Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:1687

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2022
Datum publicatie
15-03-2022
Zaaknummer
09-305785-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf voor onder meer phishing (via Marktplaats). De rechtbank betrekt in de strafmaat niet – zoals geëist door de officier van justitie – de niet-tenlastegelegde feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/305785-21

Datum uitspraak: 2 maart 2022

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn, te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 16 februari 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.R. Koenders en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S. Konya naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 18 oktober 2021 te ’s-Gravenhage althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederechtelijk te bevoordelen (telkens) hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffers]

heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en) en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten (inlog)gegevens (gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of toegangscode) waarmee kon worden ingelogd in de account van zijn/haar/hun internetbankierenomgeving,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- via whatsapp voornoemd(e) persoon/personen die een goed te koop aanbood/aanboden op marktplaats benaderd en/of zich daarbij voorgedaan als (een) bonafide (vrouwelijke) koper(s) en/of (vervolgens) een betaalverzoek met een link ter verificatie en/of een QR-code verzonden naar voornoemd(e) verkoper(s) waarbij die persoon/personen (verkoper/verkopers) vervolgens naar een phishing website werd/werden geleid, waar hij/zij werd(en) bewogen tot de afgifte van bovenomschreven gegevens en/of

- ( vervolgens) telefonisch contact opgenomen met voornoemd(e) persoon/personen (verkoper/verkopers) en/of zich voorgedaan als (een) bankmedewerker(s) en/of doorgegeven dat voornoemd(e) persoon/personen (verkoper/verkopers) zijn/haar/hun geld moesten veiligstellen door zijn/haar/hun geld over te boeken naar (een) andere rekening(en) en/of door in te loggen op Anydesk.com en/of (inlog)gegevens in te vullen op de RandomReader en/of (inlog)gegevens te delen met de persoon aan de telefoon;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 18 oktober 2021 te ’s-Gravenhage althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving van de Abn Amro en/of de SNS bank en/of de Rabobank en/of de ING bank en/of ASN Bank en/of één of meer (andere) bank(en), althans een deel daarvan, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de toegang tot de geautomatiseerde werken (of een deel daarvan) heeft/hebben verworven:

- met behulp van (een) valse sleutel(s), te weten de door oplichting verkregen (inlog)gegevens van [slachtoffers] , voor het internetbankieren (te weten de gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of toegangscode) van/bij die bank(en) en/of

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde een of meer geautoriseerde klant(en) van die bank, te weten: [slachtoffers] ;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 18 oktober 2021 te ’s-Gravenhage althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen (in totaal):

- € 2.700 ( zaak 2.1) en/of

- € 4.863,53 ( zaak 2.2) en/of

- € 22.900,- ( zaak 2.3) en/of

- € 826,66 ( zaak 2.4) en/of

- € 400,- ( zaak 2.6) en/of

- € 40.403,16 ( zaak 2.8) en/of

- € 550,- ( zaak 2.9) en/of

- € 4.889,71 ( zaak 2.10) en/of

- € 3.050,- ( zaak 2.11) en/of

toebehorende aan:

[slachtoffers]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij de verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten: door met behulp van de inloggegevens (gebruikersnaam en/of wachtwoord en/of toegangscode) van de internetbankierenomgeving van voornoemd(e) persoon/personen, tot welk gebruik hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren, wederrechtelijk in te loggen in de internetbankierenomgeving van voornoemd(e) persoon/personen;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 18 oktober 2021 te ’s-Gravenhage althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich (telkens) schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (uit hoofde van die gewoonte) (telkens) in voornoemde periode één of meer geldbedragen (in elk geval een bedrag van € 80.583,06) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij (telkens) wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig -eigen- misdrijf.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Inleiding

Op 18 oktober 2021 is de verdachte – naar aanleiding van een signalering in een andere zaak – door politieambtenaren aangehouden. Tijdens deze aanhouding werd door een politieambtenaar gezien dat de verdachte twee voorwerpen weggooide in de bosjes. Uit onderzoek naar de op deze plaats aangetroffen twee mobiele telefoons is naar voren gekomen dat deze vermoedelijk gebruikt werden voor het plegen van meerdere (Marktplaats) oplichtingen.

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 juli 2021 tot en met 18 oktober 2021 tezamen en in vereniging met een ander of anderen meerdere personen heeft opgelicht (feit 1), computervredebreuk en diefstal door middel van valse sleutels heeft gepleegd (respectievelijk feiten 2 en 3) en de opbrengsten daarvan heeft witgewassen (feit 4).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir –gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn pleitnota – primair integrale vrijspraak bepleit omdat niet kan worden bewezen dat de twee in de bosjes aangetroffen telefoons aan de verdachte toebehoorden. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit ten aanzien van het in alle feiten ten laste gelegde medeplegen. Op de specifieke standpunten van de raadsman daaromtrent zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van de tenlastelegging nader worden ingegaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

De bewijsmiddelen

3.4.1.1 De mobiele telefoons

Aantreffen mobiele telefoons

Op 18 oktober 2021 is de verdachte voor de portiek van zijn woning aan de [adres verdachte] te Den Haag door verbalisanten aangehouden. Eén van deze verbalisanten zag dat de verdachte twee mobiele telefoons die hij in zijn linkerhand hield weggooide in de bosjes. In de bosjes werden twee mobiele telefoons aangetroffen.2 Beide mobiele telefoons stonden op dat moment aan. De verbalisant zag dat er meerdere berichten binnenkwamen met betrekking tot aankopen op marktplaats.nl en over een bankpas die geblokkeerd was.3 Deze mobiele telefoons (Apple iPhones) werden voorzien van de SIN-nummers [SIN-nummer] (hierna: toestel 1) en [SIN-nummer] (hierna: toestel 2).4

Op de camerabeelden van de aanhouding van de verdachte op 18 oktober 2021 is te zien dat de verdachte vlak na zijn aanhouding met zijn linkerhand een snelle beweging naar links maakt en kennelijk iets weggooit.5

In de fouillering van de verdachte werd nog een mobiele telefoon (Apple iPhone) aangetroffen.6 Deze mobiele telefoon werd voorzien van het SIN-nummer [SIN-nummer] (hierna: toestel 3).7

Onderzoek naar de mobiele telefoons

Uit de locatiegegevens van toestel 1 blijkt dat deze vaak gelogd zijn aan de [adres verdachte] te Den Haag. Daarnaast zijn er ook veel locaties geregistreerd van straten rondom de woning van de verdachte.8

Van de drie mobiele telefoons zijn de historische gegevens opgevraagd over de periode van 8 augustus 2021 tot en met 19 oktober 2021.

Zowel toestel 1 (imei [IMEI-nummer] ), toestel 2 (imei [IMEI-nummer] ) als toestel 3 (imei [IMEI-nummer] ) hadden als meest aangestraalde mast de [adres] te Den Haag. De woning van de verdachte valt binnen het bereik van deze zendmast.9

Verklaring van de verdachte

Ten aanzien van het in zijn fouillering aangetroffen toestel 3 heeft de verdachte verklaard dat hij deze af en toe gebruikte.

3.4.1.2 Zaak 2.1 ( [slachtoffer] )

Aangifte [slachtoffer]

(hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat zij op 9 oktober 2021 een advertentie op Marktplaats plaatste voor de verkoop van een paar schoenen. Op 10 oktober 2021 ontving zij via WhatsApp een bericht van ‘ [gebruikersnaam] ’ dat zij geïnteresseerd was in de advertentie. Op 11 oktober 2021 ontving zij rond 11:45 uur van ‘ [gebruikersnaam] ’ een verificatiecode via de app. [slachtoffer] heeft deze link vervolgens naar haar e-mailadres gestuurd en – naar aanleiding van vragen die na het klikken op de link volgden – opdrachten uitgevoerd. Rond 17:30 uur werd [slachtoffer] gebeld door een man die zich voordeed als een medewerker van de fraudeafdeling van de Rabobank. De man bevroeg haar over haar rekeningnummer. Hierop heeft [slachtoffer] de verbinding verbroken.

[slachtoffer] heeft verklaard dat er een bedrag van haar rekening bij de Rabobank is afgeschreven.10 Dit bedrag betrof € 2.700,-.11

Onderzoek mobiele telefoons

Op toestel 1 is een chatgesprek van 10 en 11 oktober 2021 van ‘ [gebruikersnaam] ’ (met het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] ) met het telefoonnummer van aangeefster [slachtoffer] aangetroffen. Dit betrof het gesprek waarin [slachtoffer] werd opgelicht. Als afleveradres werd door ‘ [gebruikersnaam] ’ het adres [adres gebruikersnaam] te [adres gebruikersnaam] genoemd.12

Op toestel 2 zijn in de afbeeldingen screenshots van een geopende internetbankieren applicatie van de rekening van [slachtoffer] aangetroffen. De screenshots waren gemaakt op 11 oktober 2021.13

Onderzoek historische gegevens

Uit de historische gegevens van toestel 1 is gebleken dat met deze telefoon op 11 oktober 2021 om 17:09 uur, 17:11 uur en 17: 46 uur door [telefoonnummer] is gebeld naar [telefoonnummer] , het telefoonnummer van [slachtoffer] .

Uit de historische gegevens is ook gebleken dat toestel 1, 2 en 3 zich ten tijde van de oplichting alle drie in de directe omgeving van elkaar bevonden.14

3.4.1.3 Zaak 2.2 ( [slachtoffer] )

Aangifte [slachtoffer]

(hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat hij op 12 oktober 2021 een bericht ontving van ‘ [gebruikersnaam] ’ die interesse toonde in een door hem aangeboden kinderservies op Marktplaats. ‘ [gebruikersnaam] ’ gaf als afleveradres het adres [adres gebruikersnaam] te [adres gebruikersnaam] op. ‘ [gebruikersnaam] ’ heeft met het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] vervolgens via WhatsApp bericht op zijn telefoonnummer [telefoonnummer] . [slachtoffer] heeft in verband met de betaling zijn rekeningnummer doorgegeven. ‘ [gebruikersnaam] ’ heeft hem vervolgens een verificatielink gestuurd en [slachtoffer] heeft daarna via deze link een ontvangen TAN-code ingevoerd. [slachtoffer] heeft de handelingen waarom werd verzocht via de link uitgevoerd.

Op 12 oktober 2021 rond 17:15 uur werd [slachtoffer] gebeld door een vrouw genaamd ‘ [gebruikersnaam] ’ van de fraudehelpdesk van de ING. De vrouw vertelde dat er een inbraak was geweest op de rekening van [slachtoffer] en vroeg of zij zijn geld veilig mocht stellen. De vrouw van [slachtoffer] heeft vervolgens in opdracht van ‘ [gebruikersnaam] ’ via internetbankieren een geldbedrag van € 4.863,53 van hun rekening bij de ING overgemaakt naar het rekeningnummer van [tenaamgestelde] .15

Onderzoek mobiele telefoons

Op toestel 1 is een chatgesprek van 12 oktober 2021 van ‘ [gebruikersnaam] ’ (met het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] ) met het telefoonnummer van [slachtoffer] aangetroffen. Dit betrof het gesprek waarin hem een valse link werd gestuurd.

Op toestel 2 zijn in de afbeeldingen meerdere screenshots van een geopende internetbankieren applicatie van de rekening van [slachtoffer] aangetroffen. De screenshots waren gemaakt op 12 oktober 2021.16

Onderzoek historische gegevens

Uit de historische gegevens van toestel 2 is gebleken dat met deze telefoon op 12 oktober 2021 om 22:38 uur is gebeld naar [telefoonnummer] , het telefoonnummer van [slachtoffer] .

Uit de historische gegevens is ook gebleken dat toestel 1, 2 en 3 zich ten tijde van de oplichting in de directe omgeving van elkaar bevonden.17

3.4.1.4 Zaak 2.3 ( [slachtoffer] )

Aangifte [slachtoffer]

(hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat zij op 14 oktober 2021 een advertentie voor kleding op Marktplaats heeft geplaatst. Diezelfde dag kreeg zij een WhatsApp bericht van ‘ [gebruikersnaam] ’, die aangaf geïnteresseerd te zijn. ‘ [gebruikersnaam] ’ gaf als afleveradres [adres gebruikersnaam] te [adres gebruikersnaam] aan en gebruikte telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] . ‘ [gebruikersnaam] ’ gaf vervolgens aan dat zij een link zou sturen voor € 0,01 om te controleren of [slachtoffer] betrouwbaar was. [slachtoffer] heeft de link geopend en de betaling met haar Random Reader afgehandeld.

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij tien minuten later werd gebeld door ‘ [gebruikersnaam] ’ van het fraudeteam van de Rabobank. De vrouw vertelde dat het verstandig zou zijn om de rekening veilig te stellen. Vanaf een 06-nummer ontving [slachtoffer] vervolgens twee links met een bedrag van € 10.000,-. Op verzoek heeft [slachtoffer] de geldbedragen overgemaakt van de spaarrekening naar de lopende rekening. [slachtoffer] zag vervolgens geld verdwijnen van meerdere rekeningen van het gezin. Van meerdere rekeningen is geld naar haar Rabobank rekening overgemaakt, waarvan vervolgens een totaalbedrag van € 22.900,- is afgeschreven.18

Onderzoek mobiele telefoons

Op toestel 1 is een chatgesprek van 14 oktober 2021 van ‘ [gebruikersnaam] ’ (met het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] ) met het telefoonnummer van [slachtoffer] aangetroffen.

Op toestel 2 zijn in de afbeeldingen een aantal screenshots van een geopende internetbankieren applicatie van de rekening van [slachtoffer] aangetroffen.

De screenshots zijn gemaakt rond het tijdstip waarop [slachtoffer] contact had met ‘ [gebruikersnaam] ’.19

Onderzoek historische gegevens

Uit de historische gegevens is gebleken dat toestel 1, 2 en 3 zich ten tijde van de feiten in de directe omgeving van elkaar bevonden.20

3.4.1.5 Zaak 2.4 ( [slachtoffer] )

Aangifte [slachtoffer]

(hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat zij op 9 oktober 2021 een borstkolf op Marktplaats heeft aangeboden. Diezelfde dag werd zij in verband met deze advertentie benaderd door ‘ [gebruikersnaam] ’ met het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] . De profielfoto van ‘ [gebruikersnaam] ’ betrof een foto van een dame met donkerblond haar. Als afleveradres werd het adres [adres gebruikersnaam] te [adres gebruikersnaam] doorgegeven. [slachtoffer] heeft haar rekeningnummer van de ABN AMRO aan ‘ [gebruikersnaam] ’ doorgegeven. Vervolgens ontving zij een verificatieverzoek van ‘ [gebruikersnaam] ’, waarbij zij aangaf dat zij deze stuurde in verband met eerdere nare ervaringen met Marktplaats. Omdat de eerste link niet werkte, heeft ‘ [gebruikersnaam] ’ na de vraag of [slachtoffer] nog een ander rekeningnummer had een tweede link gestuurd. [slachtoffer] zag even later dat haar ABN AMRO rekeningnummer was geblokkeerd. Van haar rekeningen bij de ABN AMRO en ING was een totaalbedrag van € 826,66 afgeschreven.21

Onderzoek mobiele telefoons

Op toestel 1 is een chatgesprek van 9 oktober 2021 van ‘ [gebruikersnaam] ’ (met het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] ) met het telefoonnummer van [slachtoffer] aangetroffen. Dit betrof het gesprek waarbij de links aan [slachtoffer] zijn verstuurd.

In toestel 2 werden afbeeldingen aangetroffen waarop te zien is dat op de rekening van [slachtoffer] is ingelogd. De afbeelden waren gemaakt op 9 oktober 2021.22

Historische gegevens

Uit de historische gegevens is gebleken dat toestel 1, 2 en 3 zich ten tijde van de feiten in de directe omgeving van elkaar bevonden.23

3.4.1.6 Zaak 2.6 ( [slachtoffer] )

Aangifte [slachtoffer]

(hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat zij op 16 oktober 2021 een draagzak op Marktplaats te koop heeft aangeboden. Op deze advertentie werd via WhatsApp gereageerd door ‘ [gebruikersnaam] ’ die haar een verificatiebericht stuurde voor haar bankrekeningnummer. [slachtoffer] heeft aan dit verificatieverzoek voldaan. [slachtoffer] zag vervolgens dat van twee verschillende bankrekeningen van de ABN AMRO een totaalbedrag van € 400,- was opgenomen.

Een bedrag van € 250,- is op 16 oktober 2021 om 12:30 uur opgenomen bij Geldmaat [adres van geldopname] te Den Haag.24

Camerabeelden pinnen

Op camerabeelden van voornoemde pintransactie op 16 oktober 2021 bij Geldmaat [adres van geldopname] is te zien dat de pintransactie wordt uitgevoerd door een man met een blauwe jas van het merk Stone Island (logo op de linkermouw).

Tijdens zijn aanhouding op 18 oktober 2021 droeg de verdachte een blauwe jas van het merk Stone Island.

De woning van de verdachte bevindt zich op een afstand van 900 meter van de pinautomaat aan [adres van geldopname] te Den Haag.

Tussen het klikken op de verificatielink door [slachtoffer] en het pinnen bij [adres van geldopname] zit een tijdsbestek van 48 minuten.25

Onderzoek mobiele telefoons

Op toestel 1 is een chatgesprek van 16 oktober 2021 van ‘ [gebruikersnaam] ’ (met het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] ) met het telefoonnummer van [slachtoffer] aangetroffen. Dit betrof het gesprek waarin zij contact had met ‘ [gebruikersnaam] ’. Als afleveradres werd door ‘ [gebruikersnaam] ’ het adres [adres gebruikersnaam] te [adres gebruikersnaam] opgegeven.

Op toestel 2 zijn in de afbeeldingen een aantal screenshots van een geopende internetbankieren applicatie van de rekening van [slachtoffer] aangetroffen.

De screenshots zijn gemaakt rond het tijdstip waarop [slachtoffer] contact had met ‘ [gebruikersnaam] ’.26

Onderzoek historische gegevens

Uit onderzoek is ook gebleken dat de pinautomaat aan [adres van geldopname] binnen het gebied viel van de mast die toestel 1 op dat moment aanstraalde.27

3.4.1.7 Zaak 2.7 ( [slachtoffer] )

Aangifte [slachtoffer]

(hierna: [slachtoffer] ) heeft aangifte gedaan van oplichting door middel van marktplaatsfraude op 10 september 2021 door ‘ [gebruikersnaam] ’. [slachtoffer] werd verzocht op een link te klikken om gegevens van zijn bankrekening te verifiëren. Hij heeft op deze link geklikt.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 11 september 2021 uur werd gebeld door een mannelijke helpdeskmedewerker van de SNS. Hij werd gewaarschuwd voor fraudeurs. [slachtoffer] werd verzocht geld over te maken van zijn spaar- naar betaalrekening. Zijn computer is op een gegeven moment overgenomen door het programma Anydesk, maar [slachtoffer] heeft de controle snel weer teruggenomen. [slachtoffer] heeft de hoogte van de tegoeden van zijn spaarrekening doorgegeven.28

Onderzoek mobiele telefoons

Op toestel 1 is een schermafbeelding aangetroffen waarop te zien is dat is ingelogd op het internetbankieren (van de SNS Bank) van [slachtoffer] .29

3.4.1.8 Zaak 2.8 ( [slachtoffer] )

Aangifte [slachtoffer]

(hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat zij op 27 september 2021, naar aanleiding van haar advertentie op Marktplaats waar zij een sterilisator te koop had aangeboden, via WhatsApp werd benaderd door ‘ [gebruikersnaam] ’, gebruik makend van het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] . Als afleveradres gaf ‘ [gebruikersnaam] ’ het adres [adres gebruikersnaam] te [adres gebruikersnaam] . Op 28 september 2021 heeft ‘ [gebruikersnaam] ’ – omdat zij zekerheid wilde hebben – [slachtoffer] een verificatielink gestuurd waarbij zij € 0,01 moest overmaken. [slachtoffer] ontving daarbij een QR-code die zij via WhatsApp weer naar ‘ [gebruikersnaam] ’ moest sturen. Dat heeft zij gedaan.

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij rond 14:30 uur is gebeld door een man die zei dat hij van de Rabobank was. De man kende haar rekeninggegevens en verzocht haar naar de website www.anydesk.nl te gaan. [slachtoffer] heeft het programma geopend waarmee een ander op haar computer mee kon kijken. [slachtoffer] heeft vervolgens ingelogd op haar bankaccount en de man een aantal keer de signeercode die zij op haar Random Reader kreeg, gegeven. De man heeft deze voor haar op haar laptop ingevuld.

In totaal is een bedrag van € 40.403,16 van haar rekeningen bij de Rabobank afgeschreven.30

Onderzoek historische gegevens

Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] in de periode van 18 september 2021 tot en met 30 september 2021 in toestel 1 heeft gezeten.31

3.4.1.9 Zaak 2.9 ( [slachtoffer] )

Aangifte [slachtoffer]

(hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat zij op 16 oktober 2021, naar aanleiding van een advertentie van een slaapzak op Marktplaats, een WhatsApp bericht heeft ontvangen van ‘ [gebruikersnaam] ’ ( [telefoonnummer gebruikersnaam] ). Bij dit bericht stond een profielfoto van een volwassen vrouw. ‘ [gebruikersnaam] ’ gaf aan de slaapzak over te willen nemen en gaf als afleveradres het adres [adres gebruikersnaam] te [adres gebruikersnaam] aan. Op 18 oktober 2021 heeft ‘ [gebruikersnaam] ’ vervolgens een verificatielink gestuurd en gaf daarbij aan dat zij wilde weten of alles in orde was. [slachtoffer] heeft op de link geklikt, welke leek op een link van Marktplaats. [slachtoffer] heeft verder geklikt en leek in de betaalomgeving van de ABN AMRO te komen. Zij heeft ingelogd met haar pincode op haar Random Reader waarop het systeem leek vast te lopen.

[slachtoffer] heeft verklaard dat een totaalbedrag van € 550,- van haar rekening van ABN AMRO is opgenomen bij de Geldmaat in Den Haag aan [adres van geldopname] .32

Onderzoek mobiele telefoons

Op toestel 1 is een chatgesprek van 16 tot en met 18 oktober 2021 van ‘ [gebruikersnaam] ’ (met het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] ) met het telefoonnummer van [slachtoffer] aangetroffen. Dit betrof het gesprek waarin haar een valse link werd gestuurd.

Op toestel 2 is in de afbeeldingen een screenshot aangetroffen van een geopende internetbankieren applicatie van de rekening van [slachtoffer] . Deze screenshot is gemaakt op 18 oktober 2021.33

Onderzoek historische gegevens

Uit de historische gegevens is gebleken dat toestel 1 en 3 zich ten tijde van de feiten in de directe omgeving van elkaar bevonden.34

3.4.1.10 Zaak 2.10 ( [slachtoffer] )

Aangifte [slachtoffer]

(hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat zij op 30 augustus 2021 naar aanleiding van een advertentie op Marktplaats een WhatsApp bericht kreeg van ‘ [gebruikersnaam] ’. ‘ [gebruikersnaam] ’ wilde de door [slachtoffer] aangeboden rolschaatsen kopen en gaf als afleveradres [adres gebruikersnaam] te [adres gebruikersnaam] op. Via WhatsApp kreeg [slachtoffer] van ‘ [gebruikersnaam] ’ een link om te verifiëren. Zij heeft deze link tweemaal gebruikt.

In totaal is een bedrag van € 4.889,71 afgeschreven van haar rekening bij ABN AMRO.35

Onderzoek mobiele telefoons

Op toestel 1 is een chatgesprek van 30 augustus 2021 met het telefoonnummer van [slachtoffer] aangetroffen. Dit betrof het gesprek waarbij [slachtoffer] werd opgelicht door op de verificatielink te klikken.

Ook werden op toestel 1 een aantal screenshots van een geopende internetbankieren applicatie van de bankrekening van [slachtoffer] aangetroffen. De afbeeldingen zijn een aantal minuten nadat de verificatielink naar [slachtoffer] is gestuurd, gemaakt.

Op toestel 1 werd daarnaast nog een afbeelding aangetroffen van een systeem waarmee de dader toegang heeft gekregen tot de bankrekening van [slachtoffer] .36

Onderzoek historische gegevens

Uit de historische gegevens is gebleken dat toestel 1 en 3 zich ten tijde van de feiten in de directe omgeving van elkaar bevonden.37

3.4.1.11 Zaak 2.11 ( [slachtoffer] )

Aangifte [slachtoffer]

(hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat zij op 20 september 2020, naar aanleiding van een Marktplaats advertentie van een draagdoek, werd benaderd door ‘ [gebruikersnaam] ’ met telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] . ‘ [gebruikersnaam] ’ gaf als afleveradres [adres gebruikersnaam] te [adres gebruikersnaam] en stuurde een link naar [slachtoffer] omdat zij zeker wilde weten dat zij niet werd opgelicht. [slachtoffer] heeft daarbij ingelogd op haar internetbankieren. Er is vervolgens € 3050,- van haar rekening bij ABN AMRO afgeschreven.38

Onderzoek historische gegevens

Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer gebruikersnaam] in de periode van 18 september 2021 tot en met 30 september 2021 in toestel 1 heeft gezeten.

Uit de historische gegevens is ook gebleken dat toestel 1 en 3 zich op het moment van contact via WhatsApp met [slachtoffer] in de directe omgeving van elkaar bevinden.39

3.4.2

Bewijsoverwegingen

Partiële vrijspraak feit 1 en 2 met betrekking tot zaak 2.5 ( [slachtoffer] )

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte aangever [slachtoffer] (zaak 2.5) heeft opgelicht en/of ten aanzien van haar computervredebreuk heeft gepleegd. Uit zowel de aangifte van [slachtoffer] als het weergegeven chatgesprek met ‘ [gebruikersnaam] ’ kan niet worden afgeleid dat [slachtoffer] (inlog)gegevens heeft afgestaan of dat de verdachte is binnengedrongen in de internetbankierenomgeving van [slachtoffer] . De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken voor dat deel van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten dat ziet op [slachtoffer] (zaak 2.5).

Behoorden de telefoons toe aan de verdachte?

De verdachte heeft verklaard dat de telefoons die bij zijn aanhouding op 18 oktober 2021 in de bosjes zijn aangetroffen (telefoon 1 en telefoon 2), niet aan hem toebehoorden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Eén van de verbalisanten heeft tijdens de aanhouding van de verdachte gezien dat hij de mobiele telefoons weggooide. Op de camerabeelden van de aanhouding is een snelle beweging van zijn hand te zien. Bovendien zijn de twee telefoons – die op dat moment aan stonden – naast de verdachte in de bosjes aangetroffen. Daarnaast blijkt uit de locatiegegevens van toestel 1 dat deze vaak gelogd was aan de [adres verdachte] te Den Haag – de woning van de verdachte – en is uit de historische gegevens van de drie telefoons gebleken dat deze als meest aangestraalde zendmast een mast hadden, waarvan de woning van de verdachte binnen het bereik viel. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij toestel 3 af en toe gebruikte en is deze in zijn fouillering aangetroffen. Ten tijde van de tenlastegelegde feiten waren toestel 1, 2 en 3 ofwel toestel 1 en 3 bij elkaar in de buurt.

De verdachte heeft voor dit alles geen verklaring willen geven.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat telefoon 1 en telefoon 2 aan de verdachte toebehoorden en dat hij daar ook de gebruiker van was.

De ten laste gelegde feiten

Uit de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de gebruiker van de telefoontoestellen 1 en 2 – de verdachte – de persoon is geweest die de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

De rechtbank overweegt daarbij dat alle aangiftes te linken zijn aan toestel 1 doordat de chatgesprekken met ‘ [gebruikersnaam] ’ in dit toestel zijn aangetroffen (zaken 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.6, 2.9 en 2.10), er schermafbeeldingen van internetbankieren van aangevers zijn aangetroffen (zaken 2.7 en 2.10) ofwel omdat uit de historische gegevens is gebleken dat het telefoonnummer waarop ‘ [gebruikersnaam] ’ de aangevers berichtte, in toestel 1 heeft gezeten (zaken 2.1, 2.8 en 2.11). In zaak 2.1 is bovendien vanaf toestel 1 naar de aangeefster gebeld.

In toestel 2 zijn in meerdere zaken in de afbeeldingen screenshots aangetroffen van een geopende internetbankieren applicatie van de aangevers (zaken 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.6, 2.9)

In zaak 2.2 is met toestel 2 ook naar een aangever gebeld.

Ook is gebleken dat een aantal van de screenshots van de internetbankieren applicatie met toestel 2 (zaak 2.1, 2.2, 2.3, 2.6 en 2.9) op nagenoeg hetzelfde moment zijn gemaakt dat de aangevers gebruik maakten van de door ‘ [gebruikersnaam] ’ gestuurde verificatielink.

Daarbij heeft de rechtbank nog overwogen dat in alle zaken nagenoeg dezelfde modus operandi is toegepast en dat daarom sprake moet zijn geweest van eenzelfde dader. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het – alle bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien – de verdachte moet zijn geweest die te zien was op de camerabeelden bij de pinautomaat in zaak 2.6.

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank nog als volgt. De slachtoffers zijn bewogen tot de afgifte van hun bankgegevens en geld. Daartoe heeft de dader oplichtingsmiddelen ingezet: hij heeft het vertrouwen van de slachtoffers gewonnen door het gebruiken van verschillende valse namen ( [gebruikersnaam] , [gebruikersnaam] etc.), valse hoedanigheden (een bonafide koper, een bankmedewerker), listige kunstgrepen (het sturen van een valse link) en een samenweefsel van verdichtsels (de leugens in de chat- en telefoongesprekken).

De rechtbank acht daarom de onder 1 ten laste gelegde oplichting, de onder 2 ten laste gelegde computervredebreuk, de onder 3 ten laste gelegde diefstal door middel van een valse sleutel en het onder 4 ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het ten laste gelegde witwassen overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in de zaken 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.8, 2.10 en 2.11 geldbedragen uit eigen misdrijf heeft verworven en voorhanden heeft gehad (eenvoudig witwassen). Ten aanzien van zaak 2.6, en 2.9 waarbij de rechtbank bewezen acht dat de verdachte een geldbedrag uit eigen misdrijf bij een pinautomaat heeft opgenomen, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte dit geldbedrag ook heeft omgezet (witwassen).

Medeplegen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen dient sprake te zijn van een bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met zijn mededader(s).

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat in de zaken 2.2, 2.3 en 2.8 ook een vrouwelijke dader betrokken was. Nadat de aangevers eerder via WhatsApp contact hadden met ‘ [gebruikersnaam] ’ – de verdachte – en een verificatielink ontvingen en daarmee al dan niet toegang verleenden tot hun internetbankieren, werden zij diezelfde dag gebeld door een vrouw die zich voordeed als medewerker (van de fraudeheldesk) van de bank. Deze vrouw beschikte over de rekeninggegevens van de slachtoffers en overtuigde de slachtoffers in de zaken 2.2 en 2.3 geld over te maken naar een andere (eigen) rekening.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met – in ieder geval – een vrouw en dat ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten sprake is van medeplegen.

Het verweer van de raadsman dat partiële vrijspraak dient te volgen ten aanzien van de zaken 2.2, 2.3 en 2.8, in welke zaken de aangevers zijn gebeld door een vrouw en dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bewust en nauw met haar heeft samengewerkt, wordt dan ook verworpen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2021 tot en met 18 oktober 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederechtelijk te bevoordelen (telkens) hetzij door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels,

- [slachtoffer] (zaak 2.1) en

- [slachtoffer] (zaak 2.2) en

- [slachtoffer] (zaak 2.3) en

- [slachtoffer] (zaak 2.4) en

- [slachtoffer] (zaak 2.6) en

- [slachtoffer] (zaak 2.7) en

- [slachtoffer] (zaak 2.8) en

- [slachtoffer] (zaak 2.9) en

- [slachtoffer] (zaak 2.10) en

- [slachtoffer] (zaak 2.11)

heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en) en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten (inlog)gegevens (gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of toegangscode) waarmee kon worden ingelogd in de account van zijn/haar/hun internetbankierenomgeving, hebbende verdachte en zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- via WhatsApp voornoemde personen die een goed te koop aanboden op marktplaats benaderd en zich daarbij voorgedaan als (een) bonafide (vrouwelijke) koper en (vervolgens) een betaalverzoek met een link ter verificatie en/of een QR-code verzonden naar voornoemde verkopers waarbij die personen (verkopers) vervolgens naar een phishing website werden geleid, waar zij werden bewogen tot de afgifte van bovenomschreven gegevens en/of

- ( vervolgens) telefonisch contact opgenomen met voornoemd(e) persoon/personen (verkoper/verkopers) en/of zich voorgedaan als (een) bankmedewerker(s) en/of doorgegeven dat voornoemd(e) persoon/personen (verkoper/verkopers) zijn/haar/hun geld moesten veiligstellen door zijn/haar/hun geld over te boeken naar (een) andere rekening(en) en/of door in te loggen op Anydesk.com en/of (inlog)gegevens in te vullen op de Random Reader en/of (inlog)gegevens te delen met de persoon aan de telefoon;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2021 tot en met 18 oktober 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving van de ABN AMRO en/of de SNS bank en/of de Rabobank en/of de ING bank, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de toegang tot de geautomatiseerde werken (of een deel daarvan) heeft/hebben verworven:

- met behulp van (een) valse sleutel(s), te weten de door oplichting verkregen (inlog)gegevens van [slachtoffer] (zaak 2.1) en [slachtoffer] (zaak 2.2) en [slachtoffer] (zaak 2.3) en [slachtoffer] (zaak 2.4) en [slachtoffer] (zaak 2.6) en [slachtoffer] (zaak 2.7) en [slachtoffer] (zaak 2.8) en [slachtoffer] (zaak 2.9) en [slachtoffer] (zaak 2.10) en [slachtoffer] (zaak 2.11), voor het internetbankieren (te weten de gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of toegangscode) van/bij die bank(en) en/of

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als een of meer geautoriseerde klant(en) van die bank, te weten: [slachtoffer] (zaak 2.1) en [slachtoffer] (zaak 2.2) en [slachtoffer] (zaak 2.3) en [slachtoffer] (zaak 2.4) en [slachtoffer] (zaak 2.6) en [slachtoffer] (zaak 2.7) en [slachtoffer] (zaak 2.8) en [slachtoffer] (zaak 2.9) en [slachtoffer] (zaak 2.10) en [slachtoffer] (zaak 2.11);

3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2021 tot en met 18 oktober 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen (in totaal):

- € 2.700 ( zaak 2.1) en

- € 4.863,53 (zaak 2.2) en

- € 22.900,- (zaak 2.3) en

- € 826,66 ( zaak 2.4) en

- € 400,- ( zaak 2.6) en

- € 40.403,16 (zaak 2.8) en

- € 550,- ( zaak 2.9) en

- € 4.889,71 ( zaak 2.10) en

- € 3.050,- ( zaak 2.11) en

toebehorende aan:

- [slachtoffer] (zaak 2.1) en

- [slachtoffer] (zaak 2.2) en

- [slachtoffer] (zaak 2.3) en

- [slachtoffer] (zaak 2.4) en

- [slachtoffer] (zaak 2.6) en

- [slachtoffer] (zaak 2.8) en

- [slachtoffer] (zaak 2.9) en

- [slachtoffer] (zaak 2.10) en

- [slachtoffer] (zaak 2.11) en

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader(s), waarbij de verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten: door met behulp van de inloggegevens (gebruikersnaam en/of wachtwoord en/of toegangscode) van de internetbankierenomgeving van voornoemde personen, tot welk gebruik verdachte en zijn mededader(s) niet gerechtigd waren, wederrechtelijk in te loggen in de internetbankierenomgeving van voornoemde personen;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2021 tot en met 18 oktober 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, zich (telkens) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben verdachte en zijn mededader(s) (telkens) in voornoemde periode geldbedragen verworven en/of voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij (telkens) wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening te houden met de grootschalige werkwijze van de verdachte, hetgeen blijkt uit het feit dat naast de elf tenlastegelegde feiten nog 23 vergelijkbare aangiftes aan de verdachte kunnen worden gelinkt, met een totaal schadebedrag van ongeveer € 100.000,-.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht en het accent te leggen op de pedagogische aanpak in plaats van vergelding. Ook heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 sprake is van eendaadse samenloop.

Ten slotte heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de zaken die niet ten laste zijn gelegd, niet in de strafmaat dienen te worden meegenomen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in de periode van 30 augustus 2021 tot en met 16 oktober 2021 schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten. De verdachte heeft zich meermalen, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan oplichting, computervredebreuk, diefstal door middel van een valse sleutel en witwassen. De verdachte heeft daarbij door onder meer listige kunstgrepen meerdere slachtoffers gegevens afhandig gemaakt waardoor hij in hun internetbankieren omgeving kon komen en heeft (grote) geldbedragen weggenomen. De verdachte en zijn mededader(s) zijn daarbij zeer geraffineerd te werk gegaan. Het handelen van de verdachte is enkel gericht geweest op geldelijk gewin, zonder zich rekenschap te geven van de gevolgen voor de slachtoffers. De handelswijze van de verdachte heeft geleid tot behoorlijke financiële schade. Het handelen van de verdachte schaadt bovendien het vertrouwen dat consumenten in het algemeen hebben in internetbedrijven als marktplaats.nl. De rechtbank rekent de verdachte al deze feiten zwaar aan, zeker ook omdat aan deze feiten slechts door ingrijpen van politie en justitie een einde is gekomen.

Het strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 februari 2022.

Daaruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank weegt daarbij in het nadeel van de verdachte mee – en acht het zeer verontrustend – dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de feiten in onderhavige zaak, terwijl hij in een schorsing liep naar aanleiding van een zaak waarin hij wordt verdacht van soortgelijke feiten.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 3 november 2021, opgemaakt in de zaak van de verdachte met parketnummer 09/857133-20. De verdachte wordt in deze zaak verdacht van oplichting, computervredebreuk, diefstal in vereniging en deelname aan een criminele organisatie, gepleegd in de periode van november 2019 tot juli 2020. Uit dit rapport volgt dat de voorlopige hechtenis van de verdachte in deze zaak was geschorst, maar dat de verdachte zich niet had gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden. De reclassering heeft daarom ook getwijfeld om wederom bijzondere voorwaarden te adviseren. Gelet echter op de jonge leeftijd van de verdachte, en het feit dat hij zelf ook hulp wenst, is door de reclassering een plan van aanpak opgesteld. De reclassering adviseert aan de verdachte verschillende bijzondere voorwaarden op te leggen, waaronder een meldplicht en een ambulante behandeling en heeft de verdachte ook aangemeld voor het Topzorgprogramma van de Waag.

Volwassenstrafrecht

De verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 19 jaar oud en dus meerderjarig. De reclassering heeft in het rapport van 3 november 2021 geadviseerd voor de feiten die zijn gepleegd als meerderjarige, het volwassenstrafrecht toe te passen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van de feiten, alsmede op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Niet ten laste gelegde feiten

De officier van justitie heeft op voorhand aan de rechtbank en de verdediging het volgende medegedeeld:

Het OM heeft er bewust voor gekozen om een beperkt aantal zaaksdossiers op te nemen en te omschrijven in de tenlastelegging. Deze zaaksdossiers dienen als voorbeeld van de handelswijze van de verdachte en zijn mededaders in de tenlastegelegde periode. In de wijziging kiest het OM ervoor iedere verwijzing naar een grotere hoeveelheid aangiftes en slachtoffers te elimineren uit de tenlastelegging.

Daarbij zoekt het OM uitdrukkelijk aansluiting bij de handelswijze die al jarenlang wordt gehanteerd in kinderporno-zaken. In mijn requisitoir zal ik – onder verwijzing naar HR 24-06-2014, ECLI:NL:HR:2014:1497, NJ 2014/339 m. nt. J.M. Reijntjes, betogen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van de tenlastegelegde feiten. Voorts zal ik uw rechtbank vragen om bij de straftoemeting rekening te houden met het grootschalige karakter van het handelen van de verdachte en zijn mededaders, dat wat het OM betreft blijkt uit het dossier dat op de terechtzitting zal worden voorgehouden en besproken.

De bewezenverklaring omvat een tiental verschillende oplichtingen. Reeds dit grote aantal geeft de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting rekening te houden met het grootschalige karakter van het handelen van de verdachte. Op de niet tenlastegelegde feiten zal de rechtbank in dit kader echter, anders dan de officier voorstaat, geen acht slaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De Hoge Raad onderscheidt drie categorieën van niet tenlastegelegde feiten waarmee in de straftoemeting rekening mag worden gehouden: ad informandum-feiten, omstandigheden waaronder het feit is begaan, en recidive (feit dat dient ter nadere uitwerking persoonlijke omstandigheden). In zaken betreffende het grootschalig bezit van kinderporno heeft de Hoge Raad aanbevolen40 om een beperkt aantal afbeeldingen in de tenlastelegging op te nemen en met andere afbeeldingen die het bezit grootschalig maken, als ‘omstandigheid waaronder het feit is begaan’, bij de straftoemeting rekening te houden. De grootschaligheid kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld op grond van de erkenning door de verdachte van het grootschalige karakter, wat betekent dat de concrete afbeeldingen of de exacte hoeveelheid kinderporno niet behoeven te worden besproken, of op grond van de uitkomst van een in het voorbereidend onderzoek uitgevoerde steekproef uit het aangetroffen materiaal, mits de verdachte in de gelegenheid is gesteld de bij de steekproef gehanteerde methode aan de orde te stellen.

Recent heeft de Hoge Raad in een zaak betreffende fiscale fraude als volgt geoordeeld41:

In zaken als de onderhavige, waarin het in het bijzonder gaat om verdenking van grootschalige fiscale fraude, kan dat grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter dient op grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk te zijn geworden.

In deze zaak ging het om het doen van 32 onjuiste belastingaangiften, waarvan er negen in de tenlastelegging waren opgenomen. Alle aangiften waren in het dossier opgenomen. De verdachte was daarover door de FIOD en ter terechtzitting gehoord. Het Hof overwoog, mede gelet op de bekennende opstelling van de verdachte met betrekking tot de tenlastegelegde feiten, en gezien de aard van de zaak: het repeterend op identieke wijze feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, dat alle 32 aangiften bij de straftoemeting konden worden betrokken.

De Hoge Raad oordeelde:

Een en ander in aanmerking genomen, heeft het hof de 23 aangiften waarop de bewezenverklaring geen betrekking had, kennelijk beschouwd als omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan. Dat oordeel getuigt in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is verder mede gelet op hetgeen de verdachte omtrent die aangiften heeft aangevoerd niet onbegrijpelijk.

In een vergelijkbare zaak kwam de Hoge Raad echter tot een ander oordeel42:

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de hiervoor in 2.4.1 aangeduide, door Stichting [A] gedane aangiften omzetbelasting die niet in de tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn genoemd, kunnen worden beschouwd als omstandigheden waaronder de vijf in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en dat daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten blijkt. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat aannemelijk is geworden dat die niet tenlastegelegde, door Stichting [A] gedane aangiften omzetbelasting (opzettelijk) onjuist waren gedaan en evenmin dat de verdachte aan het (opzettelijk) doen van die aangiften feitelijk leiding had gegeven. Gelet daarop en in het licht van wat hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, is het oordeel van het hof dat de niet in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde belastingaangiften een voor de straftoemeting relevante omstandigheid zijn, niet begrijpelijk.

De rechtbank overweegt dat de wijze van tenlastelegging in kinderpornozaken is ingegeven door de bijzondere problemen die met deze materie samenhangen, zodat deze techniek niet zonder meer op andersoortige zaken kan worden toegepast. Ook uit de hiervoor genoemde arresten over fiscale fraude volgt niet dat de daarin opgenomen overwegingen zonder meer voor andere delicten, zoals in het onderhavige geval oplichting, kunnen gelden (“In zaken als de onderhavige, waarin het in het bijzonder gaat om verdenking van grootschalige fiscale fraude”). Reeds hierom ziet de rechtbank geen aanleiding om de officier van justitie in zijn voorstel te volgen.

Ook als ervan zou worden uitgegaan dat de in de fiscale fraudezaken gegeven overwegingen op de onderhavige casus kunnen worden toegepast, leidt dat niet tot de door de officier van justitie gewenste conclusie.

De door de Hoge Raad gekozen constructie tracht, naar het oordeel van de rechtbank en zoals annotator Klip heeft geschreven43, verschillende belangen te verenigen. Enerzijds is er het belang van de efficiëntie en de belasting van het apparaat, dat ertoe dwingt om niet elke onjuiste aangifte of elk kinderpornoplaatje als afzonderlijk feit ten laste te leggen. Anderzijds is er het belang van de verdediging dat helder is wat ter discussie staat en dat verdachte op enig moment feiten als afgedaan achter zich kan laten. Basisvoorwaarde is dan wel dat iedereen weet waar het om gaat.

In de eerste fiscale fraudezaak was sprake van repeterende feiten die alle in het dossier opgenomen waren, erkende de verdachte de tenlastegelegde feiten en was ter terechtzitting gesproken over de niet-tenlastegelegde feiten. Daarmee was tegemoet gekomen aan beide hiervoor genoemde belangen. In de tweede zaak was er geen bekennende verdachte en was de verdediging verrast door het meenemen van niet-tenlastegelegde feiten in de straftoemeting. Het belang van de verdediging was daardoor geschaad.

In de onderhavige zaak zijn de tenlastegelegde feiten uitgewerkt in het procesdossier. De niet tenlastegelegde feiten zijn echter slechts genoemd in een proces-verbaal waarin zoektermen door de politie zijn uitgelopen. Er zijn geen aangiftes of andere opsporingsbevindingen in het dossier opgenomen. De verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de feiten, zowel de tenlastegelegde als de niet-tenlastegelegde, stellig ontkend. Het belang van de verdediging dat helder is wat ter discussie staat is daarmee geschaad. De verdachte is niet over de feiten gehoord en kan zich in essentie niet verdedigen. Het betrekken van deze feiten bij de straftoemeting is naar het oordeel van de rechtbank niet te verenigen met de onschuldpresumptie.

Overigens is het belang van de efficiëntie en de belasting van het apparaat niet evident in het geding. Anders dan bij kinderporno hoeft in casu niet te worden vermeden dat duizenden feiten uitgeschreven moeten worden en anders dan bij fiscale fraude gaat het niet om een zinloze herhaling van repeterende feiten.

Concluderend overweegt de rechtbank dat de niet-tenlastegelegde feiten niet bij de straftoemeting zullen worden betrokken. Wel zal de rechtbank, gelet op de hoeveelheid bewezenverklaarde feiten, de grootschaligheid daarvan betrekken bij de straftoemeting.

Overige

Omdat in de onderhavige zaak beperkt zicht op de persoon van de verdachte is verkregen als gevolg van zijn proceshouding en omdat de feiten gepleegd zijn tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis in een soortgelijke zaak, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten sprake is van een eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren immers een samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, zodat de verdachte daarvan in wezen één verwijt gemaakt kan worden. De onder feit 1 bewezenverklaarde oplichting betreft een ander feitencomplex, dat naar het oordeel van de rechtbank vooraf is gegaan aan de onder 2 en 3 bewezenverklaarde computervredebreuk en diefstal door middel van valse sleutels en het onder 4 bewezenverklaarde witwassen. Ook het witwassen betreft naar het oordeel van de rechtbank een van de feiten 1, 2 en 3 losstaand feitencomplex.

Al het voorgaande in aanmerking genomen acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregelen

7.1

De vorderingen

ABN AMRO heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 3.360,86, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

ING heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 5.190,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Rabobank heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 44.725,41 (waaronder ook onderzoekskosten van € 625,-), te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vorderingen van de ING en ABN AMRO niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd.

Voor wat betreft de vordering van de Rabobank heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van ABN AMRO

De vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. ABN AMRO heeft de aangevers in de zaken 2.6, 2.9 en 2.10 schadeloos gesteld.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.360,86, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 augustus 2021 (pleegdatum zaak 2.10), omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.360,86, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 augustus 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van ABN AMRO.

De vordering van ING

De vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. ING heeft de aangevers in de zaken 2.1 en 2.4 schadeloos gesteld.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.190,75, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 oktober 2021 (pleegdatum zaak 2.4), omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.190,75, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 oktober 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van ING.

De vordering van Rabobank

De vordering is namens de verdachte niet betwist en door benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. Rabobank heeft de aangevers in de zaken 2.3 en 2.8 schadeloos gesteld en daarbij onderzoekskosten gemaakt.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 44.725,41, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 september 2021 (pleegdatum zaak 2.8), omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 44.725,41, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 september 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van Rabobank.

8 De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 2 en 3 genoemde telefoons zullen worden verbeurd verklaard en dat de onder 1 genoemde telefoon zal worden teruggegeven aan de verdachte.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen geen standpunt ingenomen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 2 en 3 genummerde voorwerpen, te weten twee telefoons van het merk iPhone verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en de onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 genummerde telefoon.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 55, 57, 63, 138ab, 311, 326, 420bis en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van de feiten 2 en 3:

eendaadse samenloop van

medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd;

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij ABN AMRO

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 3.360,86 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 augustus 2021 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ABN AMRO;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.360,86 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 augustus 2021 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van ABN AMRO;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 43 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

de vordering van de benadeelde partij ING

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 5.190,75 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 oktober 2021 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ING;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.190,75 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 oktober 2021 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van ING;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

de vordering van de benadeelde partij Rabobank

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 44.725,41 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 september 2021 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan Rabobank;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 44.725,41vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 september 2021 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van Rabobank;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 258 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

de inbeslaggenomen goederen

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 2 en 3 genummerde voorwerpen, te weten:

2. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: [gegevens telefoon] , wit, merk: Apple Iphone);
3. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: [gegevens telefoon] , zwart, merk: Aple Iphone);

gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:

1. STK Telefoontoestel (Omschrijving: [gegevens telefoon] , zwart, merk: Apple Iphone).

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. Gruijters, voorzitter,

mr. S. E. Postema, rechter,

mr. C. van Hees, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E. C. Bloem, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 maart 2022.

Mr. S. E. Postema is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal ‘Dossier onderzoek [onderzoeksnaam] ’, proces-verbaal nummer 2021327880, Summ-it nummer [Summ-it] , van de politie eenheid Den Haag, DR Zoetermeer – Leidschendam/Voorburg, [onderzoeksnaam] team, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 242).

2 Proces-verbaal van aanhouding gesignaleerde, p. 23.

3 Proces-verbaal van bevindingen ‘aangetroffen telefoons’, p. 24.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 25.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 30-31.

6 Proces-verbaal van bevindingen ‘aangetroffen telefoons’, p. 24.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 25.

8 Proces-verbaal van bevindingen ‘Onderzoek iPhones’, p. 49.

9 Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse histo’, p. 82-83.

10 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 127-128.

11 Proces-verbaal van bevindingen ‘Aantreffen WhatsApp gesprek aangever [slachtoffer] ’, p. 126.

12 Proces-verbaal van bevindingen ‘Aantreffen WhatsApp gesprek aangever [slachtoffer] ’, p. 119.

13 Proces-verbaal van bevindingen ‘Aantreffen WhatsApp gesprek aangever [slachtoffer] ’, p. 124-125.

14 Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse histo’, p. 83-84.

15 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 137-139, met bijlage e-mail van de ING, p. 140.

16 Proces-verbaal van bevindingen ‘Aantreffen WhatsApp gesprek en afbeeldingen rekening aangever [slachtoffer] ’, p. 132-135.

17 Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse histo’, p. 84-85.

18 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 155-156.

19 Proces-verbaal van bevindingen ‘uitlezen telefoons [gegevens telefoon] en [gegevens telefoon] ’, p. 143-154.

20 Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse histo’, p. 85.

21 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 170-171, met bijlage e-mail van de ING, p. 173.

22 Proces-verbaal van bevindingen ‘Zaak 2.4 oplichting [slachtoffer] ’, p. 162-169.

23 Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse histo’, p. 88-89.

24 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 194-195.

25 Proces-verbaal van bevindingen ‘Camerabeelden pinnen zaak 2.6’, p. 196-204.

26 Proces-verbaal van bevindingen ‘Zaak 2.6 [slachtoffer] ’, p. 187-193.

27 Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse histo’, p. 90-91.

28 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 209-210.

29 Proces-verbaal van bevindingen ‘cybercrime aangifte PL2000-2021244415’, p. 206-207.

30 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 215-217.

31 Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse histo’, p. 93-94.

32 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 225-226.

33 Proces-verbaal van bevindingen ‘Gesprek en afbeeldingen aangever [slachtoffer] , p. 221-223.

34 Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse histo’, p. 94.

35 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 236.

36 Proces-verbaal van bevindingen ‘Bevindingen zaak 2.10’, p. 230-234.

37 Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse histo’, p. 95.

38 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 241.

39 Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse histo’, p. 95-96.

40 ECLI:NL:HR:2014:1497

41 ECLI:NL:HR:2020:896

42 ECLI:NL:HR:2021:260

43 NJ 2021/401