Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:2782

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2022
Datum publicatie
30-03-2022
Zaaknummer
C/09/585053 / HA ZA 19-1272
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen gebaseerd op doorbraak van aansprakelijkheid naar Venezolaans recht toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/585053 / HA ZA 19-1272

Vonnis van 30 maart 2022

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

SEALING GASKETING & CORROSION CONTROL LLC,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

eiseres,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

BARIVEN S.A.,

gevestigd te Caracas, Venezuela,

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

PETROLEOS DE VENEZUELA S.A.,

gevestigd te Caracas, Venezuela,

gedaagden,

advocaat mr. M. Deckers te Amsterdam.

Partijen zullen hierna SGCC, Bariven en PDVSA genoemd worden. Met Bariven c.s. worden gedaagden in de hoofdzaak gezamenlijk aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van 11 november 2020, waarbij een verzoek om tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het vonnis in incident van 19 augustus 2020 is afgewezen;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijk verzoek tot aanhouding, met één productie;

  • -

    het tussenvonnis van 14 juli 2021, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 10 november 2021;

  • -

    de rolbeslissing van 17 november 2021;

  • -

    de akte na comparitie tevens houdende overlegging producties van SGCC van 8 december 2021, met producties;

  • -

    de akte na comparitie van Bariven c.s. van 29 december 2021;

  • -

    de rolbeslissing van 26 januari 2022, waarbij een datum is bepaald voor een comparitie van partijen;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 4 februari 2022.

1.2.

De processen-verbaal van de comparities zijn buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het processen-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

SGCC exploiteert een internationaal opererende handelsonderneming. Zij is gespecialiseerd in materialen voor onder meer de olie- en gasindustrie, alsmede de constructie-/bouwindustrie.

2.2.

PDVSA is de Venezolaanse staatsoliemaatschappij. Zij is de moedermaatschappij van diverse werkmaatschappijen, die zich bezig houden met het onderzoek naar, het uit de grond halen van, het transporteren van, de opslag en de verkoop van ruwe olie en hydrocarbons.

2.3.

PDVSA is enig aandeelhouder van haar werkmaatschappij Bariven. Bariven houdt zich bezig met de inkoop van materialen, apparatuur en diensten die nodig zijn voor de olie- en gaswinning.

2.4.

In de periode 2012-2016 heeft SGCC diverse onderdelen en materialen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van olievelden verkocht en geleverd aan Bariven.

2.5.

Bariven heeft de facturen van SGCC voor de in 2.4 bedoelde leveringen tot een bedrag van USD 52.605.636,93 onbetaald gelaten.

2.6.

Bij e-mailbericht van 14 juni 2019 heeft [naam 1] namens PDVSA aan [naam 2] van SGCC bericht dat in het systeem van PDVSA een schuld aan SGCC is geadministreerd ten bedrage van in totaal USD 52.605.636,93.

2.7.

Op 19 juli 2019 heeft SGCC, na hiertoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, tot zekerheid van haar vordering:

- ten laste van Bariven conservatoir derdenbeslag gelegd onder PDVSA Services B.V.;

- ten laste van PDVSA conservatoir beslag gelegd op de aandelen die PDVSA houdt in het kapitaal van Propernyn B.V., gevestigd te Den Haag.

3 Het geschil

3.1.

SGCC vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I Bariven en PDVSA hoofdelijk, althans Bariven en/of PDVSA veroordeelt tot betaling aan SGCC van de openstaande facturen ten bedrage van

USD 52.605.636,93 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot de datum van betaling;

II Bariven en PDVSA hoofdelijk, althans Bariven en/of PDVSA veroordeelt tot betaling aan SGCC van de kosten van de gelegde beslagen ten bedrage van
€ 5.431,64, vermeerderd met de wettelijke rente;

III Bariven en PDVSA hoofdelijk, althans Bariven en/of PDVSA veroordeelt tot betaling aan SGCC van de kosten van de juridische opinie van de Venezolaanse advocaat Bernardo Bentata ten bedrage van USD 5.250, vermeerderd met de wettelijke rente;

IV Bariven en PDVSA hoofdelijk, althans Bariven en/of PDVSA veroordeelt tot betaling aan SGCC van de kosten van de vertalingen ten bedrage van USD 318,18 en de vertaalkosten van de dagvaarding (PM), vermeerderd met de wettelijke rente;

V Bariven en PDVSA hoofdelijk, althans Bariven en/of PDVSA veroordeelt in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten vermeerderd en de wettelijke rente.

3.2.

SGCC stelt hiertoe, samengevat, dat Bariven in gebreke blijft met de betaling van de onder 2.5 bedoelde facturen van SGCC voor de door haar aan Bariven verkochte en geleverde onderdelen en materialen. PVDSA is naast Bariven hoofdelijk aansprakelijk, primair op grond van doorbraak van aansprakelijkheid in concernverhoudingen naar Venezolaans recht en subsidiair op grond van onrechtmatige daad naar Nederlands recht.

3.3.

Bariven c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vorderingen jegens Bariven

4.1.

Allereerst moet worden beoordeeld naar welk recht de vorderingen jegens Bariven moeten worden beoordeeld. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van Rome I-Vo1, aangezien deze verordening een universeel formeel toepassingsgebied kent.

4.2.

In het bevoegdheidsincident heeft de rechtbank beslist dat de algemene voorwaarden van Bariven deel uitmaken van de overeenkomsten waarvan SGCC nakoming vordert. Dit oordeel volgt de rechtbank in de hoofdzaak. Artikel 25 van die algemene voorwaarden bevat een rechtskeuze voor Nederlands recht, die voldoet aan de vereisten van artikel 3 lid 1 Rome I-Vo. Dit betekent dat de vorderingen van SGCC naar Nederlands recht moeten worden beoordeeld, waarvan partijen ook uitgaan.

4.3.

Bariven heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering tot betaling van USD 52.605.636,93. Deze vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente.

4.4.

SGCC baseert de vorderingen tot vergoeding van de kosten van de juridische opinies en de vertaalkosten (€ 655,24 volgens productie 13 bij dagvaarding) – zo begrijpt de rechtbank – op artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bariven heeft niet bestreden dat deze ten behoeve van de onderhavige procedure verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten in dat verband naar hun omvang redelijk zijn te achten. Deze vorderingen zullen dus worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, 29 augustus 2019.

Vorderingen jegens PDVSA

4.5.

Allereerst is aan de orde naar welk recht de vorderingen moeten worden beoordeeld. Het gaat hier om de doorbraak van aansprakelijkheid (in concernverhoudingen) die wordt beheerst door het incorporatierecht (lex societatis) als omschreven in artikel 10:118 e.v. BW. Artikel 10:119 aanhef en onder e BW bepaalt dit uitdrukkelijk voor de vraag wie naast de corporatie voor de handelingen waardoor de corporatie (jegens derden) wordt verbonden aansprakelijk is uit hoofde van een bepaalde hoedanigheid. Verwezen wordt naar een oprichter, vennoot, aandeelhouder, lid, bestuurder, commissaris of andere functionaris.

4.6.

Het gaat in dit geval niet om doorbraak van aansprakelijkheid op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad, in welk geval niet wordt aangeknoopt bij het incorporatierecht, maar bij het recht dat de overeenkomst of onrechtmatige daad beheerst. Toepassing van het incorporatierecht brengt in dit geval mee dat de vraag of PDVSA aansprakelijk is voor de schuld van Bariven wordt beheerst door het Venezolaanse recht.

4.7.

SGCC beroept zich ter onderbouwing van haar stelling dat PDVSA aansprakelijk is voor de schuld van Bariven op de uitspraak van de Consitutional Division of the Supreme Tribunal of Justice (hierna: het Constitutioneel Hof) van 14 mei 2004 in de zaak Transporte SAET, waarvan SGCC een vertaling in de Engelse taal heeft overgelegd (productie S-10). Daarnaast heeft SGCC juridische opinies overgelegd van Bernardo Bentata (hierna: Bentata) (productie S-8 en S-23), Tulia Alvares Ledo (hierna: Ledo) (productie S-9) en twee publicaties van Carlos Eduaro Acedo Sucre (hierna: Sucre) (producties 21 en 22). PDVSA heeft op haar beurt een juridische opinie overgelegd van Carlos Enrique Mouriño Vaquero (hierna: Mouriño) (productie 4). De rechtbank acht zich met deze documenten en de overige producties voldoende voorgelicht om over de aansprakelijkheid naar Venezolaans recht een oordeel te kunnen geven.

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 201 van de Venezolaanse Código de Comercio (Handelswet) een rechtspersoon een eigen afgescheiden vermogen heeft en drager is van eigen rechten en plichten.2 Partijen zijn het erover eens dat het Venezolaanse recht enkele uitzonderingen kent op dit beginsel. Ook in de uitspraak Transporte SAET wordt hierop een uitzondering gemaakt, zoals hierna zal worden toegelicht.

4.9.

In de zaak waarover in Transporte SAET is beslist, had een werknemer een vordering tot betaling ingesteld tegen zijn werkgever, de vennootschap Transporte SAET La Guaria, C.A. (hierna: de dochtervennootschap). Deze vordering werd in eerste aanleg toegewezen tegen haar moedervennootschap Transporte SAET S.A. (hierna: de moedervennootschap), welke vennootschap geen verweer had kunnen voeren, omdat zij niet was gedagvaard. In hoger beroep werd de vordering jegens de moedervennootschap afgewezen, vanwege een schending van het recht van de verdediging. Het Constitutioneel Hof heeft deze laatste uitspraak vervolgens vernietigd.

4.10.

In Transporte SAET heeft het Constitutioneel Hof over de zaak als volgt geconcludeerd:

“In the case at bar, this Chamber observes that in pages 17 and 35 of the file, there is evidence that the president of TRANSPORTE SAET, S.A. and TRANSPORTE SAET LA GUAIRA, C.A. is the same person: Gordana Cirkovic Cadek (personal identification omitted) and that the by-laws of TRANSPORTE SAET LA GUAIRA, C.A. reflect that its main shareholder is TRANSPORTE SAET, S.A. (pages 37 and 38), which shows that, between both corporations, with the common denomination of “TRANSPORTE SAET”, there is unit of management and economic unit and therefore we are before a group which ought to respond as such to its employees, even though services are rendered to one of the corporations that conform it.

That being so, upon holding the controlling company liable to pay an indivisible labor obligation, the judge against whom constitutional protection was sought did not violate the rights to defense and due process invoked by the petitioner, nor did he act beyond his competence, contrary to that declared by the A quo.

Based on these considerations, this Constitutional Chamber revokes the decision submitted it for consultation and dismisses the action for constitutional protection filed by TRANSPORTE SAET, S.A. against the decision of 11 July 2001 issued by the Labor Court of First Instance of Vargas State. It is so decided.”

4.11.

Uit deze conclusie maakt de rechtbank op dat voor het oordeel van het Constitutioneel Hof dat de moedermaatschappij aansprakelijk kon worden gehouden voor de schuld van de dochtermaatschappij, beslissend was dat de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij onder gezamenlijke leiding stonden en een economische eenheid vormden, wat de rechtbank hierna tezamen aanduidt als een economische groep.

Fraude of misbruik vereist?

4.12.

PDVSA heeft onder meer aangevoerd dat voor de in Transporte SAET bedoelde doorbraak van aansprakelijkheid nodig is dat sprake is van fraude of misbruik aan de zijde van (leden van) de economische groep. De rechtbank volgt dit standpunt niet, gelet op het volgende.

4.13.

In Transporte SAET heeft het Constitutioneel Hof in zijn overwegingen betrokken dat er Venezolaanse wetgeving bestaat met het oog op misbruik of fraude door groepsvennootschappen jegens derden, zoals onder meer blijkt uit de volgende passage:

“In these scenarios, if liability were demanded from the group and not only from the obligated legal person (corporation), the freedom of association contemplated in article 52 of the Constitution, expressed through the existence of different legal persons, is not affected, because if the damage to third parties comes from the abuse of the right to associate, or from a fraud to the law instrumented by the different companies, such objective is illegal; this in some cases, without prejudice of indivisible obligations arising for the group, which is legally possible.

The laws that regulate the economic, financial or corporate groups avoid that the different companies, with the legal personalities of their own, but that are a part of an economic unit, or maintain a unit of direction and that act using one or more legal persons for their benefit, avoid the responsibilities of the group vis-à-vis the obligations assumed by one of its components.

With this it is sought to legally avoid the abuse of the right to associate, which produces an illicit conduct, or avoid the fraud to the law, or a simulation to the prejudice of third parties. To avoid these possibilities, the legal system has indicated solidary duties and obligations to the concerted activities amongst legal persons and for that it has recognized the groups, whether they are economic, financial or corporate, which may result, in their constitution, from diverse criteria that the laws themselves consider. As units, there is a possibility that they also assume indivisible obligations, or obligations like those, because the law expressly imposes it, or because the law - upon recognizing the existence of the group and its responsibility as such - accepts that we are facing a unit as a whole, wherefore it cannot either be executed in parts, if the payment is demanded from the unit (group), even if the demand is one of its components.”

4.14.

Het Constitutioneel Hof heeft in zijn conclusie, zoals weergegeven onder 4.10, echter niet vastgesteld dat in de zaak Transporte SAET sprake was van misbruik of fraude. Naast deze conclusie is een sterke aanwijzing dat fraude of misbruik geen vereiste is om doorbraak van aansprakelijkheid aan te nemen, de dissenting opinion bij Transporte SAET van raadsheer Haaz. Zijn grootste kritiekpunt is namelijk dat dit vereiste wél zou moeten gelden, zoals blijkt uit de volgende passage:

“The decision of which I dissent abandons, inexplicably, this note of the illegality inherent in the theory of lifting the corporate veil and affirms that the allegation and proof of the existence of a group, its conformation and which of its components was in breach, shall suffice. All analysis is omitted, however, on the necessary illegality that must be present to lift the corporate veil and disregard, in this manner, the consequences derived from this fiction of legal personality. All the theory of piercing the veil is supported on the concept of simulation: the existence of commercial corporations is simulated , with their own personality, but being owned by the same corporate group with the intention of tricking the application of a specific provision of public order. For these reasons, the necessary evidence for application of the theory of piercing the corporate veil - when the law so provides - must also refer to the simulation.

(…)

It shall suffice, however, according to the [majority’s] judgment in question, that a commercial corporation be a part of the same corporate group as another, for that, against it, judgments may be enforced which hold the former liable, even though in the incorporation of those commercial corporations there was no illegal act, that is, even though this does not respond to a simulated act. In this manner, the theory of lifting the corporate veil has been detracted because it obviates, with no motivation, any consideration as to the cause that motivated the creation of such corporations, which must be, necessarily, a cause of simulation, with the intention to trick, fraudulently, the application of prohibitions of public order.”

4.15.

Ook Sucre heeft in het artikel “Piercing the corporate veil in the jurisprudence of the Supreme Court of Justice” bevestigd dat fraude of misbruik geen vereiste is. Hij heeft zich daarover kritisch opgesteld en Transporte SAET en daarop volgende – door hem in het artikel besproken – jurisprudentie, als een “atrocity” en een “outrage” – aangemerkt, maar is wel van mening dat het in Transporte SAET ontwikkelde leerstuk breed wordt toegepast op allerlei typen rechtsverhoudingen, ook buiten arbeidszaken:

“All the rulings cited in this article, which are very numerous, are from the Supreme Court of Justice. Some of those rulings, like the Saet precedent, were rendered in labor proceedings, but many others were not. Accordingly, the doctrine expressed in the Saet precedent, issued in a labor litigation, is applied to all types of relationships. It follows from these decisions that it is not a requirement, in order to lift the corporate veil, that matters of public order are at stake. None of the judicial proceedings mentioned here fell on a case of fraud or other illicit act of collective authorship that could give rise to the joint and several liability provided for in the first part of the Article 1195 of the Civil Code. In other words, in the numerous cases reviewed in this essay, in which the magistrates of our highest court lifted the corporate veil, these were not based on particular behaviors likely to defraud the creditors of a business group. There are rulings of the Supreme Court of Justice in which the corporate veil was lifted due to fraud or illicit act, but we are deliberately not citing them in this essay, as the purpose hereof is to make it clear that the corporate veil is being lifted in absence of fraud or illicit facts. Several of the rulings outlined in this essay correspond to situations in which the magistrates of our highest court invoked the Saet precedent, but did not lift the corporate veil, since the burden of allegation and proof or some other requirement was not satisfied. In none of these decisions, the refusal to lift the corporate veil is based on a requirement that there be particular behaviors likely to defraud creditors of a business group. So, as the doctrine of the Saet precedent was formulated and is being applied, it is enough that the existence of a business group is alleged and proven time [in the proceedings], for the liability of any of its members to be allowed to be collected from the others.

From a legal point of view, the Saet precedent and the jurisprudence that ratifies it are an atrocity, and much has already been written about it.

(…)

And, from an economic point of view, the Saet precedent and the jurisprudence that ratifies it are, likewise, an outrage. lndeed, in any serious country, business activity is promoted, which implies facilitating investments and protecting minority shareholders, as well as creditors. However, the Saet precedent attempts against all of them, because, without fraud or collective authorship of an illicit act, it t holds a company responsible for the liabilities of another entity of the same group, with which those who only participate in the capital of the former, or only lend to the former, are adversely affected by the bad deals of the latter. The lifting of the corporate veil, without particular conducts likely to defraud the group’s creditors, is only justified when there are no minority shareholders in any of the companies that comprise it, and when they all have the same creditors and in the same proportion, which is very unusual, almost impossible (…).”

4.16.

In zijn artikel “Piercing the corporate veil and PDVSA” is Sucre nader ingegaan op de positie van PDVSA met betrekking tot het in Transporte SAET ontwikkelde leerstuk. Ook in dat artikel heeft Sucre bevestigd dat geen fraude of misbruik hoeft te worden bewezen om doorbraak van aansprakelijkheid als bedoeld in Transporte SAET aan te nemen. De rechtbank wijst op dit punt op de volgende passage:

“CONCLUSION. Under current Venezuelan law, the corporate veil between entities of the same group can be pierced by establishing the relationship between them; so the corporate veil between PDVSA and its Affiliates can be pierced by establishing that the Republic owns PDVSA, which in turn owns its Affiliates, all of whom are controlled directly or indirectly by the Minister. The Constitution and the Hydrocarbons Law require this ownership and control. At the present time, to pierce the corporate veil, there is no need to establish a fraud against the group of companies’ creditors or any other illegality. It follows that that there is no need to establish that PDVSA, its Affiliates or the Republic incurred in an abuse of power or any other illicit behavior. Under Venezuelan law, as the

Supreme Court and other courts currently and constantly apply it, judges can lift the corporate veil merely because PDVSA and its Affiliates belong to a group of companies owned and controlled by the Republic. This has been the case since the year 2004, when the Constitutional Chamber, exercising its power to create binding precedents pursuant to the Constitution, declared that the only requirement to pierce the corporate veil is the existence of a group of companies, which results from ownership, from control or from the law. Therefore, to the extent Venezuelan law applies, the piercing of the corporate veil must take place because PDVSA and its Affiliates form a group of companies.”

4.17.

Bentata heeft deze conclusie in zijn juridische opinie van 3 december 2021 (productie S-23) onderschreven en ook Ledo heeft in zijn juridische opinie het standpunt ingenomen dat geen sprake hoeft te zijn van fraude of misbruik om doorbraak van aansprakelijkheid aan te nemen. Alleen Mouriño, die heeft gereageerd op de eerste opinie van Bentata, ziet dit anders. Die enkele opinie van Mouriño legt gelet op al het voorgaande onvoldoende gewicht in de schaal.

4.18.

Dit een en ander leidt de rechtbank tot de vaststelling dat voor doorbraak van aansprakelijkheid als bedoeld in Transporte SAET geen fraude of misbruik vereist is.

Transporte SAET van toepassing op zaken tussen commerciële partijen of alleen op zaken met een zwakkere partij?

4.19.

PDVSA heeft onder meer aangevoerd dat het in Transporte SAET ontwikkelde leerstuk slechts bedoeld is voor zaken waarin sprake is van een te beschermen zwakkere partij en dus niet op een zaak tussen commerciële partijen, zoals hier aan de orde. Ook op dit punt volgt de rechtbank PDVSA niet, gelet op het volgende.

4.20.

Vast staat dat in Transporte SAET sprake was van een zwakkere partij, namelijk de werknemer. De uitspraak biedt echter onvoldoende aanknopingspunten om de vraag of het Constitutioneel Hof deze omstandigheid van beslissende betekenis heeft geacht, bevestigend te beantwoorden.

4.21.

Partijen hebben ter ondersteuning van hun uiteenlopende standpunten diverse andere Venezolaanse uitspraken genoemd waarin het leerstuk van Transporte SAET aan de orde zou zijn geweest. Niet gesteld is dat in die uitspraken uitdrukkelijk is overwogen dat het leerstuk uitsluitend van toepassing is in zaken met een zwakkere partij (zoals PDVSA meent) of dat het van toepassing is in zaken tussen commerciële partijen (zoals SGCC betoogt). De rechtbank kan dat ook niet zelf nagaan, nu de tekst van deze uitspraken niet integraal is overgelegd, met uitzondering van de uitspraak Technoconsult S.A./ Thyssenkrupp Robins Inc. (productie S-24 van SGCC), waarvan is gebleken dat deze niet relevant is voor dit geschilpunt.

4.22.

De rechtbank sluit zich aan bij de bevindingen van Sucre, die door partijen niet is aangezocht en daarom als onafhankelijk deskundige kan worden aangemerkt. Zoals hiervoor reeds vermeld, wordt volgens Sucre het in Transporte SAET ontwikkelde leerstuk toegepast op allerlei typen rechtsverhoudingen, ook buiten arbeidszaken. Sucre verwijst ter illustratie naar meerdere uitspraken. Dit betekent dat de rechtbank SGCC volgt in haar standpunt dat het leerstuk van toepassing is op zaken tussen twee commerciële bedrijven, zoals hier aan de orde.

Is Transporte SAET bindend voor lagere rechters?

4.23.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan het betoog van PDVSA dat Transporte SAET niet bindend is voor de lagere Venezolaanse rechter omdat, kort gezegd, i) uitsluitend uitspraken van het Constitutioneel Hof over de uitleg van de Venezolaanse Grondwet direct bindend zijn en ii) Transporte SAET niet is gewezen naar aanleiding van een verzoek tot interpretatie van de Venezolaanse Grondwet.

4.24.

De rechtbank laat de juistheid van het betoog van PDVSA in het midden aangezien, zoals hiervoor is vastgesteld, de Venezolaanse rechters het in Transporte SAET ontwikkelde leerstuk in de praktijk toepassen. Hierbij sluit deze rechtbank aan.

Zijn PDVSA en Bariven onderdeel van een economische groep?

4.25.

In Transporte SAET heeft het Constitutioneel Hof uitvoerig een aantal criteria genoemd voor het bestaan van een economische groep, welke criteria Bentata in zijn juridische opinie van 10 juli 2019 als volgt heeft samengevat:

“1. It must be a group of companies that operate in concert repeatedly projecting their activities towards third parties;

2. There must exist a controller or Director who effectively exercises control; or the inevitable possibility that one or more persons (natural or legal) may direct other legal persons, imposing instructions;

3. This control or direction may be direct, as evidenced from common officers; or may be indirect, clear or through interposed persons. This indirect control often times is exercised through corporations that have the only objective of owning other corporations, which in turn are owners or shareholders of another or others, which are the actual operative ones. These chains of companies are the ones that doctrine refers to as instrumentalities, and they are the ones that receive from the Controller the instructions.

4. The members of the group do not need to have the same corporate objective. Rather, usually the object of each element of the group differs.

5. The controlled follow instructions from the controllers. Thus, the unity of management, activities and direction. Consequently, they are instruments for an objective.

6. Officers of the controlled, as a natural condition of the group, lack decisive power on global policies applied to their companies since they receive instructions as to what their companies ought to do.

7. Because what is important to the legal notion of the group is the protection of the public, facing the limitation of liability that arises by reason of the different acting legal personalities, it is evident that what the rules pursue is that the controllers respond for the acts of the group or that the more solvent corporations within these groups assume liabilities of the group; and therefore, not only the different corporations are bound to pay or cover the obligations of the group, but also the natural persons that may be identified.

8. The notion of a group signifies permanence and not an occasional relation for one or more businesses.”

4.26.

PDVSA heeft de juistheid van deze samenvatting in zoverre bestreden dat volgens haar onvoldoende is dat de mogelijkheid tot beïnvloeding van groepsmaatschappijen bestaat en dat moet worden vastgesteld dat in het concrete geval sprake is van het uitoefenen van invloed of macht op de overeenkomsten tussen SGCC en Bariven of het aanbestedingsproces. Echter, uitsluitend Mouriño heeft dat vereiste, zonder verdere toelichting, in zijn juridische opinie genoemd (§ 28). Voor het bestaan van dit vereiste vindt de rechtbank geen aanknopingspunten in Transporte SAET en PDSVA heeft desgevraagd ook niet kunnen toelichten waarop Mouriño dit baseert. De rechtbank volgt PDVSA op dit punt niet.

4.27.

De rechtbank gaat dus uit van de onder 4.25 weergegeven samenvatting van de criteria. PDVSA heeft niet (gemotiveerd) bestreden dat Bariven en zij op basis van deze criteria onderdeel zijn van een economische groep. Ook Sucre gaat daarvan uit, nu hij in het onder 4.16 genoemde artikel heeft geconcludeerd dat de Staat Venezuela eigenaar is van PDVSA, die op haar beurt eigenaar is van de werkmaatschappijen, die alle direct of indirect worden bestuurd door de minister. Hieraan heeft Sucre toegevoegd dat het PDVSA-concern ook volgens de Hydrocarbons law en de Venezolaanse Grondwet een economische groep vormt. De rechtbank volgt, in het licht van de vaststaande feiten, Sucre (en Bentata) op dit punt.

4.28.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat PDVSA naast Bariven kan worden aangesproken tot betaling van de facturen van SGCC. De vordering tot betaling van

USD 52.605.636,93, te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente, zal dus ook jegens PDVSA worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de vorderingen met betrekking tot de kosten van de juridische opinies en de vertaalkosten.

Proceskosten

4.29.

Bariven c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten begroot de rechtbank aan de zijde van SGCC, inclusief de beslagkosten, op € 24.389,91, namelijk € 4.030 aan griffierecht, € 1.238,41 aan verschotten en € 19.121,50 aan salaris advocaat (4½ punten à € 3.999 per punt, volgens tarief VIII (hoofdzaak) en 2 punten à € 563, volgens tarief II (incident)), te vermeerderen met de volgens het liquidatietarief te begroten nakosten en wettelijke rente zoals door SGCC is gevorderd.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt Bariven en PDVSA hoofdelijk tot betaling aan SGCC van de openstaande facturen ten bedrage van USD 52.605.636,93, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot de datum van betaling;

5.2.

veroordeelt Bariven en PDVSA hoofdelijk tot betaling aan SGCC van de kosten van de juridische opinie van de Venezolaanse advocaat Bernardo Bentata ten bedrage van
USD 5.250, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2019 tot de dag van algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt Bariven en PDVSA hoofdelijk tot betaling aan SGCC van de kosten van de vertalingen ten bedrage van USD 974,07 (318,18 + 655,24), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2019 tot de dag van algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt Bariven en PDVSA hoofdelijk in de proceskosten, begroot op

€ 24.389,91 aan tot op heden gemaakte proceskosten en op € 163 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 85 in geval van betekening, alle kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis, indien Bariven en PDVSA voormelde kosten niet voordien hebben vergoed, tot de dag van algehele voldoening;

5.5.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of ander gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken op

30 maart 2022.3

1 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.

2 Zie § 8 van de opinie van Mouriño

3 type: 1554 coll: