Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:116

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-01-2022
Datum publicatie
24-01-2022
Zaaknummer
C/09/617595 / HA RK 21-353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Deelgeschil letselschade. Achterop-aanrijding. Juridisch causaal verband. Deskundigenrapporten bieden geen voldoende bepaalbaar beeld van genoemde klachten en tot wanneer deze voortduren. Beperkingen niet onderbouwd. Afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/617595 / HA RK 21-353

Beschikking van 7 januari 2022

in de zaak van

[verzoeker] te [plaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. O. Arslan te Den Haag,

tegen

NATIONAL ACADEMIC VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V. te Dordrecht,

verweerster,

advocaat mr. N.P.H. Borm te Deventer.

Partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘National Academic’ genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift deelgeschilprocedure artikel 1019w e.v. Rv, ingekomen op de griffie van deze rechtbank op 7 september 2021, met producties 1 tot en met 3;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen op de griffie van deze rechtbank op 2 november 2011, met 2 producties;

  • -

    het e-mailbericht van de zijde van [verzoeker] van 10 november 2021, met daarbij gevoegd producties 4 tot en met 8;

  • -

    de mondelinge behandeling van 11 november 2021. Hierbij is verschenen [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. O. Arslan voornoemd en namens National Academic mr. N.P.H. Borm voornoemd.

2 De feiten

2.1.

Op 15 februari 2016 is [verzoeker] als bestuurder van een auto betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De auto van [verzoeker] is van achteren aangereden door een auto die werd bestuurd door een verzekerde van National Academic. [verzoeker] stelt door de botsing (letsel)schade te hebben geleden. National Academic heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.2.

[verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij sinds het ongeval gezondheidsklachten ondervindt (nek- en hoofdpijn, vergeetachtigheid, concentratieproblemen, verminderde eetlust en mentale gezondheidsklachten) en dat hij daardoor blijvend (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geworden.

2.3.

Ter beoordeling van de vraag of de door [verzoeker] ervaren gezondheidsklachten ongevalsgevolg zijn, hebben partijen medische expertises laten verrichten door neuroloog dr. [de neuroloog] (‘ [de neuroloog] ’) en psychiater [de psychiater] (‘ [de psychiater] ’).

2.4.

Op 17 april 2020 heeft [de neuroloog] een neurologisch expertiserapport uitgebracht. In het rapport staat onder meer:

(…).

1.2.

Huidige klachten

Betrokkene vertelt dat hij vooral wordt gehinderd door de slaapproblemen en de vermoeidheidsklachten waardoor hij overdag weinig energie heeft. Daarnaast heeft hij dagelijks een enige tijd durende zeurende pijn die vanuit de nek naar het achterhoofd en naar de schouders uitstraalt met VAS-scores die van 7 tot 9 wisselen. Drukte, piekeren, stress of schouder- of nekspier belastende activiteiten leiden tot toename van deze klachten. Rusten geeft verlichting. Betrokkene is na het ongeval vergeetachtig geworden, hij voelt zich slecht en heeft een gedrukte stemming. Betrokkene vindt dat hij qua persoonlijkheid is veranderd. Hij heeft daarnaast, hij weet niet hoe lang al, last van tintelingen in de 4e en 5e vinger van beide handen die soms dagelijks en soms wekelijks wel een paar keer optreden. Van houding veranderen zoals niet op de ellebogen of onderarm leunen geeft verlichting.

(…).

II.1 Algemeen lichamelijk onderzoek

(…). Er is een fysiologische stand van de wervelkolom. Bij observatie van spontane bewegingen van de cervicale wervelkolom vallen geen beperkingen op en kan betrokkene goed tot in uiterste posities bewegen. Op verzoek is betrokkene geneigd iets minder ver het hoofd te draaien, verder zijn er geen evidente beperkingen en bij passief bewegen van de wervelkolom worden geen blokkades opgemerkt. (…). Er is geen druk- of kloppijn over de wervelkolom of schedel.

(…).

IV Samenvatting

Betrokkene is een nu 35-jarige man die op 15-02-2016 in de auto van achteren is aangereden. Hij is daarbij niet buiten kennis geweest, liep geen uitwendig letsel op, geen uitvals- of verlammingsverschijnselen. Betrokkene ontwikkelde daarna wel hoofd- en nekpijnklachten, verder ontstond er stemmingsproblematiek, voorts vergeetachtigheid en sinds enige tijd heeft betrokkene wisselend tintelingen in de 4e en 5e vinger van beide handen. Daarnaast zijn er slaapproblemen ontstaan en vermoeidheidsklachten. In dit kader heeft betrokkene uitgebreid fysiotherapie gehad, hij is gezien bij Winnock en heeft een behandeling in het [Revalidatiecentrum] gehad in de periode 2017-2018. Betrokkene geeft als resultaat hiervan aan dat zijn nek beter draait. Tijdelijk heeft hij last gehad van zijn linkerschouder waarbij hij bij de orthopedisch chirurg is geweest. Betrokkene heeft naast bovengenoemde klachten stemmingsproblematiek gekregen waarvoor hij momenteel onder behandeling is bij de psychiater en psycholoog en medicatie krijgt. Verder heeft betrokkene vanwege zijn klachten zijn werkzaamheden als senior consultant bij [X] niet kunnen voortzetten. Betrokkene heeft momenteel geen werk. Ook in de thuissituatie is hij vanwege de combinatie van klachten belemmerd geraakt.

Uit het huisartsenjournaal is op te maken dat er bij betrokkene in 2013 contacten zijn in verband met klachten van het schouderblad (pijnlijke / branderige plek huid op het linker schouderblad) en de knie links. Verder in 2014 rugklachten (volgens betrokkene onderrug) en op 16-02-2016 wordt gemeld dat betrokkene de avond ervoor van achteren was aangereden en nek- en schouderklachten heeft waarbij geen neurologische uitval wordt beschreven. In april 2016 is te lezen dat het niet goed ging, betrokkene ging sinds 3 weken achteruit met een vermoeid gevoel in de nek, hoofdpijn en verminderde concentratie waarbij hij terneergeslagen was en de huisarts merkt in 2016 op dat er kenmerken zijn van een burn-out of surmenage. Betrokkene wordt naar de fysiotherapie verwezen. Er zijn eind 2016 contacten in verband met al langere tijd klachten van de linkerschouder waarvoor verwijzing naar de orthopedisch chirurg en in 2017 wederom contacten in verband met nekpijn, eveneens wordt dan gesproken van jichtklachten van de rechtervoet. (…). In 2018 wordt betrokkene gezien in verband met een down en depressief gevoel en er wordt wederom van jichtklachten en klachten van de knie gesproken. Eveneens wordt erop gewezen dat de lichamelijke klachten door psychische klachten kunnen worden onderhouden. Betrokkene had een afspraak bij het GGZ eerder afgezegd en had opnieuw contact opgenomen met het GGZ. De huisarts meldt dat betrokkene voor het ongeval niet bekend was met burn-out gerelateerde klachten. Uit de correspondentie van de bedrijfsarts is op te maken dat betrokkene vanwege nekpijnklachten uitvalt op 16-02-2016, daarna klachten blijven bestaan ondanks fysiotherapie en revalidatiebehandeling. Er is een medisch onderzoeksverslag van 12-01-2018 waaruit naar voren komt dat betrokkene na een ongeval op 16-02-2016 klachten van pijn van schouder en nek naast concentratieproblemen en geheugenverlies claimt. Bij onderzoek worden geen afwijkingen beschreven, normale beweeglijkheid van de nek en geen neurologische afwijkingen. Gemeend werd dat er enige beperkingen ten aanzien van zwaar nek belastende arbeid en persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen waren. (…).

V Beschouwing

Betrokkene heeft op 15-02-2016 een accelererend krachteninwerking op zijn lichaam gehad ten gevolge van het ongeval. Hij is daarbij niet buiten westen geweest, heeft geen noemenswaardig trauma capitis gehad en er worden geen uitvalsverschijnselen gerapporteerd. Derhalve zijn er geen aanwijzingen voor een noemenswaardig traumatisch hoofd/hersenletsel als verklaring voor de door betrokkene aangegeven cognitieve klachten, slaapproblemen en vermoeidheid. Er is daarom eveneens geen indicatie voor een neuropsychologisch onderzoek in het kader van een neurologische expertise.

Betrokkene geeft aan na het ongeval last van wervelkolomklachten te hebben gekregen. In het huisartsenjournaal is hierover terug te vinden dat betrokkene op 16-02-2016 contact heeft vanwege nek- en schouderklachten waarbij geen neurologische uitval wordt beschreven. Het volgende contact is in april 2016 waarbij is genoteerd dat het niet goed ging, betrokkene ging sinds 3 weken achteruit met een vermoeid gevoel in de nek, hoofdpijn en verminderde concentratie en stemmingsproblematiek. Een X-CWK liet geen afwijkingen zien. De huisarts dacht dat er kenmerken waren van een burn-out of surmenage en betrokkene werd naar de fysiotherapie verwezen. Fysiotherapie vanaf 14-6-2016 heeft volgens de correspondentie van de fysiotherapeuten weinig effect gehad op de klachten van betrokkene. Er zijn eind 2016 contacten met de huisarts in verband met al langere tijd klachten van de linkerschouder waarvoor verwijzing naar de orthopedisch chirurg die denkt aan een bursitis of tendinitis en geen neurologische uitval of krachtverlies vond.

Betrokkene is vanwege deze klachten eveneens door de revalidatiearts behandeld in 2016. Uit de correspondentie van de revalidatieartsen is op te maken dat werd gedacht aan mogelijk onderhoudende factoren in de vorm van slecht slapen, verminderde algehele conditie, stemming en perceived injustice. Daarnaast worden een beperkte psychologische flexibiliteit, depressieve klachten en een proces van somatiseren naast een inadequate coping met mogelijk ook een anhedonie genoemd in de behandelende sector. De huisarts bericht in dit opzicht dat er sprake is van een down en depressief gevoel en tevens wordt erop gewezen dat de lichamelijke klachten door psychische klachten kunnen worden onderhouden. In dit kader wordt betrokkene in 2019 door het GGZ gezien en is genoteerd dat er een matig ernstige depressieve stoornis is waarvoor behandelgesprekken plaatsvonden zonder veel resultaat. Uit de correspondentie van Winnock is af te leiden dat betrokkene in januari 2017 na een aanvankelijke verbetering een terugval kreeg en er nieuwe klachten bijkwamen.

Bij het huidige neurologische onderzoek worden geen aanwijzingen gevonden voor een traumatisch myelumletsel, een cervicale radiculopathie, een plexus brachialisletsel of perifeer zenuwletsel waarmee de wervelkolomklachten kunnen worden verklaard en ook niet de klachten van de tintelingen in dig. 4 en 5 die betrokkene af en toe heeft (onduidelijk wanneer ontstaan). Mogelijk is wat dit laatste betreft sprake van een lichte drukulnaropathie in de onderarm of elleboog, dit kan eventueel electroneurofysiologisch erder worden bevestigd. De verzekeringsarts beschrijft een normale beweeglijkheid van de nek en geen neurologische afwijkingen wat met bovenstaande bevindingen in overeenstemming is. Op basis van de beschikbare informatie, de anamnese en het neurologisch onderzoek kan er derhalve in relatie tot het ongeval geen verklaring voor het beloop en de uitbreiding in de tijd van de klachten van betrokkene worden geboden.

Gezien bovenstaande zijn er echter wel aanwijzingen voor stemmingsklachten en in dit kader is het goed voorstelbaar dat er sprake is van klachtenonderhoudende factoren waardoor het aanhouden van de klachten van betrokkene ondanks de uitgebreide behandeling en tevens de toename en uitbreiding van deze klachten in de loop van de tijd, kunnen worden verklaard. Verdere duidelijkheid hierover kan worden verkregen middels een psychiatrische rapportage.”

2.5.

Aan de rapportage van [de neuroloog] is als bijlage toegevoegd de beantwoording van de bijbehorende vraagstelling. [de neuroloog] heeft enkele vragen als volgt beantwoord:

(…).

1 De situatie met ongeval

(…).

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medische dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?(…).

Antwoord

d. De gegevens zoals door betrokkene zijn medegedeeld komen in grote lijnen overeen met de informatie uit de behandelende sector.

(…).

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Antwoord

Er kan geen verklarende neurologische diagnose worden gesteld voor het klachtenpatroon van betrokkene op basis van de beschikbare informatie in relatie tot het ongeval. In de differentiaaldiagnose wordt in de behandelende sector melding gemaakt van een whiplash, chronisch benige pijnklachten maar ook van stemmingsproblematiek.

Beperkingen en functieverlies

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? (…)

Antwoord

Aangezien er geen neurologische afwijkingen bij onderzoek kunnen worden vastgesteld en er geen neurologische verklaring is voor de door betrokkene aangegeven klachten, kan er niet gesproken worden van neurologisch bepaalde beperkingen. (…).

Medische eindsituatie

[h].g. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? (…).

(…).

l. Kunt u aan de hand van de laatste richtlijnen van uw wetenschappelijke vereniging aangevuld met de AMA Guides 6e editie aangeven of er sprake is van een percentage blijvende invaliditeit op uw vakgebied en wilt u dit uitvoerig motiveren?

Antwoord

h. Ik verwacht geen wezenlijke verbeteringen of verslechteringen meer in de huidige neurologische toestand van betrokkene.

(…).

l. Op grond van de richtlijnen van de NVvN kan geen percentage functiestoornis worden toegekend op basis van posttraumatische hoofd- of nekpijnklachten. Met betrekking tot de medisch gedocumenteerde posttraumatische nekklachten kan betrokkene onder voorbehoud van hetgeen in de beschouwing in hoofdstuk V is gesteld ten aanzien van klachtenonderhoudende factoren, volgens de AMA guides 6e editie, hoofdstuk 17, worden ingedeeld in klasse 1 van tabel 17-2. De “grade modifiers” voor “psychical examination” en “clinical studies” bedragen beide 0. (…). Met gebruikmaking van de Net Adjustment Formula: (…) komt betrokkene vervolgens uit op een score van 2-1 + -1+-1, hetgeen -2 oplevert. Toegepast op tabel 17-2 levert dit een percentage functiestoornis van 1% op.

2 Situatie zonder ongeval

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval.

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog heeft?

(…).

Antwoord

a. Voor zover mij bekend bestonden bij betrokkene voor het ongeval geen klachten of afwijkingen op mijn vakgebied die betrokkene thans nog heeft waarbij moet worden opgemerkt dat er thans ook geen primaire neurologisch te duiden klachten of afwijkingen aanwezig zijn.

(…).

3 Overige aspecten van de hypothetische situatie zonder ongeval

Wilt u, tegen deze achtergrond, een inventarisatie maken van de feiten en omstandigheden uit het medisch dossier van betrokkene die naar uw mening in dit opzicht relevant zijn?

Antwoord

Voor zover mij bekend zijn er geen feiten of omstandigheden uit het medisch dossier waaruit kan worden afgeleid dat betrokkene zonder het ongeval op enig moment beperkingen zou hebben gekregen op het gebied van de uitoefening van beroepsactiviteiten of het verrichten van werkzaamheden in of rondom de woning. (…).

2.6.

Op 14 januari 2021 heeft [de psychiater] een psychiatrisch expertiserapport uitgebracht. [verzoeker] is volgens [de psychiater] consistent in zijn klachtenpresentatie en dit komt overeen met dat wat in het dossier beschreven is. In zijn beschouwing vermeldt hij dat [verzoeker] depressieve klachten heeft gehad, waarvan thans geen sprake meer is, die hij duidt als acceptatieproblematiek en een depressief reactief beeld. [de psychiater] heeft geen psychiatrische stoornis kunnen vaststellen en kan daarom geen beperkingen aangeven op zijn vakgebied. Ook kan er om deze reden geen uitspraak worden gedaan over het al dan niet bereiken van een medische eindsituatie. Volgens [de psychiater] zijn er geen aanwijzingen voor psychiatrische en/of psychische problematiek voorafgaand aan het ongeval.

3 Het geschil

3.1.

Het op grond van artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) ingestelde verzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    a) voor recht verklaart dat sprake is van een (juridisch) causaal verband tussen de door hem ervaren, in het rapport van [de neuroloog] omschreven gezondheidsklachten en het ongeval van 15 februari 2016;

  • -

    b) voor recht verklaart dat sprake is van een (juridisch) causaal verband tussen de door hem ervaren, in het rapport van [de psychiater] omschreven gezondheidsklachten en het ongeval van 15 februari 2016;

  • -

    c) National Academic te gelasten medewerking te verlenen aan een onderzoek door een door de rechtbank te bepalen verzekeringsarts ter vaststelling van de door [verzoeker] ervaren beperkingen;

  • -

    d) National Academic te gelasten medewerking te verlenen aan een onderzoek door een door de rechtbank te bepalen arbeidsdeskundige ter vaststelling van de uitval van [verzoeker] voor beroepsmatige arbeid als gevolg van de door hem ervaren en door de verzekeringsarts vast te stellen beperkingen;

  • -

    e) de kosten zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv te begroten op € 4.758,02, te vermeerderen met de door [verzoeker] betaalde griffierechten, met veroordeling van National Academic tot betaling aan [verzoeker] van dit bedrag.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij als gevolg van het ongeval nog steeds fysieke en mentale gezondheidsklachten ondervindt, waardoor hij blijvend (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geworden en (im)materiële schade lijdt. Voor het letsel is geen andere oorzaak dan het ongeval aan te wijzen, uit het huisartsenjournaal blijkt dat geen sprake is van relevante voorafgaande gezondheidsproblematiek en uit de rapportages van de deskundigen blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat hij de klachten ook zonder het ongeval zou hebben ontwikkeld. Op grond hiervan moet het causaal verband tussen het ongeval en de door hem ervaren gezondheidsklachten worden aangenomen. De advocaat van [verzoeker] heeft het aantal aan dit deelgeschil te besteden uren begroot op 15 (tegen een uurtarief van € 245 exclusief 7% kantoorkosten en 21% btw).

3.3.

National Academic concludeert tot afwijzing en voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de afwikkeling van de letselschade die [verzoeker] stelt te hebben geleden en nog steeds zou lijden als gevolg van een ongeval dat hem in 2016 is overkomen. Tussen partijen bestaat (onder meer) discussie over de vraag of de opgesomde gezondheidsklachten en beperkingen die [verzoeker] daardoor stelt te hebben in juridisch opzicht het gevolg zijn van het ongeval waarvoor National Academic aansprakelijkheid heeft erkend. Om duidelijkheid op dit punt te verkrijgen hebben op gezamenlijk verzoek van partijen zowel een neurologisch als een psychiatrisch onderzoek plaatsgevonden. Partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunten aangehaakt bij de bevindingen van deze deskundigen en zijn het erover eens dat de inhoud van deze rapportages als uitgangspunt dient bij de beantwoording van de causaliteitsvraag. Een rechtelijk oordeel kan partijen mogelijk een aanknopingspunt bieden om de schade verder buitengerechtelijk af te wikkelen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de voorwaarden om het verzoek in deelgeschil te behandelen.

4.2.

Als uitgangspunt geldt dat op [verzoeker] de stelplicht en (zo nodig) de bewijslast rust van zijn stelling dat sprake is van (juridisch) causaal verband tussen het ongeval en de door hem gestelde (nek)klachten (en daaruit voortvloeiende schade). Dit met dien verstande dat aan het te leveren bewijs geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke medische aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het oorzakelijk verband geleverd is. Tot op zekere hoogte komt het immers voor risico van de aansprakelijke partij dat het slachtoffer van een verkeersongeval daardoor ook klachten kan ondervinden die zich slechts in beperkte mate lenen voor objectivering. Het gaat in deze niet om medische, maar om juridische causaliteit. Voor het aanwezig zijn van dat laatste gaat het erom of (1) de klachten als zodanig daadwerkelijk bestaan en (2) dat die klachten mede gelet op de toedracht van het ongeval daaraan redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven. Voor de beantwoording van de eerste vraag is beslissend of sprake is van een plausibel – in de zin van een consistent, consequent en samenhangend – patroon van klachten. Bij de beantwoording van de tweede vraag geldt bij medisch niet-objectiveerbaar letsel dat het bewijs van het oorzakelijk verband veelal geleverd zal zijn indien komt vast te staan dat het slachtoffer voor het ongeval deze klachten niet had, de klachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt.

4.3.

Volgens [verzoeker] zijn de klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen juridisch causaal aan het ongeval en moet daarom een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsvinden. Hij was voor het ongeval gezond. National Academic is bereid aan te nemen dat sprake is geweest van tijdelijke causale nekpijnklachten, maar betwist de aanwezigheid van andere causale gezondheidsklachten en beperkingen. Zo er al beperkingen zijn geweest, zijn die zeer gering en staat niet vast dat die causaal zijn, zodat noch een verzekeringsgeneeskundig, noch een arbeidsdeskundig onderzoek volgens haar zinvol is.

4.4.

Ter zitting heeft [verzoeker] verteld dat het hem vooral gaat om de hoofd- en nekpijnklachten en hij heeft erop gewezen dat de neuroloog concludeert tot een functiestoornis van 1%, ook al stelt hij geen neurologische afwijkingen of beperkingen vast. De verzochte verklaring voor recht onder 3.1.a ziet op de gezondheidsklachten die [de neuroloog] heeft genoemd door in zijn rapport (onder ‘IV Samenvatting’) de zin te vermelden “Betrokkene ontwikkelde daarna wel hoofd- en nekpijnklachten (…)” (2.4). Omdat de psychiater geen stoornis of beperkingen heeft vastgesteld, heeft [verzoeker] in verband met zijn tweede verzoek nog toegelicht dat op dit moment geen sprake is van depressieve klachten, maar dat die er wel zijn geweest. Die verzochte verklaring voor recht dient ertoe een mogelijke toekomstige discussie over aan het ongeval gerelateerde depressieve klachten van destijds te voorkomen. Dit is van belang, omdat National Academic zich op het standpunt stelt dat de psychische klachten al vóór het ongeval bestonden en deze de fysieke klachten zouden onderhouden. Het rapport van [de psychiater] haalt dit onderuit. In reactie op het verweer aangaande de verzochte verzekeringsgeneeskundige- en arbeidsdeskundige onderzoeken (verzoek 3.1.c en 3.1.d) meent [verzoeker] dat deze verzoeken niet kunnen worden gekwalificeerd als een (verkapt) verzoek om een voorlopig deskundigenbericht, nu het [verzoeker] gaat om het verkrijgen van medewerking van National Academic aan een gezamenlijk onderzoek. Dat de neuroloog en de psychiater geen beperkingen hebben vastgesteld, laat onverlet dat de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige zelf kunnen beoordelen of zij iets kunnen met de bevindingen van de neuroloog en de psychiater. [verzoeker] wil bijvoorbeeld zijn (psychische) beperkingen voor het verleden laten duiden. Met deze twee verzoeken kan de rechtbank partijen een ‘duwtje’ geven, aldus steeds [verzoeker] .

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.6.

De rechtbank volgt National Academic in haar standpunt dat een redelijke uitleg van het rapport van de neuroloog (2.4) en de bijbehorende vragenlijst (2.5) in samenhang met de informatie afkomstig uit het huisartsenjournaal, onvoldoende aanknopingspunten bieden om te kunnen concluderen tot nog immer voortdurende causale nekklachten of cognitieve klachten. Het huisartsenjournaal beslaat de periode van 4 mei 2011 tot en met 19 juli 2019. Hieruit volgt dat [verzoeker] zijn huisarts met regelmaat heeft bezocht voor diverse klachten en dat hij hem voor het laatst omstreeks januari 2017 heeft geconsulteerd vanwege nekpijnklachten die volgens de notitie van de huisarts verband zouden houden met het ongeval. In de periode daarna heeft [verzoeker] zijn huisarts nog ongeveer 30 keer geconsulteerd en heeft hij bij geen van die consulten mede of opnieuw melding gemaakt van nekklachten als gevolg van het ongeval. De huisarts heeft zulks in ieder geval niet genoteerd. Enkel uit een notitie van 1 oktober 2018 kan wellicht nog worden afgeleid dat [verzoeker] zich toen bij de huisarts heeft gemeld in verband met mogelijk aan het ongeval gerelateerde klachten (“ (…) zit vast, nog klachten, komt niet verder, wil van zijn lich klachten af, benadrukt dat deze lich klachten onderhouden kunnen worden door psychische klachten (…).”), maar om welke klachten het dan gaat, is niet gespecificeerd.

4.7.

Weliswaar schrijft de neuroloog in zijn rapport “betrokkene ontwikkelde daarna wel hoofd- en nekpijnklachten (…)”, maar dat doet hij onder het kopje ‘Samenvatting’. [verzoeker] heeft desgevraagd niet kunnen toelichten waarom de neuroloog deze opmerking niet (ook) onder het kopje ‘Beschouwing’ heeft gemaakt. Dit is relevant, omdat de tekst onder het kopje ‘Samenvatting’ (mede) een weergave is van informatie die door [verzoeker] zelf is verstrekt (anamnese) (zie ook ‘1.2. Huidige klachten’), waarbij niet per definitie is onderzocht of de verstrekte gegevens juist zijn. Dit is temeer van belang nu het ervoor moet worden gehouden dat de neuroloog juist onder het kopje ‘Beschouwing’ zijn oordeel over het een en ander geeft en dat hieruit volgt dat de neuroloog geen afwijkingen heeft geconstateerd, dat hij in relatie tot het ongeval geen verklaring kan geven voor het beloop en de uitbreiding in tijd van de (nek)klachten en dat volgens hem geen sprake is van beperkingen in belastbaarheid en beweeglijkheid. Volgens de neuroloog zijn er wel aanwijzingen voor stemmingsklachten en is in dat kader voorstelbaar dat sprake is van klachtenonderhoudende factoren die de nekklachten kunnen verklaren. De neuroloog wijst op de mogelijkheid van een psychiatrische expertise. De neuroloog heeft in zijn onderzoek mede betrokken correspondentie van de bedrijfsarts (januari 2018), de revalidatieartsen (onbekende datum), de orthopeed (17 januari 2017), Winnock (29 maart 2017) en Grip Delfland (18 juli 2019). Met de argumentatie dat de neuroloog hoe dan ook concludeert tot een functiestoornis van 1%, miskent [verzoeker] vervolgens dat de toelichting van de neuroloog veelomvattender is dan dit. Immers, de neuroloog beschrijft dat hij op grond van de richtlijnen van de NVvN geen percentage functiestoornis kan toekennen voor posttraumatische hoofd- en nekpijnklachten en voor genoemde functiestoornis van 1% op basis van de AMA guides 6e editie, maakt hij vervolgens een voorbehoud vanwege de door hem beschreven klachtenonderhoudende factoren (2.5, antwoord ‘l’).

4.8.

Het komt er dus op neer dat de neuroloog zelf geen gezondheidsklachten heeft beschreven en dat hij vier jaar na het ongeval een functioneren zonder relevante beperkingen veronderstelt. Over in het verleden mogelijk wel aanwezige beperkingen ten gevolge van door [verzoeker] anamnestisch gemelde klachten laat de neuroloog zich niet uit. [verzoeker] is het niet eens met de conclusie van de neuroloog dat van beperkingen geen sprake is, maar heeft nagelaten dit concreet te onderbouwen. Hij heeft ter zitting nog wel gezegd dat het beter gaat dan twee jaar geleden (de periode waarin de neuroloog en de psychiater hun onderzoek hebben verricht), maar dat hij nog wekelijks de fysiotherapeut bezoekt vanwege hoofd- en nekpijnklachten. Hiervan heeft hij echter geen informatie verschaft, zodat niet kan worden vastgesteld of dit werkelijk zo is en zo ja, of dit is geïndiceerd en waarom. Al met al heeft de huisarts dus voor het laatst begin januari 2017 iets genoteerd over nekpijn, lijkt [verzoeker] neurologisch normaal belastbaar en is ook volgens eigen zeggen kennelijk sprake van een verbetering van het klachtenbeeld. Naar oordeel van de rechtbank kan op basis van het partijdebat en de stukken in het dossier dan ook niet worden geoordeeld dat sprake is van blijvende hoofd- of nekpijnklachten als gevolg van het ongeval, laat staan van dientengevolge aanwezige beperkingen.

4.9.

Overigens neemt het voorgaande niet weg dat een zekere periode na het ongeval bepaalde klachten kunnen hebben bestaan. Met betrekking tot de klachten aan de nek – een bekend gevolg van een achterop aanrijding – acht de rechtbank het aannemelijk dat deze tot op zekere hoogte het gevolg van het ongeval zijn. Het staat vast dat [verzoeker] hier niet eerder last van heeft gehad en dat de klachten zich kort na het ongeval hebben gemanifesteerd. Hoewel de medische voorgeschiedenis niet blanco is, lijkt deze geen klachten te bevatten die de nekklachten kunnen verklaren. National Academic ziet dat ook in en is bereid het bestaan van tijdelijke nekklachten met als gevolg lichte, tijdelijke problemen aan te nemen. Volgens haar moet het causaal verband tussen het ongeval en de geclaimde nekklachten wel in tijd worden beperkt, wat haar betreft tot uiterlijk 2020. [verzoeker] heeft hier niets tegenover gezet en National Academic heeft zelf ook geen concrete aanknopingspunten kunnen vinden voor de door haar gesuggereerde periode, zodat voor die afbakening evenmin houvast bestaat.

4.10.

Hetzelfde geldt voor de door [verzoeker] gestelde psychische klachten. Dat zich na het ongeval somberheid en psychische klachten hebben ontwikkeld wordt door de psychiater opgemerkt, welke klachten worden geduid als acceptatieproblematiek en een depressief reactief ziektebeeld. De psychiater benoemt dat [verzoeker] psychologische begeleiding heeft gehad en daar ook baat bij heeft gehad. Zelf heeft de psychiater geen klachten, laat staan een stoornis of ziektebeeld, vastgesteld en over de precieze aard en ernst van de voor het verleden beschreven klachten zegt hij evenmin iets. Aanwijzingen dat [verzoeker] voor het ongeval al relevante psychische klachten had, zijn er volgens de psychiater niet, en daar heeft National Academic in deze procedure overigens ook geen overtuigende vraagtekens bij geplaatst.

4.11.

Geen van beide expertises levert een voldoende bepaalbaar beeld op van de klachten die [verzoeker] ten gevolge van het ongeval heeft gehad en tot wanneer. [verzoeker] heeft desgevraagd ter zitting ook niet nader kunnen concretiseren welke concrete klachten de beide deskundigen noemen en waarop de gevorderde verklaringen voor recht zouden moeten zien. Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat de gevraagde verklaringen voor recht kunnen bijdragen aan de gewenste duidelijkheid over het juridisch causaal verband tussen het ongeval en klachten van [verzoeker] .

4.12.

Om dezelfde reden valt niet in te zien wat de benoeming van een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige partijen zal kunnen brengen. Noch de neuroloog noch de psychiater heeft op zijn terrein medische beperkingen vastgesteld. Bij de huidige stand van zaken is onvoldoende bepaalbaar of concrete houvast voor nader verzekeringsgeneeskundig of arbeidsdeskundig onderzoek. Bovendien valt niet te verwachten dat partijen het in het minnelijke traject eens zullen worden over de voor de uitvoering van deze onderzoeken noodzakelijke beslissingen (welke deskundigen, welke vraagstelling), zodat het niet zinvol zou zijn National Academic te gelasten daaraan haar medewerking te verlenen.

Slotsom

4.13.

De verzoeken onder 3.1.a, 3.1.b, 3.1.c en 3.1.d worden afgewezen. Bij deze stand van zaken ligt het naar oordeel van de rechtbank in de rede dat partijen gezamenlijk tot een definitieve afwikkeling komen op basis van wat er thans aan (medische) informatie beschikbaar is en wat hiervoor te dien aanzien is overwogen.

Kosten deelgeschil

4.14.

National Academic betwist de begroting van de kosten voor het deelgeschil. Samengevat luidt haar standpunt dat de gestelde kosten en de hoogte daarvan bovenmatig en niet reëel zijn.

4.15.

Ingevolge 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten op de voet van artikel 6:96 BW, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dit betekent dat de benadeelde deze kosten in beginsel vergoed kan krijgen van een andere partij, als diens aansprakelijkheid tenminste komt vast te staan. Voorts dient hierbij de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat deze laatste situatie niet aan de orde is en acht het dan ook redelijk dat met de onderhavige procedure kosten zijn gemaakt. In aanmerking genomen het verweer van National Academic - waarop namens [verzoeker] ter zitting slechts naar voren is gebracht dat er geen specificaties zijn overgelegd, omdat daar “toch niets mee wordt gedaan” - en gelet op de aard en de geringe complexiteit van dit geschil in combinatie met de specialistische ervaring van de advocaat, is een matiging van de gestelde tijdsbesteding redelijk. De rechtbank begroot de tijdsinvestering van de advocaat van [verzoeker] in verband met het deelgeschil op 10 uren in totaal (5 uren voor het verzoekschrift, 2 uren voor het verweerschrift waarvan de inhoud niet voor grote verrassingen kan hebben gezorgd en 3 uur voor de zitting).

4.17.

National Academic heeft geen verweer gevoerd tegen het hanteren van kantoorkosten op zich. Dit betekent dat de kosten worden begroot op 10 uren, te vermenigvuldigen met een uurtarief van € 245 zoals aangevoerd door National Academic, zijnde € 2.450, derhalve € 2.621,50 inclusief 7% kantoorkosten, nog te vermeerderen met 21% btw en € 309 voor vastrecht.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de verzoeken af;

5.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil als bedoeld in artikel 1019aa Rv op een bedrag van € 2.621,50, te vermeerderen met 21% btw en te vermeerderen met € 309 voor vastrecht, en veroordeelt National Academic tot betaling aan [verzoeker] van deze kosten;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2022.1

1 type: 2513 coll: