Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:3300

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2022
Datum publicatie
11-04-2022
Zaaknummer
8655934 \ RL EXPL 20-12269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Berekening huurkorting na arrest HR ECLI::NL:HR:2021:1974. Diverse verweren die tot extra korting zouden moeten leiden afgewezen. Werking boetbeding en Coronamaatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

np+HvB/c/d

Rolnr.: 8655934 \ RL EXPL 20-12269

6 april 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GESTE BEHEER-& EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,
statutair gevestigd te Rijswijk,
eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G.J. Kerver,

tegen

de besloten vennootschap IDOLS DEN HAAG B.V.,

gevestigd te Den Haag,
gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. I. Reidsma.

Partijen worden aangeduid als “Geste” en “Idols”.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

  • -

    het tussenvonnis van 8 september 2021 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van de gemachtigde van Idols van 3 december 2021 met producties 8 en 9;

  • -

    de brief van de gemachtigde van Geste van 7 december 2021 met productie 11;

  • -

    de brief van de gemachtigde van Idols van 13 december 2021 met productie 10;

  • -

    de brief van de gemachtigde van Idols van 13 december 2021 met producties

11 t/m 15;

  • -

    de brief van de gemachtigde van Geste van 5 januari 2022 met productie 12;

  • -

    de brief van de gemachtigde van Idols van 10 januari 2022 met producties

16 t/m 19.

1.2.

Op 14 december 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] namens Geste, bijgestaan door mr. G.J. Kerver, en namens Idols [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door mr. I. Reidsma.

Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden, evenals de bij die gelegenheid door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen.

1.3.

Op 12 januari 2022 is de mondelinge behandeling voortgezet. Daarbij zijn de hiervoor onder 1.2. genoemde personen wederom verschenen. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden, evenals de bij die gelegenheid door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen.

1.4.

Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

Sinds 1 augustus 2014 bestaat tussen Geste als verhuurder en Idols als huurder, een huurovereenkomst betreffende de bedrijfsruimte, staande en gelegen aan het adres [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde). In het gehuurde exploiteert Idols een Japans sushirestaurant onder de naam “ [naam restaurant] ”. Het gehuurde biedt zitplaatsen aan maximaal 150 gasten en serveert volgens de “all you can eat”-formule. Het restaurant ligt in het voetgangersgebied van het centrum van Den Haag.

2.2.

Ingevolge de voormelde huurovereenkomst is Idols verplicht ter zake van de huur maandelijks bij vooruitbetaling aan Geste te voldoen een bedrag van € 9.873,00, per 1 januari 2021 is dit bedrag verhoogd tot € 9.980, 61.

2.3.

Het gehuurde betreft een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 Burgerlijk Wetboek (BW)

2.4.

In artikel 9.28 van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene bepalingen is een contractuele boete overeengekomen van € 300,-- per maand waarin de huur niet tijdig en volledig is betaald.

2.5.

Idols heeft een betalingsachterstand doen ontstaan.

2.6.

Na onderhandelingen ten aanzien van de voornoemde betalingsachterstand hebben partijen uiteindelijk op 13 februari 2020 een regeling getroffen, die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Overeengekomen is, onder meer, dat Idols aan Geste een bedrag van € 3.000,--- zou betalen. Idols is deze vaststellingsovereenkomst niet nagekomen.

2.7.

Begin maart 2020 is in Nederland de coronapandemie (Covid-19) uitgebroken. Als gevolg hiervan zijn door de overheid in maart 2020 diverse maatregelen getroffen en heeft Idols vanaf maart 2020 verplicht haar deuren moeten sluiten tot 1 juni 2020.

2.8.

Idols heeft als gevolg daarvan wederom een betalingsachterstand doen ontstaan.

2.9.

Bij brief van 13 juli 2020 heeft de (toenmalige) gemachtigde van Idols aan de gemachtigde van Geste bericht:

De maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, hebben het restaurant van cliënte hard getroffen. De overheid heeft op 15 maart 2020 bepaald dat alle eet- en drinkgelegenheden per direct hun deuren dienen te sluiten. (…)

Gedurende de sluiting van 15 maart 2020 tot 1 juni 2020 is cliënte rechtstreeks geraakt in haar bedrijfsvoering: cliënte mocht haar restaurant niet openstellen en heeft daardoor geen omzet kunnen behalen. Onder de huidige zogenaamde versoepelde maatregelen wordt haar bedrijfsvoering nog steeds zwaar gehinderd. (…).”

2.10.

Voorts heeft de (toenmalige) gemachtigde van Idols in bovengenoemd bericht aanspraak gemaakt op huurkorting wegens onvoorziene omstandigheden.

2.11.

Na overleg zijn partijen hierover in augustus 2020 tot een overeenstemming gekomen. In dat verband hebben partijen een (betalings)regeling voor de huurachterstand getroffen en is aan Idols huurkorting gegeven. Deze regeling is op 26 augustus 2020 vastgelegd in een door de (voormalige) gemachtigde van Idols verzonden e-mailbericht:

Ter voorkoming van onduidelijkheid over de te betalen bedragen vat ik hieronder de schikking kort samen:

cliënte dient maandelijks € 9.873,- aan huur te voldoen;

cliënte heeft de huur over de maanden maart, april en mei niet voldaan;

per datum dagvaarding stond dan ook bedrag van € 29.619,-, gelijk aan drie maanden huur, open;

partijen zijn een huurprijsvermindering van één maand, ad € 9.873,-, overeengekomen;

door de afspraak bedraagt de resterende huurschuld € 19.746,-;

cliënte zal deze huurschuld in 12 maandelijkse termijnen aflossen per 1 september 2020. Dit zijn derhalve 12 gelijke termijnen van € 1.645,50;

daarnaast zal cliënte per heden de maandelijkse huur van € 9.873,- tijdig voldoen.”

2.12.

Tussen 26 augustus 2020 en 3 oktober 2020 heeft Idols tweemaal de reguliere maandelijkse huurprijs van € 9.873,-- en tweemaal het bedrag van de betalingsregeling ad

€ 1.645,50 per maand voldaan aan Geste. Daarna heeft Idols geen betalingen meer aan Geste gedaan.

2.13.

In de periode van 14 oktober 2020 tot 18 april 2021 is Idols wederom gesloten geweest vanwege de coronamaatregelen.

2.14.

Per 12 september 2021 heeft Idols al haar werknemers ontslagen en uit dienst gemeld.

3 Vordering, grondslag en verweer

in conventie

3.1.

Geste vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden wordt;

II. Idols veroordeeld wordt om voormeld gehuurde binnen 3 dagen na de betekening van het vonnis ‘met al de zijnen en al het zijne’ te verlaten, te ontruimen en ontruimd te houden. Gedaagde dient daarbij de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Geste te stellen;

III. Idols veroordeeld wordt om aan Geste te betalen:

a. voormeld bedrag van € 91.678,91;

b. de overeengekomen rente over € 91.678,91, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag waarop er algeheel voldaan is;

c. € 9.873,00 (exclusief eventuele huurverhoging) voor iedere maand, die Idols voormeld perceel na 31 juli 2020 in bezit zal houden, waarbij een eenmaal ingegane maand voor een volle maand gerekend wordt, waarbij geldt dat in het geval het gehuurde perceel wordt ontruimt de huur gerekend wordt tot de ontruimingsdatum, een en ander slechts voor zover het hierna te noemen punt 3.5 van deze vordering niet afwijkt;

d. 2 % per maand, met een minimum van € 300,00 per maand, boete conform de algemene bepalingen bij het huurcontract, na juli 2020 voor iedere maand, die Idols in gebreke blijft (in verzuim is), tot het tijdstip waarop de onderhavige huurovereenkomst door u Edelachtbare wordt beëindigd en tot aan het tijdstip dat Idols het gehuurde onder dezelfde voorwaarden aan een ander heeft verhuurd dan wel in het geval het gehuurde perceel wordt ontruimt de huur gerekend wordt tot de ontruimingsdatum;

e. een schadevergoeding ter grootte van € 29.619,00, wat neerkomt op 3 maanden huur;

IV. Idols wordt veroordeeld in de kosten van dit geding;

V. dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

3.2.

Geste heeft hieraan – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat Idols ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, door tot en met december 2021 de huurpenningen met een totaalbedrag van € 91.678,91 onbetaald te laten. Daardoor is een huurachterstand ontstaan van meer dan negen maanden. Gelet op de hoogte van de huurachterstand heeft Geste recht op en belang bij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

3.3.

Idols heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat – voor zover relevant – bij de beoordeling wordt besproken.

in reconventie

3.4.

Idols vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in conventie:

I. Geste in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen van Geste af te wijzen of haar deze te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen;

in reconventie:

II. Te verklaren voor recht en zo nodig de huurovereenkomst tussen partijen dienovereenkomstig te wijzigen dat Idols over de periode dat zij als gevolg van de maatregelen van de overheid ter bestrijding van de verspreiding van het coronavirus haar restaurant niet mag openstellen voor publiek:

a. primair: in het geheel niet gehouden is tot betaling van de huur;

b. subsidiair: slechts gehouden is tot betaling van een door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen percentage van de overeengekomen huur, bijvoorbeeld 50% zoals benoemd in randnummer 63;

III. alsmede te verklaren voor recht en zo nodig de huurovereenkomst tussen partijen dienovereenkomstig te wijzigen dat Idols het naar het oordeel van Uw Rechtbank verschuldigde gedeelte aan huur mag opschorten of uitstellen tot het moment dat alle maatregelen van de overheid ter bestrijding van de verspreiding van het coronavirus zijn opgeheven, waarbij aan Idols een redelijke termijn dient te worden verleend om het te betalen bedrag aan huur aan Geste te voldoen;

IV. en tot slot te verklaren voor recht zo en nodig de huurovereenkomst tussen partijen dienovereenkomstig te wijzigen dat Idols over de periode dat de capaciteit van haar restaurant beperkt wordt door de maatregelen van de overheid ter bestrijding van de verspreiding van het coronavirus slechts gehouden is tot betaling van een door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen percentage van de overeengekomen huur;

V. uiterst subsidiair: een andere door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen oplossing te bepalen voor de gevolgen van de maatregelen van de overheid ter bestrijding van de verspreiding van het coronavirus in de rechtsverhouding tussen partijen;

in conventie en in reconventie:

VI. Geste te veroordelen in de kosten van dit geding, alsmede in de nakosten ad € 255,- (exclusief btw), en in geval van betekening van het vonnis € 340,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de derde dag na betekening van het vonnis aan Geste tot aan de dag der algehele voldoening.

3.5.

Idols heeft aan deze vordering het navolgende ten grondslag gelegd. Door de coronamaatregelen is de omzet van haar restaurant volledig weggevallen. Idols stelt zich op het standpunt dat zij, als gevolg van de maatregelen gedurende de eerste lockdown en de tweede lockdown, niet het genot van het gehuurde heeft gehad zoals zij op grond van de huurovereenkomst had mogen verwachten. In deze periodes mochten immers geen gasten worden ontvangen. Aldus is sprake van een gebrek zoals bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. Omdat sprake is van een gebrek gedurende de eerste en de tweede lockdown, is Idols op grond van artikel 7:206 lid 1 BW gerechtigd om huurprijsvermindering te vorderen. Daarnaast zijn de coronamaatregelen aan te merken als onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in artikel 6:258 BW. Dit maakt dat Geste, als verhuurder, op grond van de redelijkheid en billijkheid geen (volledige) betaling van de huur door Idols kan verlangen. Voorts voert Idols verweer tegen de verzochte ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en voert hiertoe onder meer aan dat de tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst en met name de ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigt.

3.6.

Geste heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna – voor zover van belang – zal worden ingegaan.

4 Beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De vorderingen in conventie en reconventie hangen nauw samen en zullen daarom worden zij hierna gezamenlijk behandeld.

4.2.

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad in de zaak met nummer 21/01584 een arrest uitgesproken waarin hij door een kantonrechter gestelde prejudiciële vragen omtrent kwesties die ook in deze zaken aan de orde zijn, heeft beantwoord. Dat arrest is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:HR:2021:1974 (hierna ook: het arrest).

4.3.

Bij de voortzetting van de mondelinge behandeling van deze zaak op 12 januari 2022 hebben beide partijen de gelegenheid gehad en genomen om te reageren op de inhoud van het arrest van de Hoge Raad en hebben zij ook hun standpunten in conventie en reconventie naar aanleiding van de inhoud van dit arrest aangepast en toegelicht.

4.4.

Uit het arrest van de Hoge Raad volgt allereerst onmiskenbaar dat alle stellingen en verweren van partijen -voor zover die zijn gebaseerd op de aanwezigheid van een gebrek als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW- geen bespreking (meer) behoeven. De Hoge Raad heeft immers overwogen en beslist dat de overheidsmaatregelen in het kader van het uitbreken van de Coronapandemie die (ook) in dit geding aan de orde zijn, niet zijn aan te merken als een gebrek bedoeld in dat artikel. Een aanpassing van de huurovereenkomst tussen partijen om die reden, is dus niet meer aan de orde.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat Idols een huur achterstand heeft ,die (mede) is toe te rekenen aan de door de overheid genomen maatregelen in verband met het uitbreken van de Coronapandemie, ten gevolge waarvan Idols de door haar gehuurde 7:290 BW-bedrijfsruimte niet of slechts in geringe mate kon en kan exploiteren. Idols heeft dus in beginsel enige aanspraak op huurkorting. Partijen verschillen echter van mening over de wijze waarop die huurkorting moet worden berekend. Zij hebben allebei aan de hand van voormeld arrest van de Hoge Raad een nieuwe berekening in het geding gebracht.

4.6.

Volgens de nieuwste berekening van Geste zou de huurachterstand tot en met december 2021 nog € 91.678,91 bedragen, waarbij een bedrag van € 10.247,66 over de maand januari 2022 nog niet is meegenomen. Idols stelt zich op het standpunt dat de achterstand tot en met december 2021 een bedrag van € 50.572,42 bedraagt.

4.7.

Beide partijen hebben hun berekeningen gebaseerd op de vastelastenmethode, waarvan in het arrest van Hoge Raad een voorbeeld wordt gegeven in rechtsoverweging 3.3.4. Zij verschillen echter van mening over de toepassing van deze methode in dit concrete geval. Omdat beide partijen uitgaan van toepassing van de vastelastenmethode voor de berekening van de huurachterstand, zullen zij daarin worden gevolgd.

4.8.

Geste heeft bepleit dat alleen met betrekking tot de periodes van gehele sluiting een huurkorting moet worden verleend en niet ook voor de periodes dat er weinig of helemaal geen overheidsmaatregelen waren. Geste voert aan dat Idols in de periodes van gedeeltelijk sluiting onvoldoende heeft gedaan om zo veel mogelijk omzet te behalen.

Idols had meer kunnen en moeten doen dan zij heeft gedaan en dat dit voor rekening en risico van Idols moet blijven.

Idols voert van haar kant aan dat de onderneming van Idols is gevestigd in het voetgangersgebied van het oude centrum van Den Haag en altijd gericht is geweest op de “all you can eat”-formule, een formule die met name winkelend publiek en toeristen in het restaurant zelf trekt. Idols heeft voor de Coronacrisis nooit aan thuisbezorging gedaan. Idols heeft in september 2021 afscheid heeft moeten nemen van al haar personeel door de daling van de omzet en nu nog wordt gedreven door de twee eigenaars zelf. Zij heeft toegelicht dat thuisbezorging voor het bedrijf onvoldoende dan wel niet rendeerde, omdat het bedrijf in de voetgangerszone moeilijk bereikbaar is voor koeriers, koeriers (te) duur zijn, intermediairs ook te duur zijn daar zij een te hoog percentage berekenen en ook dat de spoeling erg dun werd omdat alle sushi bedrijven tegelijkertijd aan thuisbezorging gingen doen. Op deze gronden wil Idols dat er door Geste ook een huurkorting wordt gegeven over de overige maanden na het uitbreken van de Coronacrisis.

De door Idols aangevoerde argumenten kunnen haar standpunt niet dragen. In de periodes dat er geen of weinig overheidsmaatregelen waren moet het achterblijven van de omzet voor rekening en risico van Idols blijven. Het is eigen aan het dragen van een ondernemersrisico om er voor te zorgen dat in die periodes de bakens op tijd zijn of worden verzet.

4.9.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het uitbreken van de Coronapandemie is aan te merken als een de onvoorziene omstandigheid als bedoeld artikel 6:258, eerste lid BW, waarvan het risico in beginsel gelijkelijk gedeeld dient te worden over de contractspartijen.

Idols heeft bepleit om in de omstandigheden van dit geval uit te gaan van een verdeling van 75% voor Geste en 25% voor Idols, omdat Geste een zeer grote verhuurder is en Idols in feite als een eenmansbedrijf is te beschouwen. Daarnaast wijst Idols er op dat Geste in financiële zin veel meer “vlees op de botten” heeft en het op dit gehuurde geleden omzetverlies kan uitsmeren over andere wel winstgevende projecten, terwijl Idols die mogelijkheden niet heeft.

4.10.

De twee door Idols aangevoerde omstandigheden kunnen in de omstandigheden van dit geval niet leiden dat een afwijking van de door Geste overlegde berekening conform de vastelastenmethode. Juist het feit dat de Coronapandemie een onvoorziene omstandigheid voor beide contractspartijen is maakt, dat er sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden om van de door de Hoge Raad voorgestane verdeling af te wijken. De omstandigheid dat het hier gaat om een huurder die één pand huurt van een grote verhuurder, die meerdere panden bezit, is op zichzelf bezien geen bijzondere omstandigheid. Dat komt veel vaker voor. Dat een grote onderneming omzetverliezen op een andere manier kan compenseren dan een kleine ondernemer dat kan, brengt nog niet mee dat het lijden van (grote) verliezen als ondernemersrisico alleen vanwege het verschil in grootte van de betrokken contractspartijen zou moeten leiden tot een andere risicoverdeling dan 50/50. Het gaat immers steeds om een concreet verlies waarvan het risico bij helfte wordt gedeeld tussen concrete contractspartijen.

Daarbij komt dat de overheid voor bedrijven steunvoorzieningen heeft getroffen om bedrijven te compenseren voor de onvoorziene omstandigheid die het uitbreken van de Coronaepidemie en het omzetverlies dat daardoor te weeg is gebracht. Die steun komt rechtstreeks ten goede aan de getroffen bedrijven.

In de procentuele omzetvermindering (onderdeel c van rechtsoverweging 3.3.4 van de Hoge Raad betreffende de vastelastenmethode) wordt vervolgens het verschil in de grootte van de contractspartijen tussen de contractspartijen onderling al voldoende gecompenseerd.

4.11.

Het gevolg van het voorgaande is dat de berekening van Geste van de huurachterstand van Idols in deze zaak kan worden gevolgd, nu beide partijen hebben gekozen voor het toepassen van de vastelastenmethode.

4.12.

Dat betekent ook dat de tekortkoming in de huurbetaling aan de zijde van Idols zo ernstig is dat de huurovereenkomst in beginsel ontbonden dient te worden.

4.13.

Idols heeft echter aangeboden om binnen twee maanden na het uitspreken van dit vonnis de gehele huurachterstand te voldoen. Idols heeft voldoende aangevoerd om haar daartoe in de gelegenheid te stellen op de wijze zoals in de beslissing te vermelden.

4.14.

Geste heeft verder nog de contractuele boete gevorderd conform de toepasselijke algemene voorwaarden van € 300,00 per dag dan wel per overtreding. Niet voldoende duidelijk is op welke contractuele grondslag Geste die boete baseert. Enerzijds zou artikel 28 van de door Geste zelf gehanteerde algemene voorwaarden daarvoor in aanmerking kunnen komen, waarin -kort gezegd- een rente/boete bedongen is van € 300,00 bij niet tijdige betaling, anderzijds zou artikel 34 van de eveneens bedongen ROZ-voorwaarden in aanmerking komen, waarin -kort samengevat- een boete van € 250,00 per kalenderdag kan worden gevorderd. Dat alleen al moet leiden tot afwijzing van dit deel van de vordering. Daarbij komt dat Idols uitgebreid en gemotiveerd heeft betoogd dat de bedongen boete in de omstandigheden van dit geval moet worden gematigd tot de wettelijke handelsrente, omdat met betrekking tot dit onderdeel van de vordering in conventie eveneens sprake is van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258, eerste lid BW, hetgeen meebrengt dat ook het boetebeding niet onverkort kan worden gehandhaafd.

Hiertegen heeft Geste geen specifiek verweer gevoerd, hetgeen -zeker na het arrest- wel op haar weg heeft gelegen.

Wellicht ten overvloede wordt overwogen dat in de omstandigheden van dit geval -ook als de vordering wel van een voldoende grondslag zou zijn voorzien- de boete zou worden gematigd tot nihil met toewijzing van de wettelijke handelsrente als vertragingsschade. Het argument dat vergoeding van de vertragingsschade in de vorm van de wettelijke handelsrente in de omstandigheden van dit geval een voldoende vorm van schadevergoeding oplevert, is daarvoor voldoende dragend. Door het feit dat het uitbreken van de Coronapandemie een onvoorziene omstandigheid is in de zin van artikel 6: 258, eerste lid BW en de betalingsonmacht van huurder daaraan voor een belangrijk deel is te wijten, verliest een boete als prikkel tot nakoming ook nagenoeg zijn werking. Het is ook enigszins ongerijmd dat een huurkorting waarop door een onvoorziene omstandigheid als deze in rechte aanspraak kan worden gemaakt, (nagenoeg) volledig ongedaan zou worden gemaakt door het (ongelimiteerd) opeisen van boetes van € 250,00 per dag. De gevorderde boete wordt dus afgewezen en de gevorderde wettelijke handelsrente wordt toegewezen.

4.15.

Geste heeft voorts nog een schadevergoeding gevorderd voor de toekomstige schade die zij verwacht te lijden van een bedrag ter hoogte van drie maanden huur na de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Deze toekomstige schade heeft Geste onvoldoende onderbouwd, bezien tegen het licht van de stelling van Idols dat zij reeds een huurder heeft klaar staan om het bedrijf van haar over te nemen in het gehuurde door middel van een indeplaatsstelling. Geste heeft dus kennelijk een mogelijkheid om het gehuurde meteen opnieuw te verhuren en zal alsdan geen schade lijden.

4.16.

De overige stellingen en verweren van partijen behoeven geen afzonderlijke bespreking meer.

4.17.

Dit alle leidt ertoe dat de vordering in conventie wordt toegewezen op de manier zoals in de beslissing te melden en dat de vordering in reconventie wordt afgewezen. Idols zal in de proceskosten in conventie en reconventie moeten worden verwezen.

4.18.

De door Geste in conventie gevorderde buitengerechtelijke kosten ad

€ 1.091,92 heeft zij gebaseerd op het Besluit van 27 maart 2012 en zij stelt dat dit besluit derogeert aan artikel 241 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv.). Geste wordt hier niet in gevolgd, omdat Idols uitdrukkelijk heeft betwist dat in dit geval de buitengerechtelijke kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt. Tussen partijen staat vast dat er een paar incassobrieven zijn verstuurd en ook staat vast dat in die incassobrieven de vordering niet altijd juist is gespecificeerd. Geste is op deze betwisting niet dan wel nauwelijks ingegaan. Voor een deel gaat Geste ook uit van een verkeerde lezing van artikel 6:96 lid 5 BW. Daaruit volgt slechts dat in sommige gevallen niet ten nadele van de schuldenaar kan worden afgeweken van artikel 241 Rv. Geste bepleit echter het standpunt dat niet zou kunnen worden afgeweken ten nadele van de schuldeiser. Dat is onjuist. Gelet op dit een en ander zal op grond van artikel 6:96 lid 4 BW het minimumbedrag van € 40,00 worden toegewezen, omdat Geste een aantal incassobrieven heeft gestuurd voor het aanspannen van dit geding. Voor de daarna verstuurde brieven heeft te gelden dat deze vallen onder artikel 241 Rv.

4.19.

Het enkele feit dat Idols aankondigt hoe dan ook in hoger beroep te willen gaan, levert geen voldoende reden is om de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen.

5 Beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

1. stelt Idols in de gelegenheid om vóór 6 juni 2022 aan Geste te voldoen, het bedrag ad € 101.926,57 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot die van de voldoening;

2. stelt Idols in de gelegenheid om vóór 6 juni 2022 aan Geste te voldoen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

3. wijst de vordering ten aanzien van de ontbinding en ontruiming af, indien tijdige voldoening volgt;

BIJ GEBREKE VAN TIJDIGE VOLDOENING VAN DE ONDER 1. EN 2. GENOEMDE BEDRAGEN:

4. ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen;

5. veroordeelt Idols om het gehuurde binnen één maand na 6 juni 2022 én na betekening van dit vonnis met al wie en al wat zich daarin van de zijde van Idols bevindt te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Geste te stellen;

6. veroordeelt Idols om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Geste te voldoen een bedrag van € 101.926,57 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

7. veroordeelt Idols om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Geste te voldoen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

8. wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie:

9. wijst de vordering af;

In conventie en in reconventie in alle gevallen:

10. veroordeelt Idols in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Geste vastgesteld op € 3.982,47, waarvan € 2.880,00 als het aan de gemachtigde van Geste toekomende salaris;

11. verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen onder 4. tot en met 7. en onder 10. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. L.C. Heuveling van Beek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2022.