedrag van 20 euro en de markeerspray te stelen. Dat de verdachte na het plegen van de seksuele handelingen bij de aangeefster deze goederen heeft meegenomen, ziet de rechtbank als het gebruik maken van de gelegenheid en niet als het plegen van geweld met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken of vlucht na de diefstal mogelijk te maken.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte de markeerspray uit nood van de aangeefster heeft afgepakt. De aangeefster wilde deze spray tegen de verdachte als wapen gebruiken en de verdachte wilde zichzelf hiertegen verdedigen. Daarmee had de verdachte de markeerspray niet wederrechtelijk onder zich, waardoor het feit dat hij de spray uiteindelijk heeft gehouden een verduistering oplevert.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt. De rechtbank gaat uit van de verklaring van de aangeefster dat de verdachte tegen haar wil seksuele handelingen bij haar heeft gepleegd, zoals hiervoor onder 3.3. overwogen. De aangeefster mocht zich hiertegen verdedigen. Dat maakt dat er van een noodweersituatie aan de zijde van de verdachte geen sprake was. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte de markeerspray wederrechtelijk heeft weggenomen en ook wederrechtelijk onder zich had.

3.3.5.

Aanranding van [slachtoffer 3] (feit 5)

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , opgemaakt op 7 augustus 2021, voor zover inhoudende (p. 155):


Op 5 augustus 2021 kwam ik aan in Zoetermeer. Ik werd van achter benaderd door een voor mij onbekende jongen. Hij tikte op mijn schouder en vroeg mij om een sigaret. Ik heb hem die sigaret gegeven en ben samen met hem op een bankje gaan zitten. Hij heeft aangegeven dat hij mij lekker vond en dat hij seks met mij wilde. Ik heb op enig moment dus aangegeven dat ik weg moest, omdat ik om 23:00 uur thuis moest zijn. Op dat moment werd de jongen ook handtastelijk. Zo sloeg hij een arm om mij heen. Toen ik opstond van het bankje legde de jongen zijn hand op mijn billen. Ik gaf aan dat ik dat echt niet wilde en ik heb hem met mijn elleboog weggeduwd.

2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , opgemaakt op 6 augustus 2021, voor zover inhoudende (p. 163):

Hij zei ik vind je lekker, ik wil seks met jou. Ik zei dat ik dat niet wilde. Hierna vroeg de man een sigaret en die gaf ik. Ik zei dat ik om 23:00 uur thuis moest zijn en weg moest. Toen ik weg wilde gaan en opstond, sloeg hij een arm om mij heen. Hij deed zijn hele arm om mijn schouder heen. Ik gaf hem een klein duwtje en ik zei dat hij niet aan mij moest zitten. Toen hij zijn arm weghaalde raakte hij mijn kont aan. Hij raakte mijn kont aan met zijn vlakke hand.

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 11 augustus 2021, voor zover inhoudende (p. 215):

V: We gaan even terug naar donderdag 5 augustus 2021. Je vertelde de vorige keer dat je in de avond op een bankje in het park hebt gezeten met een meisje. Waar was dit parkje precies?

A: In het midden van [locatie 3] . Bij een bankje.

V: Hoe heb je contact gelegd met dit meisje?

A: Gewoon ik was van plan om een jonko te roken. Dat meisje liep en toen zei ik dat ik wiet ging roken, en toen ging zij dat ook doen, en toen gingen we zitten en chillen op het bankje.

V: Wat heb je bij het meisje gedaan behalve praten met elkaar?

A: Toen ze wegging zei ze dat. Toen ging ze opstaan. Toen heb ik haar contact gemaakt met haar billen.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit, waartoe is aangevoerd dat het de vraag is of de handeling van de verdachte, het leggen van zijn hand op de bil van de aangeefster, te kwalificeren is als een ontuchtige handeling.

De rechtbank overweegt als volgt. Van een ontuchtige handeling is sprake als het gaat om een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm. Of een handeling als zodanig kan worden aangemerkt, hangt onder meer af van de omstandigheden van het geval, zoals de context en de verhouding tussen betrokkenen en de wijze van aanraking. De verdachte heeft onverhoeds de billen van de aangeefster betast, door zijn hand op haar billen te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een aanraking die naar de uiterlijke verschijningsvorm een seksueel karakter heeft en in de onderhavige situatie in strijd was met de sociaal-ethische norm. De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte en de aangeefster elkaar nog maar een zeer korte tijd kenden. De verdachte heeft tegen de aangeefster gezegd dat hij seks met haar wilde. Zij heeft daarop geantwoord dat zij dat niet wilde. Vervolgens heeft de verdachte zijn arm om de schouder van de aangeefster gelegd. Hierop zei de aangeefster dat hij niet aan haar moest zitten en gaf zij hem een klein duwtje. Omdat de aangeefster al bij de eerste aanraking kenbaar had gemaakt dat zij niet gediend was van het fysieke contact, zou de verdachte alleen daarom al moeten hebben geweten dat zij niet wilde dat hij haar billen zou betasten. De rechtbank acht op grond van het voorgaande het ontuchtige karakter van deze handelingen van de verdachte bewezen.

3.3.6.

Diefstal met geweldpleging van [slachtoffer 3] (feit 6)

Opgave bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor feit 6 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 maart 2022;

2. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , opgemaakt op 7 augustus 2022 (p. 155 en 156).

3.3.7.

Diefstal met valse sleutel (feit 7)

Opgave bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor feit 7 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 maart 2022;

2. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , opgemaakt op 7 augustus 2022 (p. 155 en 156);

3. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , opgemaakt op 6 augustus 2022 (p. 164).

3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 3 augustus 2021 te Zoetermeer door geweld en een andere feitelijkheid, te weten

- achter [slachtoffer 1] aan te lopen

- [slachtoffer 1] bij haar bovenarmen vast te pakken en vast te houden

- onverhoeds de borst van [slachtoffer 1] te betasten en vast te pakken

- over de kleding de vagina van [slachtoffer 1] te betasten

- de knoop en rits van de broek van [slachtoffer 1] los te maken

- met zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van [slachtoffer 1] te gaan

- de broek en onderbroek van [slachtoffer 1] naar beneden te trekken en

- met zijn hand heen en weer bij de clitoris en schaamlippen te gaan

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] te weten:

- bewegen en brengen van zijn vingers tussen de schaamlippen en bij de clitoris van [slachtoffer 1]

- het betasten en vasthouden van de borst van [slachtoffer 1] ;

2

hij op 3 augustus 2021 te Zoetermeer een schoudertas die aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3

hij op 5 augustus 2021 te Zoetermeer door geweld, te weten

- [slachtoffer 2] hardhandig bij haar arm en keel te pakken

- te zeggen dat hij hem er ook nog in wilde steken

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2] , te weten

- duwen, bewegen en brengen van zijn vingers in de vagina van [slachtoffer 2] ;

4

hij op 5 augustus 2021 te Zoetermeer een geldbedrag van 20 euro en een busje markeerspray die aan [slachtoffer 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

5

hij op 5 augustus 2021 te Zoetermeer, door geweld en een andere feitelijkheid, te weten door

- meerdere malen tegen [slachtoffer 3] te zeggen dat hij seks met haar wilde

- onverhoeds een arm om het bovenlichaam van [slachtoffer 3] te slaan en

- vervolgens met zijn hand de billen van [slachtoffer 3] te betasten

[slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het betasten van haar billen;

6

hij op 5 augustus 2021 te Zoetermeer een rugtas met daarin een telefoon (Samsung, type A71), twee sleutels, een portemonnee met bankpas, bioscoopkaart en persoonlijke pas van [sportschool] , die geheel aan [slachtoffer 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeldvan geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door bij [slachtoffer 3] een rode vloeistof in het gezicht te spuiten en [slachtoffer 3] te duwen waardoor zij ten val is gekomen;

7

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 5 augustus 2021 tot en met 6 augustus 2021 te ’s-Gravenhage meerdere geldbedragen, van in totaal 89.89 euro, die aan [slachtoffer 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de pinpas van [slachtoffer 3] , door meermalen met de voornoemde pinpas in diverse winkels en automaten transacties te verrichten terwijl hij, verdachte, niet tot het gebruik van die pinpas gerechtigd was.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS en de TBS-maatregel) met een bevel tot verpleging van overheidswege in ongemaximeerde vorm en daarbij een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), op te leggen.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de verminderde mate van toerekeningvatbaarheid van de verdachte, zoals de rapporteurs hebben aangenomen en om dit door te laten wegen bij de bepaling van de hoogte van de eventueel op te leggen straf. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om de TBS-maatregel met voorwaarden op te leggen. De verdachte heeft aangegeven hieraan mee te willen werken. Dit komt ook in de Pro Justitia rapportages en het reclasseringsadvies van Fivoor naar voren.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om niet tot een eindoordeel te komen, maar een tussenvonnis te wijzen, zodat er nader onderzoek kan worden gedaan naar de vraag of TBS met dwangverpleging noodzakelijk is. Het is de vraag of de problemen bij de verdachte van tijdelijke aard waren, of die kunnen worden opgelost met een verbod op het gebruik van middelen en of dat het een veel meer structureel karakter heeft.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Algemene overwegingen omtrent de aard en ernst van de feiten

De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan verkrachting en eenmaal aan aanranding. Daarnaast heeft de verdachte zich - ten aanzien van dezelfde drie slachtoffers - schuldig gemaakt aan vier diefstallen, waarvan één diefstal werd vergezeld van geweld en bij één diefstal de weggenomen geldbedragen onder zijn bereik zijn gebracht door middel van een valse sleutel. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en heeft hij hen, zoals blijkt uit de verklaringen van de aangeefsters en de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1], angst en schrik aangejaagd. Ook heeft de verdachte met zijn handelen aangetoond geen enkel respect te hebben voor andermans goederen en eigendommen. De verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen behoeftes en zijn eigen financiële gewin. Hij heeft geen rekening gehouden met de gevoelens van de slachtoffers. Het gaat om ernstige strafbare feiten, die behalve voor de slachtoffers, ook in zijn algemeenheid gevoelens van onveiligheid in de betreffende omgeving veroorzaken.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2022, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren vier keer eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, voornamelijk voor diefstallen, en dat hij in een proeftijd liep.

Gedragskundige rapportages

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro-Justitia rapporten van D. van der Meer (psychiater) d.d. 17 maart 2022 en van A. Bruidegom en R.A.R. Bullens (psychologen) d.d. 14 maart 2022 en van het milieuonderzoek van W. de Kruijf.

Stoornissen en toerekenbaarheid

Uit het rapport van psychiater Van der Meer blijk dat er bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis en (mogelijk in mindere mate) van alcohol. Volgens de psychiater waren deze stoornissen aanwezig en beïnvloedden deze de gedragskeuzes en de gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Volgens de psychiater is het zeer aannemelijk dat de vastgestelde stoornissen van de verdachte (deels) hebben doorgewerkt in de ten laste gelegde feiten. Dit gezien het feit dat deze zonder behandeling een chronisch beloop kennen. Het is aannemelijk dat de verdachte als gevolg van zijn beperkte gewetensfunctie, gebrekkige empathische vermogens en zucht naar cannabis heeft gehandeld. Zijn delictgedrag is daarmee (deels) verklaarbaar vanuit de geconstateerde pathologie. De psychiater heeft geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Psychologen Bruidegom en Bullens delen de conclusies en het advies uit het rapport van de psychiater. Ook de psychologen hebben geconcludeerd dat er ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde ziekelijk stoornissen aanwezig waren die de gedragskeuzes en de gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde hebben beïnvloed. Er is

sprake van een gebrek aan reflectief en mentaliserend vermogen, tenminste gedeeltelijk voortkomend uit een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling; hij staat niet stil bij zijn eigen gevoel, maar al helemaal niet bij dat van anderen. Hij maakt moeilijk onderscheid tussen zichzelf en de ander en hij dicht hierdoor eigen gevoelens en gedachten aan anderen toe. Hierdoor is hij niet in staat tot een correcte inschatting van de gevolgen van zijn gedrag.

Het gebruik van cannabis is zowel een bron van, als een motief voor grensoverschrijdend gedrag; het maakt hem - bij gebruik - impulsiever en ontremd, en de verslaving dwingt hem op zoek te gaan naar nieuwe toevoer. Alcohol speelt in de pleegperiode ook een rol, maar het blijft onduidelijk of dit van invloed is geweest ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Ook de psychologen adviseren de ten laste gelegde feiten – indien bewezen – in een verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de psychiater en psycholoog met betrekking tot de toerekenbaarheid gedragen worden door hun bevindingen. De rechtbank neemt deze conclusies over en legt die mede ten grondslag aan haar oordeel dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Advies omtrent een op te leggen maatregel

In voornoemde Pro Justitia-rapporten concluderen de rapporteurs dat het risico op recidive in een geweldsdelict hoog is. De verdachte wees diagnostiek en behandeling af, hij onttrok zich aan begeleiding en kon zich niet onthouden van alcohol en cannabis. Mede als gevolg van zijn stoornissen schiet zijn coping structureel tekort. Hij is onvoldoende in staat problemen adequaat te hanteren en is ook niet toegerust om passende hulp en behandeling toe te staan. Verder complicerend is dat de verdachte nauwelijks probleembesef toont en geen inzicht in zijn problematiek heeft. Deze inschatting wordt ondersteund door de resultaten van de risicotaxatie-instrumenten. De verdachte scoort hoog op een groot aantal risicofactoren terwijl er zeer weinig beschermende factoren zijn.

Bij een bewezenverklaring adviseren de rapporteurs dan ook de behandeling van de verdachte binnen het kader van een TBS-maatregel met dwangverpleging te laten plaatsvinden. Een intensieve klinische behandeling is aangewezen voor het verkleinen van het recidiverisico. Daarvoor zal naar verwachting langere tijd nodig zijn. Deze behandeling moet gericht zijn op de gecombineerde problematiek van de verdachte, te weten de verslaving en de persoonlijkheidsstoornis. Een zeer gespecialiseerde behandeling die in een dwingend kader moet plaatsvinden, is daarom noodzakelijk, omdat de verdachte vanwege een ontbrekend probleem- en ziektebesef behandeling afwijst en in het verleden bewezen heeft zich niet aan voorwaarden en/of afspraken te willen en/of kunnen houden.

Een TBS-maatregel met voorwaarden is volgens de rapporteurs niet aangewezen, omdat de verdachte zich niet aan voorwaarden zal kunnen houden, als hij daarmee al zou instemmen, en dan dus niet zal profiteren van de behandeling. Bovendien zou dan alsnog een dwangkader volgen. Het risico op omzetting naar dwang wordt door de psychiater in dat geval ingeschat als hoog.

Reclasseringsrapport

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor d.d. 24 maart 2022. De reclassering heeft geconcludeerd dat er een aantal aanwezige criminogene factoren bij de verdachte is, te weten het cannabisgebruik, financiën, de relatie met zijn familie die de laatste tijd moeizaam verliep, huisvesting, zijn houding en het psychosociaal functioneren. Het ontbreekt de verdachte thans aan beschermende factoren.

Ook de reclassering heeft negatief geadviseerd over TBS met voorwaarden. De reclassering ziet onvoldoende mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. Gezien de bij de verdachte aanwezige problematiek is de verwachting dat hij niet in staat zal zijn zich aan voorwaarden te kunnen houden.

De reclassering heeft daarnaast geadviseerd om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, ex artikel 38z Sr, op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de terbeschikkingstelling.

Eindoordeel omtrent de op te leggen maatregel

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarde voor het opleggen van TBS en dat de bewezen verklaarde feiten 1, 3 en 5 tot en met 7 misdrijven zijn, zoals genoemd in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, namelijk misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts bestond tijdens het begaan van die feiten bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. Daartoe is redengevend hetgeen blijkt uit voornoemde rapportages van de psychiater, de psychologen en de reclassering omtrent de problematiek van de verdachte. Het is daarom onverantwoord om de verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. In het licht van het voornoemde concludeert de rechtbank dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen vereist dat aan de verdachte de tbs-maatregel wordt opgelegd.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten. Omdat blijkens de rapportages het voor de verdachte vanwege zijn stoornis onmogelijk is om zich aan voorwaarden te kunnen houden, zal de rechtbank tevens bevelen dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De rechtbank ziet dus geen aanleiding om nader onderzoek te laten doen naar de vraag of TBS met dwangverpleging noodzakelijk is, zoals de verdediging heeft bepleit. De conclusies van de rapporteurs komen met elkaar overeen en de daartoe gedane overwegingen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk.

De rechtbank zal dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege gelasten. De rechtbank zal geen gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, ex artikel 38z Sr, opleggen, aangezien de verdachte in het kader van de TBS-maatregel met dwangverpleging voldoende begeleiding zal krijgen.

Duur van de maatregel

Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht mag de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij de TBS is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee verkrachtingen, een aanranding en een diefstal voorafgaan van geweld. Dit levert handelen op van de verdachte dat gericht is tegen of gevaar oplevert voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Aan voornoemd criterium is dus voldaan en de totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaren overschrijden. De rechtbank zal de maatregel ongemaximeerd aan de verdachte opleggen, omdat op dit moment nog niet duidelijk is hoe lang de door de gedragsdeskundigen voorgestelde behandeling van de verdachte zal vergen.

Eindoordeel omtrent de straf

Naast het opleggen van TBS met dwangverpleging is de rechtbank van oordeel dat ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte moet worden opgelegd. De rechtbank neemt daarbij de ernst van de feiten, zoals hierboven is overwogen, in aanmerking. Bij een samenloop van deze feiten is in beginsel de oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Gelet echter op de persoon van de verdachte, de omstandigheid dat de feiten hem in verminderde mate zullen worden toegerekend en het belang om de behandeling op niet al te lange termijn te kunnen starten, zal de rechtbank volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 500,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. De officier van justitie heeft daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in verband met het verzoek om vrijspraak van verkrachting. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de reiskosten aangevoerd dat deze kosten in een te ver verwijderd verband tussen het strafbare feit en de geleden schade liggen. Daarnaast is deze post onvoldoende onderbouwd. De kosten zijn slechts onderbouwd door afschriften van het opladen van de OV-chipkaart en niet door een afschrift van de reishistorie, waardoor niet inzichtelijk is geworden waar de uitgaven op zien. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman aangevoerd dat er geen onderbouwing van de psychische schade is. De aangeefster verklaart zelf geen last meer te hebben van het feit. Mocht er toch immateriële schade worden toegewezen, dan dient die te worden gematigd tot een bedrag van

€ 1.500,00.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij liep altijd naar haar werk, maar ten gevolge van dit feit durft zij dit niet meer. Sindsdien maakt zij gebruik van het openbaar vervoer. De advocaat van de benadeelde partij heeft de kosten van het openbaar vervoer begroot op € 100,00 per maand en die begroting heeft hij voldoende onderbouwd met afschriften van het opladen van de OV-chipkaart. De rechtbank stelt de totale materiële schade derhalve vast op € 500,00.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,00. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.

Conclusie

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 2.500,00, bestaande uit € 500,00 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 augustus 2021, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [slachtoffer 1] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 16 maart 2022 gevorderd dat de bij parketnummer 09-837346-18 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 15 augustus 2019 voorwaardelijk opgelegde straf, jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor afwijzing van de vordering van de officier van justitie van tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie, aangezien de officier van justitie ter terechtzitting heeft geconcludeerd tot afwijzing van deze vordering.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 37a, 37b, 38d, 57, 242, 246, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 tot en met 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, primair:

verkrachting

ten aanzien van feit 2:

diefstal

ten aanzien van feit 3:

verkrachting

ten aanzien van feit 4:

diefstal

ten aanzien van feit 5:

aanranding

ten aanzien van feit 6:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

ten aanzien van feit 7:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] deels toe tot een bedrag van € 2.500,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2021 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.X. Cozijn, voorzitter,

mr. V.J. de Haan, rechter,

mr. M. de Kleine, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E. Scholten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2022.