Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:3182

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2022
Datum publicatie
14-04-2022
Zaaknummer
C/09/609567 / HA ZA 21-300
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Collectieve vordering van Horeca Nederland, tevens handelend als lasthebber van acht horecaondernemers, tegen de Staat.

De collectieve vordering voldoet niet aan het vereiste van artikel 1018c lid 5 aanhef en onder b Rv, dat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn. Horeca Nederland is in zoverre niet-ontvankelijk. De zaak wordt voorgezet tussen Horeca Nederland als lasthebber en de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/609567 / HA ZA 21-300

Vonnis van 6 april 2022

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid KONINKLIJK VERBOND VAN ONDERNEMERS IN HET HORECA EN AANVERWANT BEDRIJF “HORECA NEDERLAND” te Woerden,

mede als lasthebber optredend voor

a. [horecaondernemer 1] te [plaats 1] ,
handelend onder de naam [Handelsnaam I],

b. NARLINE B.V. te Hoogeveen,

c. [horecaondernemer 2] te [plaats 2] ,

d. MONDRAGON EXPLOITATIE B.V. te Zierikzee,

e. BABYLON B.V. te Heerhugowaard,

f. [horecaondernemer 3] te [plaats 3] ,
handelend onder de naam [Handelsnaam II],

g. [horecaondernemer 4] te [plaats 4] ,
handelend onder de naam [Handelsnaam III],

h. GUSTO ROTTERDAM B.V. te Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. P.D. Olden te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN),

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. R.W. Veldhuis te Den Haag.

Partijen zullen hierna Horeca Nederland en de Staat genoemd worden. De ondernemingen (hiervoor onder a tot en met h) voor wie Horeca Nederland als lasthebber optreedt worden gezamenlijk aangeduid als ‘de acht horecaondernemers’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met provisionele vorderingen, een incidentele vordering op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en vorderingen in de hoofdzaak, met producties 1 t/m 80;

  • -

    de rolbeslissing van 14 april 2021 waarin is afgewezen het verzoek van Horeca Nederland om de incidentele vorderingen (en in ieder geval de provisionele vorderingen) eerst en vooraf met spoed te behandelen;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;

  • -

    het tussenvonnis van 5 januari 2022 waarbij een mondelinge behandeling van de zaak is bevolen op 28 juni 2022.

1.2.

De rechtbank heeft partijen vervolgens op 24 februari 2022, mede naar aanleiding van het verzoek van Horeca Nederland om vóór de mondelinge behandeling nog een schriftelijke conclusiewisseling toe te staan, bericht dat voor wat betreft de collectieve vorderingen eerst beslissingen moeten worden genomen over de stappen die in verband met het bepaalde in de artikelen 1018b en volgende Rv in combinatie met artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (BW) voorafgaand aan de mondelinge behandeling moeten worden gezet.

1.3.

Op 15 maart 2022 is (online) een regiezitting gehouden waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld vragen van de rechtbank te beantwoorden over de in artikel 1018c lid 5 Rv genoemde punten, waarover de rechtbank in deze (voor)fase dient te beslissen en waarvan afhangt of een inhoudelijke behandeling van de collectieve vorderingen kan plaatsvinden. Voorts is tijdens deze zitting besproken dat in het geval de rechtbank mocht beslissen dat aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden is voldaan, een exclusieve belangenbehartiger als bedoeld in artikel 1018e lid 1 Rv moet worden aangewezen. Daarbij heeft Horeca Nederland kenbaar gemaakt dat zijzelf als exclusieve belangenbehartiger zou moeten worden aangewezen.

1.4.

Horeca Nederland heeft daarna op 18 maart 2022 een bericht gestuurd met daarin een voorstel voor de tekst van de mededeling als bedoeld in artikel 1018f onder 3 Rv. Daarop is door de Staat gereageerd op 21 maart 2022.

1.5.

Vervolgens is partijen bericht dat de rechtbank op 6 april 2022 een beslissing zal nemen over de in 1.2 en 1.3 genoemde stappen en punten.

2 Het geschil

2.1.

Horeca Nederland vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I bij wege van provisionele voorzieningen voor de duur van het geding

- de Staat gebiedt toe te staan dat eet- en drinkgelegenheden als bedoeld in artikel 1.1 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 van 19 november 2020, in afwijking van artikelen 4.4 en 4.7 van die Tijdelijke regeling, voor publiek open te stellen onder voorwaarden, die in het petitum van de dagvaarding primair en subsidiair zijn uitgewerkt;

- de Staat veroordeelt om ten titel van voorschot te betalen aan elk van de acht horecaondernemers 25% van de naar het voorlopig oordeel van de rechtbank als schade als gevolg van de covid-19 maatregelen aan te merken winstderving over de periode van 15 maart 2020 tot en met 31 december 2020, begroot op respectievelijk: € 32.350 ( [Handelsnaam I] ), € 24.102 (Babylon), € 7.271 ( [Handelsnaam II] ), € 3.119 ( [Handelsnaam III] ), € 59.456 (Gusto), € 35.138 (Narline), € 6.469 ( [Handelsnaam IV] ) en € 49.098 (Mondragon);

II in het incident op grond van art. 843a Rv

de Staat gebiedt binnen 14 dagen na vonnis in het incident, althans binnen een door de rechtbank redelijk geachte termijn, de Bescheiden te verstrekken aan eisers;

III in de hoofdzaak

a. voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en handelt jegens de acht horecaondernemers en aan hen volledige nadeelscompensatie dient te betalen, en aldus de schade dient te vergoeden die zij als gevolg van de sluitingen en beperkende maatregelen hebben geleden en zullen lijden;

b. de Staat veroordeelt tot schadevergoeding aan de acht horecaondernemers over de periode van 15 maart 2020 tot en met 31 december 2020 begroot op respectievelijk € 129.403 ( [Handelsnaam I] ), € 96.409 (Babylon), € 29.087 ( [Handelsnaam II] ), € 12.477 ( [Handelsnaam III] ), € 238.186 (Gusto), € 140.553 (Narline), € 25.984 ( [Handelsnaam IV] ) en € 196.390 (Mondragon),
en vanaf 1 januari 2021 nader op te maken bij staat, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;

c. voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en handelt jegens alle horecaondernemers voor wie Horeca Nederland op de voet van artikel 3:305a BW in de procedure opkomt en aan hen volledige nadeelscompensatie dient te betalen, en aldus de schade dient te vergoeden die zij als gevolg van de sluitingen en beperkende maatregelen hebben geleden en zullen lijden;

d. de Staat veroordeelt tot schadevergoeding aan alle horecaondernemers voor wie Horeca Nederland op de voet van artikel 3:305a BW in de procedure opkomt, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;

e. de Staat gebiedt per direct een volledige opening van de horeca toe te staan;

f. de Staat veroordeelt in de kosten van deze procedure, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis, indien en voor zover de Staat deze kosten niet voordien heeft voldaan;

g. de Staat veroordeelt in de nakosten ten bedrage van € 163, te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover de Staat dit bedrag niet binnen 14 dagen na aanschrijving heeft voldaan en – indien dat het geval is en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt – te vermeerderen met € 85 en de kosten van bedoelde betekening, de twee laatstbedoelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover de Staat deze niet binnen twee dagen na betekening van het vonnis voldoet.

2.2.

De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Horeca Nederland in de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1.

In deze zaak zijn onder meer vorderingen ingesteld op de voet van artikel 3:305a BW; een zogenoemde collectieve actie, die strekt tot bescherming van de belangen van alle horecaondernemers in Nederland, althans van de leden van Horeca Nederland. Dat geldt in ieder geval voor de vorderingen onder c en d in de hoofdzaak.

3.2.

Naar de rechtbank aanneemt geldt dat ook voor de vorderingen (provisioneel en in de hoofdzaak onder e) die strekken tot een heropening van de horeca. Omdat er inmiddels geen beperkingen meer gelden en de horeca open is, gaat de rechtbank ervan uit dat bij deze vorderingen geen belang meer bestaat zodat zij hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.

3.3.

Voor de collectieve actie gelden bijzondere procedureregels die zijn neergelegd in artikel 1018b en volgende Rv.

3.4.

De rechtbank heeft geconstateerd dat is voldaan aan de vereisten uit artikel 1018c lid 2 Rv, te weten het indienen van de dagvaarding ter griffie van de rechtbank binnen twee dagen na dagvaarding onder gelijktijdige aantekening van de dagvaarding in het centraal register voor collectieve acties. Vervolgens is de zaak voor drie maanden aangehouden overeenkomstig artikel 1018c lid 3 Rv.

3.5.

Op grond van artikel 1018c lid 5 Rv vindt inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering slechts plaats indien en nadat de rechter heeft beslist:
a. dat eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW
b. dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben, en

c. dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.

voorwaarde a: de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW

3.6.

Ten aanzien van grond a: ontvankelijkheidseisen artikel 3:305a BW geldt het volgende. Uit artikel 3:305a BW volgt dat een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid ontvankelijk is in een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (collectieve vordering), indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. zij behartigt deze belangen ingevolge haar statuten (lid 1),

  2. deze belangen zijn voldoende gewaarborgd (lid 1, uitgewerkt in lid 2),

  3. de bestuurders betrokken bij de oprichting van de stichting of vereniging, en hun opvolgers, hebben geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk, dat via de stichting of vereniging wordt gerealiseerd (lid 3 sub a)

  4. de rechtsvordering heeft een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer (lid 3 sub b)

  5. de stichting of de vereniging heeft in de gegeven omstandigheden voldoende getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken (lid 3 sub c),

  6. de stichting of de vereniging stelt bestuursverslagen en jaarrekeningen op (lid 5).

3.7. (

ad 1) Horeca Nederland is een branchevereniging (met volledige rechtsbevoegdheid) met ongeveer 18.000 leden. Uit haar als productie 1 bij dagvaarding overgelegde statuten blijkt dat Horeca Nederland tot doel heeft de materiële en immateriële belangen van haar leden te behartigen in de ruimste zin des woords en dat het namens haar leden collectieve vorderingen in de zin van artikel 3:305a BW kan instellen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de belangen van bij Horeca Nederland aangesloten ondernemers in algemene zin onvoldoende gewaarborgd zijn in de zin van lid 1. Aan deze ontvankelijkheidseis is dus voldaan, in ieder geval voor wat betreft haar leden.

3.8. (

ad 2) Uit de overgelegde statuten van Horeca Nederland blijkt verder dat de ledenraad toezicht houdt op het bestuur en dat er binnen de vereniging passende en doeltreffende mechanismen zijn voor deelname aan of vertegenwoordiging van leden bij de besluitvorming. Daarmee is voldaan aan de eisen die in 3:305a lid 2 onder a en b BW zijn gesteld. Onder c staat dat er voldoende middelen moeten zijn om de kosten van het instellen van een rechtsvordering te dragen en dat de rechtspersoon voldoende zeggenschap moet hebben over de rechtsvordering. Er is geen aanleiding om daaraan te twijfelen in dit geval.

Onder d staat dat de rechtspersoon moet beschikken over een algemeen toegankelijke internetpagina met in dat artikel genoemde concrete informatie. Tijdens de regiezitting heeft Horeca Nederland aangevoerd dat op haar website de voorgeschreven informatie te vinden is. De Staat heeft erop gewezen dat dit niet zo is, en dat in ieder geval informatie over de bezoldiging van bestuursleden en de laatst vastgestelde verslagen daar niet staan. In reactie daarop heeft Horeca Nederland gezegd dat zij – als dat al niet het geval is – deze informatie zo snel mogelijk via haar website beschikbaar zal stellen. Zodra die informatie is toegevoegd is ook aan deze eis voldaan.

Onder e staat ten slotte dat de rechtspersoon voldoende ervaring en deskundigheid moet hebben ten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering. Omdat Horeca Nederland vaker namens leden optreedt in rechte en daarbij niet is gebleken dat het haar aan deskundigheid ontbreekt houdt de rechtbank het ervoor dat ook aan deze eis is voldaan.

3.9. (

ad 3) Horeca Nederland heeft volgens haar statuten geen winstoogmerk. Niettemin kunnen eventuele gelden die zij ontvangt, bij de bestuurders of oprichters terecht komen. Concrete aanwijzingen dat hiervoor moet worden gevreesd zijn niet naar voren gekomen.

3.10. (

ad 4) Omdat het gaat om horecaondernemingen in Nederland en door de Nederlandse overheid in Nederland getroffen maatregelen is er voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer.

3.11. (

ad 5) Horeca Nederland heeft veelvuldig overleg met de Staat gevoerd over de (vergoeding van) door horecaondernemingen geleden schade; ook aan deze eis is voldaan.

3.12. (

ad 6) Horeca Nederland is een grote en professionele organisatie die bestuursverslagen en jaarrekeningen opstelt.

voorwaarde b: Is voldoende aannemelijk gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering?

3.13.

Bij deze toets wordt beoordeeld of de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn; of het mogelijk is om een gemeenschappelijke beoordeling te verrichten ten aanzien van de gegrondheid van de in de collectieve actie gebundelde individuele vorderingen. In dat kader schrijft artikel 1018c lid 1 Rv voor dat de dagvaarding waarmee de collectieve vordering wordt ingesteld onder meer omschrijft op welke gebeurtenis of gebeurtenissen de vordering betrekking heeft, de personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt en de mate waarin de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen gemeenschappelijk zijn. Daarbij is ook de afbakening van de ‘nauw omschreven groep’ personen in de zin van artikel 1018e lid 2 Rv van belang. Benadeelden kunnen immers slechts als één (sub)groep worden beschouwd voor zover hun individuele vorderingen zich voor een gezamenlijke beoordeling lenen. Volgens vaste rechtspraak is dat het geval als de belangen tot bescherming waarvan de collectieve rechtsvordering strekt zich voor bundeling lenen. Daarbij komt het niet zozeer aan op de vraag of de belangen van de vertegenwoordigde groep (rechts)personen gelijksoortig of ‘bundelbaar’ zijn, maar om de vraag of hun (gepretendeerde) individuele vorderingsrechten dat zijn, zodat het mogelijk is om in één gezamenlijke procedure over de individuele vorderingsrechten van de benadeelden te oordelen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden van die individuele benadeelden betrokken hoeven te worden.

3.14.

Over de groep waarvoor de collectieve actie wordt ingesteld heeft Horeca Nederland bij de regiezitting gezegd dat het gaat om de vorderingsrechten van haar leden, zodat sprake is van een nauw omschreven groep personen als bedoeld in artikel 1018e lid 2 Rv. Van die groep zal de rechtbank uitgaan. De vordering houdt dan in dat voor recht wordt verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en handelt jegens de leden van Horeca Nederland, en aan hen volledige nadeelcompensatie moet betalen, namelijk de schade dient te vergoeden die zij als gevolg van de sluitingen en beperkende maatregelen hebben geleden en zullen lijden, waarbij de Staat wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan alle leden van Horeca Nederland, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding.

3.15.

Horeca Nederland heeft in (randnummer 21 van) de dagvaarding naar voren gebracht dat voor alle horecaondernemers geldt dat de te beantwoorden feitelijke vragen en rechtsvragen gemeenschappelijk zijn: de vorderingen strekken tot vergoeding van het onevenredig geleden nadeel door de horecaondernemers en tot een verantwoorde heropening van de horeca. De door de Staat opgelegde beperkende maatregelen zijn volgens Horeca Nederland voor alle (groepen van) horecaondernemers identiek en de te beantwoorden rechtsvraag, namelijk of deze maatregelen onrechtmatig zijn, zijn voor alle horecaondernemers gemeenschappelijk. Voor iedere individuele horecaondernemer kan de omvang van de schade op dezelfde wijze worden berekend, zoals toegelicht en verder uitgewerkt in hoofdstuk 5 van de dagvaarding. In de dagvaarding is verder niet ingegaan op dit punt.

3.16.

Horeca Nederland legt aan haar vorderingen in deze procedure ten grondslag dat de horecaondernemers onevenredig zwaar worden getroffen door de coronamaatregelen. In de inleiding van de dagvaarding staat (in randnummer 8):

“De kern van de zaak is dat de onevenredigheid van de coronamaatregelen ten laste van de horecaondernemers ten bate van de gemeenschap een rechtsplicht tot adequate compensatie heeft doen ontstaan omdat de door de Staat getroffen maatregelen ernstig tekortschieten. Die compensatieplicht berust op een (on)rechtmatige overheidsdaad.”

En concluderend (in 191.1):

“De horeca wordt abnormaal belast door het afvlakkingsbeleid van de overheid waarbij de horeca bovendien systematisch achterin de rij wordt geplaatst. Deze last stijgt ver uit boven het normale ondernemersrisico. Zeker in het licht van de gebrekkige feitelijke en wetenschappelijke onderbouwing en het ontbreken van adequaat onderzoek waardoor de effectiviteit van de sluiting onzeker is, leveren de sluiting en de overige beperkende maatregelen door het ontbreken van (voldoende) compensatie een onrechtmatige daad jegens de horecaondernemers op die de Staat tot schadevergoeding verplicht.”

3.17.

De Staat heeft in de conclusie van antwoord (in randnummer 6.1.2) naar voren gebracht dat de vordering onvoldoende bepaald is omdat Horeca Nederland niet duidelijk maakt wat zij precies verstaat onder ‘de (corona)maatregelen’; of daarmee (ook) wordt gedoeld op de algemene maatregelen of op maatregelen die (alleen) golden voor eet- en drinkgelegenheden, of ook op de (afwijkende) maatregelen die golden voor bijvoorbeeld hotels. Hoewel door de Staat niet in dat kader aangevoerd, raakt dat betoog naar het oordeel van de rechtbank ook de vraag die de rechtbank op de voet van artikel 1018c lid 5 onder b Rv vooraf – en ook ambtshalve – moet beoordelen.

3.18.

De gebeurtenis of gebeurtenissen waarop de vordering betrekking heeft, is in deze zaak het geheel van beperkende coronamaatregelen, in combinatie met de daarbij getroffen maatregelen ter compensatie. Dat is niet beperkt tot specifieke maatregelen of specifiek ten aanzien van een bepaalde groep of in een bepaalde periode genomen maatregelen.

Horeca Nederland heeft in haar bericht van 18 maart 2022 nog het volgende meegedeeld:

“Het is juist dat aan de vordering ook feiten ten grondslag zullen worden gelegd die zich hebben afgespeeld na het uitbrengen van de dagvaarding. Het gaat met name om de “Dansen met Janssen problematiek”, toen op instigatie van de toenmalige Minister van VWS een groot aantal mensen zich onmiddellijk na vaccinatie met het Janssen-vaccin in het uitgaansleven heeft gestort zonder voldoende beschermd te zijn. De besmettingenpiek die hierdoor ontstond, noopte de Staat om op 9 juli 2021 de versoepelingen voor de horeca die op 26 juni 2021 waren ingegaan weer gedeeltelijk terug te draaien. KHN [Horeca Nederland; toevoeging rechtbank] is voornemens in haar nadere conclusie de grondslag van de eis op dit punt te vermeerderen.”

In de door Horeca Nederland voorgestelde mededeling (in het kader van artikel 1018f onder 3 Rv) staat over vordering en de grondslag daarvan het volgende:

“[Horeca Nederland; toevoeging rechtbank] (hierna: KHN) voert bij de rechtbank Den Haag een procedure tegen de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) ten behoeve van: alle horecaondernemers die (i) lid zijn van KHN; (ii) woonplaats in Nederland hebben; en: (iii) schade hebben geleden als gevolg van de door de Staat getroffen maatregelen in het kader van de corona-pandemie. Dit heet een “collectieve vordering”. De collectieve vordering is gegrond op onrechtmatige daad. KHN stelt dat de Staat onrechtmatig handelt tegen deze horecaondernemers, doordat hij deze horecaondernemers onvoldoende compenseert voor de schade die hun is toegebracht door de coronamaatregelen. Die coronamaatregelen zijn getroffen in het belang van de gehele samenleving, maar de horecaondernemers dragen een onevenredig deel van de schade die door die maatregelen is veroorzaakt. KHN stelt ook dat de Staat schadeplichtig is voor schade door specifieke gedragingen, zoals het verstrekken van toegangsbewijzen direct na vaccinatie met het Janssen-vaccin (het “Dansen met Janssen effect”) en het gesloten houden van terrassen, waardoor de parken overvol raakten (het “waterbed-effect”).”

Dit maakt eens temeer duidelijk dat Horeca Nederland de vordering baseert op een samenstel van maatregelen en gedragingen sinds het uitbreken van de coronapandemie waardoor horecaondernemers geraakt zijn.

3.19.

De groep voor wie de collectieve vordering is ingesteld, de leden van Horeca Nederland, is zeer divers. In de statuten van Horeca Nederland staat (in artikel 6 lid 1) dat lid kunnen worden: ‘Natuurlijke personen, personenvennootschappen en rechtspersonen die in Nederland een bedrijf exploiteren waarin (a) het hotel-, restaurant-, of het cafébedrijf wordt uitgeoefend of (b) de verstrekking van logies, of van maaltijden, spijzen of dranken als bedrijf plaatsheeft, één en ander indien ook overigens wordt voldaan aan de door het landelijk bestuur en ledenraad te stellen nadere voorwaarden.’ Horeca Nederland heeft tijdens de regiezitting bevestigd dat de collectieve vordering niet ziet op een bepaalde groep ondernemers maar op al haar leden.

3.20.

Als al kan worden aangenomen dat de door de Staat opgelegde beperkende maatregelen identiek waren voor al deze ondernemers, geldt dat in elk geval de impact van de maatregelen voor verschillende (groepen van) ondernemers verschillend is geweest. Voor een snackbar of ijssalon waren de gevolgen voor de bedrijfsvoering naar moet worden aangenomen immers anders dan voor een restaurant, een hotel of een discotheek. Ook de Staat heeft in de conclusie van antwoord (randnummer 8.5.16) aangevoerd dat de horeca allerminst een homogene groep vormt en dat de wijze waarop de coronamaatregelen verschillende typen horecaondernemingen raken, sterk verschilt:

“Een toch al op to go-aankopen gerichte koffiebar in een stadscentrum wordt op een geheel andere manier geraakt dan een café. Voor een snackbar valt de beperking tot laten afhalen en bezorgen van eten minder zwaar dan voor een sterrenrestaurant.”

3.21.

Juist die impact is van belang bij de beoordeling van de stelling waarop de vorderingen zijn gebaseerd, namelijk dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens horecaondernemers omdat zij door de beperkende maatregelen onevenredig zijn getroffen terwijl zij daarvoor niet voldoende zijn gecompenseerd. Dat is anders dan in de zaak over gedupeerde beleggers, waar Horeca Nederland tijdens de zitting van 15 maart 2022 naar verwees, waarmee naar de rechtbank begrijpt onder meer wordt gedoeld op de uitspraak van 27 november 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2162, World Online). In die zaak kon bij de beoordeling van de vraag of het gedrag van de gedaagden onrechtmatig was geweest, geabstraheerd worden van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van beleggers. Die bijzondere omstandigheden (die relevant zijn bij vragen over bijvoorbeeld schade(omvang), causaal verband en eigen schuld) konden vervolgens in individuele vervolgprocedures aan de orde komen. Voor zover Horeca Nederland met een beroep op dit arrest beoogt te stellen dat verschillen in de mate waarin (te onderscheiden categorieën van) horecaondernemers door de coronamaatregelen getroffen zijn, pas in individuele vervolgprocedures aan de orde dienen te komen, nadat in deze procedure in het algemeen de onrechtmatigheid van het invoeren van de coronamaatregelen jegens alle horecaondernemers is vastgesteld, verwerpt de rechtbank deze stelling. Voor de beoordeling van die onrechtmatigheidsvraag is in deze zaak immers relevant of de horecaondernemers onevenredig nadeel hebben ondervonden van de coronamaatregelen. Nu niet alle horecaondernemers daarvan op dezelfde manier en in gelijke of vergelijkbare mate nadeel hebben ondervonden, kan die onrechtmatigheidsvraag niet in het algemeen worden beantwoord. Het gaat om een zo diverse groep ondernemers en een zo complex samenstel van verschillende maatregelen en gedragingen door de Staat die vanwege de gevolgen daarvan voor deze groep onrechtmatig zouden zijn, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet goed mogelijk is om de vorderingen van al deze ondernemers ineens gezamenlijk te behandelen zonder hun specifieke omstandigheden te beoordelen.

slotsom

3.22.

De rechtbank komt tot de conclusie dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn zodat niet is voldaan aan artikel 1018c lid 4 onder b Rv. Dat moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van Horeca Nederland in de collectieve vorderingen. In het midden kan daarom worden gelaten of voldaan is aan de voorwaarde vermeld in artikel 1018c lid 5 onder c Rv.

3.23.

In deze zaak zijn ook vorderingen ingesteld namens acht concrete horecaondernemers. Daarvoor gelden de eisen van artikel 1018a en volgende Rv en wat daarover hiervoor is overwogen niet.

3.24.

Horeca Nederland heeft aangegeven dat het mede gelet op het tijdsverloop nog een conclusie wil nemen en de grondslag van haar eis – naar de rechtbank aanneemt ook voor wat betreft de vorderingen namens de acht horecaondernemers – wil aanvullen. Voor het aanvullen van de grondslag van haar eis voor de acht horecaondernemers krijgt zij de gelegenheid, met een termijn van zes weken. De Staat krijgt daarna een termijn van zes weken voor het nemen van een antwoordconclusie. Vervolgens kan, rekening houdend met een voorbereidingstijd van twee weken, de mondelinge behandeling plaatsvinden zo spoedig mogelijk na 13 juli 2022. De eerder geplande mondelinge behandeling (op 28 juni 2022) zal dus met een aantal weken worden uitgesteld. Partijen wordt verzocht op de rolzitting van 13 april 2022 verhinderdata op te geven over de periode van 13 juli 2022 tot eind oktober 2022.

3.25.

Iedere verdere beslissing, inclusief een beslissing over de proceskosten in verband met de niet-ontvankelijkheid van de collectieve vorderingen, zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verklaart Horeca Nederland niet ontvankelijk in de collectieve vorderingen, dat zijn de vorderingen in de hoofdzaak onder c en d,

4.2.

verwijst de zaak naar de rol van 13 april 2022 voor het opgeven van verhinderdata door beide partijen over de periode 13 juli 2022 tot eind oktober 2022,

4.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 mei 2022 voor het nemen van een conclusie door Horeca Nederland,

4.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P. Dondorp, M.A. van de Laarschot en J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022.