Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:10472

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2022
Datum publicatie
18-10-2022
Zaaknummer
C/09/606204 / HA ZA 21-94
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Begaclaim, gebleken onschuld. Veroordelingen tot schadevergoeding en tot plaatsen rectificatie. Aanspraak op schadevergoeding in verband met waardeloos worden aandelen in vennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0658
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/606204 / HA ZA 21-94

Vonnis van 12 oktober 2022

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] te [plaats 1] ,

2. [B.V. I] te [plaats 1] ,

3. [B.V. II] te [plaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.

Eisers zullen hierna afzonderlijk ook ‘ [eisende partij sub 1] ’, ‘ [B.V. I] ’ en ‘ [B.V. II] ’ genoemd worden. Gedaagde wordt hierna aangeduid als ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het procesdossier bevat de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 28 december 2020;

- de akte overlegging producties van [eisende partij sub 1] , met producties 1 tot en met 18;

- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 8;

- het tussenvonnis van 23 maart 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;

- de akte overlegging producties, tevens wijziging en vermeerdering van eis, met producties 19 tot en met 27.

1.2.

De mondelinge behandeling is begonnen op 8 juni 2022 en voortgezet op 29 juni 2022. De advocaat van eisers heeft – met voorafgaande toestemming van de rechtbank – bij de aanvang van de mondelinge behandeling spreekaantekeningen voorgedragen en deze overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen en hun advocaten op de mondelinge behandeling verder naar voren hebben gebracht. Bij de voortzetting van de mondelinge behandeling hebben eisers een nadere akte vermeerdering van eis in het geding willen brengen. De Staat heeft daartegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft deze nadere akte van eisers geweigerd wegens strijd met de goede procesorde.

1.3.

Ten slotte is de datum voor vonnis nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Medio 2001 is [eisende partij sub 1] een onderneming gestart onder de naam [Onderneming] (hierna: ‘de [Onderneming] ’). De [Onderneming] heeft zich gericht op het verlenen van thuiszorg aan zorgbehoevenden met een islamitische achtergrond en het helpen van deze zorgbehoevenden bij het aanvragen van de daarvoor beschikbare voorzieningen en vergoedingen vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

2.2.

De [Onderneming] is eerst geëxploiteerd door de eenmanszaak van [eisende partij sub 1] , vervolgens door een vennootschap onder firma met [eisende partij sub 1] als medevennoot en ten slotte door de vennootschap [de B.V.] [eisende partij sub 1] is steeds middellijk medeaandeelhouder in [de B.V.] geweest, en is daarnaast middellijk medebestuurder van deze vennootschap geweest tot en met 1 april 2007.

2.3.

Vanaf 2005 heeft [de B.V.] zorg verleend via Stichting Thuiszorg Nederland (hierna: STN) en Stichting Aanvullende Thuiszorg (hierna: STAT). Het budget van de personen aan wie [de B.V.] zorg verleende, werd veelal beheerd door [de Stichting] (hierna: [de Stichting] ).

2.4.

[eisende partij sub 1] heeft op 7 april 2006 [B.V. II] opgericht, en op 1 december 2006 [B.V. I] . [eisende partij sub 1] was en is enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschappen.

2.5.

Vanaf 1 december 2006 heeft [B.V. I] 25% van de aandelen in [de B.V.] gehouden. De overige aandelen in [de B.V.] werden voor gelijke delen gehouden door de holdingvennootschappen van de drie andere natuurlijke personen die bij het besturen van [de B.V.] waren betrokken.

2.6.

[B.V. I] was van 1 december 2006 tot en met 1 april 2007 een van de (zelfstandig bevoegde) bestuurders van [de B.V.] [eisende partij sub 1] was in deze periode dus via [B.V. I] middellijk bestuurder van [de B.V.]

2.7.

[eisende partij sub 1] heeft ook buiten Nederland ondernemingen willen opzetten gericht op het verlenen van zorg aan zorgbehoevenden met een islamitische achtergrond. [eisende partij sub 1] heeft daartoe enkele ondernemingen opgericht in België en Duitsland. Deze ondernemingen zijn ingebracht in [B.V. II] .

2.8.

Begin 2007 is onder de naam ‘Djahé’ een strafrechtelijk opsporingsonderzoek gestart naar valsheid in geschrift, oplichting en verduistering van geldbedragen afkomstig uit de AWBZ (hierna: het opsporingsonderzoek). Dit onderzoek met de daaruit voortvloeiende strafrechtelijke vervolging wordt hierna, in navolging van eisers, kortweg aangeduid als ‘de megazaak Djahé’. In de megazaak Djahé zijn (onder meer) als verdachten aangemerkt (i) [de B.V.] , (ii) [de Stichting] , (iii) [eisende partij sub 1] en (iv) de andere middellijke aandeelhouders tevens bestuurders van [de B.V.]

2.9.

Vanwege de verdenking tegen [eisende partij sub 1] is hij op 25 maart 2008 aangehouden en in verzekering gesteld. [eisende partij sub 1] heeft vanaf 25 maart 2008 in beperking gezeten in het penitentiair ziekenhuis te [locatie] , tot dat zijn voorarrest op 4 juni 2008 werd geschorst.

2.10.

Op 25 maart 2008 heeft het Openbaar Ministerie (hierna ook: het OM) een bericht op zijn internetsite gepubliceerd met daarin onder meer de volgende tekst:

‘Er zijn vier mannen, bestuurders van aan de instelling verbonden B.V.’s aangehouden. Zij worden verdacht van valsheid in geschrifte, verduistering, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. De vier komen uit [plaats 2] en [plaats 1] en zijn 31, 33, 34 en 50 jaar oud.

(...)

De betrokken instelling [Onderneming] , en daar aan verbonden BV's, richtte zich tot mensen die vaak de Nederlands taal of regels onvoldoende machtig waren.

(...)

De cliënten hadden waarschijnlijk geen idee dat het verschil tussen aanvraag en uitkering mogelijk door de verdachten werden “afgeroomd”. Hoe hoog dit bedrag is, is nog niet duidelijk, maar het zou in de miljoenen euro’s kunnen lopen.”

2.11.

Het OM heeft beslag doen leggen op bijna alle vermogensbestanddelen van [de B.V.]

2.12.

Op 23 april 2008 is surseance van betaling aan [de B.V.] verleend.

2.13.

Op 24 april 2008 hebben de bewindvoerder van [de B.V.] en het OM een conceptovereenkomst gesloten, die onder meer inhield dat een aanzienlijk deel van de vordering van [de B.V.] op STAT en STN door het OM werd vrijgehouden van conservatoir derdenbeslag onder STAT en STN, om zo de salarissen van de personeelsleden van [de B.V.] te kunnen betalen zodat de te verlenen zorg door deze medewerkers zou worden veiliggesteld. Deze conceptovereenkomst is niet voor akkoord getekend door de bestuurders van [de B.V.]

2.14.

[de B.V.] is op 6 mei 2008 failliet verklaard.

2.15.

Ook de bedrijven die in [B.V. II] waren ingebracht, zijn failliet gegaan.

2.16.

Op 6 januari 2009 heeft het OM een persbericht doen uitgaan met betrekking tot een bestuurlijke rapportage getiteld “Fraude in de thuiszorg”. In deze rapportage is onder meer het volgende opgenomen:

“Deze rapportage is gebaseerd op de kennis opgedaan in een strafrechtelijk onderzoek en is aangevuld met informatie verkregen uit diverse open bronnen. (...)

Opvallend is dat de trigger tot het onderzoek ondanks dat sprake lijkt van een al enkele jaren lopende grootschalige fraude niet uit de zorgwereld komt, maar dat door banken gemelde verdachte transacties de aanleiding vormen.

(...)

Op hoofdlijnen wordt beschreven hoe verdachten te werk gaan en welke elementen in de structuur van de huidige zorg ruimte bieden om lang ongestraft te frauderen. (...)

Een fraudeur bedient zich van een stichting die als tussenpersoon fungeert voor de aanvraag van PGB’s en ZIN. Een aan de Stichting gelieerde BV levert vervolgens de thuiszorg. Hiermee ligt het hele proces van aanvragen, verlenen, declareren en verantwoorden in één hand. De rechtbank richt men zich ook nog op klanten in een zwakkere positie die, gezien de bureaucratische procedures, het regelen van de hele procedure graag aan de instelling overlaten. Onwetend dat zij recht hebben op meer of betere zorg, zijn de klanten tevreden met de geleverde zorg. Voor de instellingen zijn de winstkansen maximaal (meer declareren dan geleverd, tot ettelijke miljoenen, en weinig klanten die klagen.

In het onderzoek is gebleken dat een organisatie dus veel meer uren zorg kan verantwoorden dan het levert, dat er zorgvormen kunnen worden verantwoord die helemaal niet geleverd zijn, zelfs zorgvormen die een organisatie niet kan leveren, door gebrek aan controle.

Nadat politie en sociale inlichtingen- en opsporingsdiensten tot actie zijn overgegaan, is de onderzochte thuiszorg-b.v. failliet gegaan.”

2.17.

In de aankondiging van deze bestuurlijke rapportage is onder meer het volgende opgenomen:

“De Regionale Recherchedienst (RRD) van de Politie Rotterdam -Rijnmond en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben naar aanleiding van een onderzoek in [plaats 1] naar mogelijke fraude bij een thuiszorginstelling een bestuurlijke rapportage opgesteld. De rapportage is vorige maand naar de betrokken autoriteiten gestuurd.

Politie en SIPD deden in maart 2008 invallen bij een bij een aantal locaties van de betrokken thuiszorginstellingen en hielden vier bestuurders van de instelling aan. De instelling trad op als gemachtigde van zorgbehoevenden en de bestuurders worden ervan verdacht geld dat bedoeld was voor zorg in eigen zak te hebben gestoken. Deze instelling regelde voor de cliënt alles: van de aanvraag van een persoonsgebonden budget (PGB) of Zorg in Natura (ZIN) tot de zorg zelf.”

2.18.

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2015 (hierna ook: het strafvonnis) is [eisende partij sub 1] vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten. In het strafvonnis is onder meer het volgende overwogen:

6.3 Ontstaan en ontwikkeling [Onderneming]

(...)

[Onderneming] groeide snel, van 7 cliënten in 2003 tot 702 cliënten eind 2006.

Het beleid binnen [Onderneming] was dat alleen zorg die werd geleverd, mocht worden gedeclareerd. Tevens was het beleid dat de geïndiceerde zorg volledig werd ingezet met als gevolg dat de volledige indicatie werd gedeclareerd, tenzij geen of onvoldoende zorg kon worden geleverd.

Daarnaast werkte men bij [Onderneming] voor het grootste deel met cliëntgebonden medewerkers. Dit waren medewerkers die alleen zorg verleenden aan een specifieke persoon of gezin, meestal een familielid. Deze medewerkers verleenden aan hun zorgbehoevende familielid vrijwel altijd meer dan de geïndiceerde uren en daarom werd vanuit de indicatie gedeclareerd.

Doordat [Onderneming] na het sluiten van een overeenkomst met STN groeide, ontstond meer behoefte aan structuur, ook op het gebied van administratie. Door de groei van het aantal cliënten werd ook het aantal niet-cliëntgebonden medewerkers groter. Het uitgangspunt was en bleef dat altijd alleen geïndiceerde zorg werd geleverd. Tevens was met STN overeengekomen dat werd gedeclareerd op basis van indicatie verminderd met eventueel niet geleverde uren aan zorg. Dit systeem werkte, gelet op de verklaringen van verschillende zorgconsulenten, aanvankelijk goed. Als gevolg van de groei en een toename van het aantal niet-cliëntgebonden medewerkers, werd de administratie complexer en daarom werd in augustus 2006 [A] aangenomen als financieel manager (later hoofd afdeling declaratie). Hij kwam in diens om structuur te geven aan de organisatie en hij ontwikkelde een tool om de interne organisatie te professionaliseren.

(...)

Echter, de groei van [Onderneming] ging sneller dan de implementatie van nieuwe systemen. Daarom werd eind 2006 / begin 2007 op advies van [B] (sinds januari 2007 interim directeur) een cliëntenstop ingevoerd om de zaak onder controle te houden.

Voorts liet het bestuur zich omtrent de bedrijfsvoering adviseren door externe deskundigen (...). Tevens werden zorgconsulenten gecontroleerd en werden regelmatig terugbetalingen gedaan aan de zorgkantoren. Ook heeft de verdachte [eisende partij sub 1] , omdat hij [de B.V.] wilde overnemen, in mei / juni 2007 een due diligence onderzoek laten uitvoeren en in augustus 2007 heeft DB&S een rapport uitgebracht.

(...)

Het MT voerde wekelijks overleg en uit de MT-notulen komt het beeld naar voren dat in algemene zin werd gewerkt aan kwaliteit en aan de opbouw van een professionele organisatie.

(...)

Dat [Onderneming] fouten in de administratie niet aanvaardde en juist investeerde in verbetering van de kwaliteit c.q. een betere bedrijfsvoering blijkt (...) uit de volgende omstandigheden:

het bestuur heeft administratieve softwaresystemen ingevoerd in verband met de groei van [Onderneming] ;

het bestuur heeft externe deskundigen aangetrokken om de bedrijfsvoering door te lichten en te verbeteren;

het bestuur heeft een cliëntenstop ingevoerd;

het bestuur heeft externe deskundigen aangetrokken en investeerde in opleidingen ten behoeve van haar werknemers.

(...)

7. Opzet en bewijs, is er opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin?

Los van de hiervoor genoemde (ongemotiveerde) vrijspraken komt de rechtbank (overigens) integraal tot vrijspraken voor alle verdachten. Daarbij spelen niet alleen de ten laste gelegde zaaksdossiers een rol, om aan, in de eerste plaats het beeld dat de rechtbank heeft gekregen van de [Onderneming] . Daarbij heeft de rechtbank de opvatting van de curator in het faillissement van [Onderneming] laten meewegen.

7.1

Verklaring van de curator

[Onderneming] was een jonge, snelgroeiende thuiszorginstelling; over 2007 werd 9 miljoen euro omgezet met een positief resultaat van 2,3 miljoen euro en het jaar daarvoor was nog 2,9 miljoen euro winst gemaakt. [Onderneming] richtte zich op de markt van zorgbehoevende Rotterdammers met een islamitische achtergrond, hetgeen een groeimarkt bleek te zijn.

Uit het dossier blijkt voorts dat [Onderneming] groeide van 7 cliënten in 2003, tot 250-274 in 2005, 702 cliënten eind 2006 en 800 cliënten en 400 medewerkers ten tijde van de inval door de SIPD in maart 2008. Door enkele van de verdachten wordt zelfs gesproken over 900 tot 1000 cliënten.

[Onderneming] was winstgevend onder andere dankzij een jong personeelsbestand met een relatief lage inschaling in het salarisgebouw, een laag ziekteverzuim en een hoge drive. Over de periode 2005 tot begin 2008 werd 6 miljoen euro winst gemaakt. Over deze winst is vennootschapsbelasting geheven en betaald en van de resterende nettowinst is een deel ingehouden ten behoeve van versterking van de reserves en de en de financiering van de onderneming. Het restant daarvan is, na aftrek van salarissen van de bestuurders, als dividend uitgekeerd aan de aandeelhouders. Enkele van de verdachten (aandeelhouders) hebben de uitgekeerde dividendbedragen contant opgenomen (en/of doorgestort naar derden), welke contante opnames leidden tot de MOT-meldingen die aanleiding waren voor deze strafzaak.

Voorts heeft de curator verklaard dat de dividendbetaling in de jaarrekeningen zijn verwerkt (zoals deze ter terechtzitting door de curator zijn overgelegd) en in 2008 geen aanwijzing bestond dat deze jaarrekeningen onjuist of misleidend waren en dat dit inzicht bij hem nog ongewijzigd is. De curator sluit overigens niet uit dat er net als in veel organisaties sprake is van kleine of grotere onjuistheden in het administratieve traject, maar hij had of heeft geen aanwijzingen voor zorgfraude.

7.2.

Geen (voorwaardelijk) opzet op fraude

De rechtbank dient in deze zaak te beoordelen of [Onderneming] en [de Stichting] op grote schaal en in vereniging fraude hebben gepleegd met gelden in het kader van de AWBZ, voor welke fraude de ten laste gelegde zaaksdossiers exemplarisch zouden zijn. Van dergelijke fraude is niet gebleken.

De ten laste gelegde fraude in het kader van de vier zaaksdossiers, althans hetgeen daarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen, dient in de eerste plaats in de context van de hierboven omschreven snelle groei van [Onderneming] en de daarbij behorende cliëntenaantallen te worden beschouwd.

De vier zaaksdossiers die de uiteindelijke tenlastelegging hebben gehaald, zien slechts op een klein percentage van het totale cliëntenbestand. Bij een cliëntenaantal van 250 (in 2005) zou het gaan om 2,4%; bij een cliëntenaantal van 702 (in 2006 en 2007) zou het gaan om 0,9%. Bij de bespreking van de zaaksdossiers zal overigens blijken dat het aantal zaken op de tenlastelegging waarin daadwerkelijk strafrechtelijk relevante fouten zijn gemaakt, een nog kleiner percentage van het totale cliëntenbestand behelst (alleen in zaakdossier [X] ).

In de tweede plaats dient hierbij in ogenschouw te worden genomen dat artikel 8 lid 3 Regeling administratie en controle uitvoeringsorganen AWBZ, zoals deze in ieder geval gold tot 1 januari 2006, bepaalde dat bij de uitvoering van de controle of de zorg daadwerkelijk aan de verzekerde is geleverd en deze zorg, gelet op de indicatie, voor de verzekerde passend is, het uitvoeringsorgaan voor de nauwkeurigheid kan volstaan met de norm van 95%. Kortom, voor zover in de ten laste gelegde zaaksdossiers fouten zijn gemaakt, vallen deze in ieder geval binnen de foutmarge van 5% van genoemde regeling.

In de derde plaats blijkt uit hetgeen hiervoor is besproken dat [Onderneming] zelf fouten in de administratie constateerde, maar deze niet aanvaardde en steeds bezig was met de verbetering van de kwaliteit van de bedrijfsvoering. Ook de curator heeft verklaard dat hij geen onregelmatigheden heeft geconstateerd.

Ofschoon uit het dossier kan worden afgeleid dat door een enkele medewerker van [Onderneming] fouten zijn gemaakt, dienen deze fouten in de context van al het bovenstaande te worden beoordeeld. De conclusie is dan ook dat van een bedrijfsvoering binnen [Onderneming] of [de Stichting] , dan wel van besluitvorming of feitelijk door [Onderneming] of [de Stichting] bevorderd handelen, gericht op fraude met gelden in het kader van de AWBZ, al dan niet in voorwaardelijke zin, waarvan de fouten gemaakt in de ten laste gelegde zaaksdossiers een uitvloeisel zouden zijn, uit het dossier niet blijkt. Kortom, (voorwaardelijke) opzet bij [Onderneming] en [de Stichting] kan niet worden bewezen, zodat zowel deze rechtspersonen als de natuurlijke personen (aan de beoordeling van feitelijk leiding geven wordt immers niet meer toegekomen) reeds hierom dienen te worden vrijgesproken van al het ten laste gelegde.

2.19.

Het OM heeft hoger beroep aangetekend van het strafvonnis.

2.20.

Eisers hebben op grond van artikel 552a Van het Wetboek van Strafvordering bij de strafrechter geklaagd over de beslagen. Deze klachten zijn steeds ongegrond verklaard.

2.21.

Op 4 juli 2019 heeft het OM het volgende geschreven aan de strafadvocaat van [eisende partij sub 1] :

“Het Openbaar Ministerie kan zich niet vinden in enkele overwegingen van de rechtbank Rotterdam , onder meer de overweging over de facturering en verantwoording na omzetting van de zorgfunctie Tijdelijk Verblijf.

Niettemin is het Openbaar Ministerie van oordeel dat wat het dossier inhoudt omtrent de bedrijfsvoering van de betrokken rechtspersonen en de inspanningen die werden verricht ter verbetering van die bedrijfsvoering, in de weg staat aan het aannemen van opzet bij de verdachten op de strafbare feiten. Om die reden wordt het hoger beroep ingetrokken.”

2.22.

Op 15 juli 2019 heeft het OM het hoger beroep tegen [eisende partij sub 1] ingetrokken.

2.23.

In het jaar 2020 hebben het OM en de curator in het faillissement van [de B.V.] (hierna: de faillissementscurator) een schikking getroffen, inhoudende dat het OM € 250.000 voldoet aan de failliete boedel van [de B.V.]

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen – samengevat en na wijziging en vermeerdering van eis – dat de rechtbank:

(I): verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld door:

  • -

    eisers in het kader van de megazaak Djahé aan te merken als verdachten;

  • -

    strafvervolging en strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [eisende partij sub 1] in te stellen;

  • -

    de voorlopige hechtenis van [eisende partij sub 1] te bevelen en uit te voeren en in stand te houden gedurende drie maanden in volledige beperking;

  • -

    het strafproces onnodig lang te rekken, met name ook nadat het OM hoger beroep had aangetekend;

  • -

    door de vele conservatoire beslagleggingen en de weigering om de beslagen, zowel tijdens het strafproces als nadat dit was geëindigd, op te heffen;

  • -

    door perspublicaties te doen waarin [eisende partij sub 1] , hangende het strafproces, met naam en toenaam zonder enig voorbehoud is weggezet als fraudeur;

(II) de Staat veroordeelt tot betaling aan eisers van een immateriële en materiële schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(III) de Staat veroordeelt tot betaling aan [eisende partij sub 1] van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorschot op de gevorderde immateriële schadevergoeding en vergoeding van advocaatkosten in het kader van het strafproces;

(III) de Staat veroordeelt tot het plaatsen van de volgende rectificatie, althans een door de rechtbank in goede justitie op te stellen rectificatie, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag of gedeelte daarvan dat niet aan die veroordeling gevolg wordt gegeven:

“bij vonnis van de rechtbank Den Haag d.d. (...) is de Staat der Nederlanden veroordeeld om de navolgende rectificatie te plaatsen:

In 2007 heeft het Openbaar Ministerie een uitgebreid strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen een thuiszorgorganisatie genaamd [de B.V.] en haar oprichter de [eisende partij sub 1] . De rechtbank heeft de heer [eisende partij sub 1] – en de mede-verdachten in die procedure – eind 2015 definitief van alle verdenkingen vrijgesproken.

In 2009 is door het OM een rapport gepubliceerd en zijn persberichten uitgebracht waarin zonder enig voorbehoud de heer [eisende partij sub 1] voornoemd wordt neergezet als fraudeur. Die mededelingen waren prematuur en zijn onjuist gebleken. Wij erkennen dat de heer [eisende partij sub 1] hierdoor ten onrechte in zijn eer en goede naam is aangetast en wij betreuren dit. Deze advertentie dient ter rectificatie van deze onjuiste beschuldigingen aan het adres van de heer [eisende partij sub 1] ;

met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Eisers leggen aan het gevorderde het volgende ten grondslag. De Staat heeft onrechtmatig jegens eisers gehandeld in het kader van het strafrechtelijke optreden door politie en justitie tegen (onder meer) eisers in de megazaak Djahé. De rechtvaardiging voor het strafrechtelijke optreden tegen eisers heeft vanaf de aanvang ontbroken. Er is sprake geweest van etnisch profileren. Verder blijkt uit de motivering van het strafvonnis en het verdere strafdossier van de onschuld van [eisende partij sub 1] . De Staat moet de schade die eisers hebben geleden in verband met dit strafrechtelijke optreden, vergoeden. De gezondheidstoestand van [eisende partij sub 1] – die sinds zijn geboorte ernstig en meervoudig lichamelijk gehandicapt is – is door de inverzekeringstelling en verdere gebeurtenissen ingrijpend verslechterd. Daarom wordt mede aanspraak gemaakt op immateriële schadevergoeding. Verder zijn de (mede) door eisers gedreven ondernemingen failliet gegaan. De Staat heeft ook onrechtmatig jegens eisers gehandeld door de perspublicaties die hij heeft doen uitgaan over het strafrechtelijke optreden in de megazaak Djahé. De Staat is gehouden tot rectificatie daarvan en tot vergoeding van de daardoor geleden schade.

3.3.

De Staat concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Kernvraag

4.1.

De rechtbank moet in deze procedure beoordelen of de Staat schadeplichtig is jegens eisers op grond van onrechtmatige daad, vanwege het optreden van politie en justitie in het kader van de megazaak Djahé. Bij de beantwoording van deze vraag neemt de rechtbank het volgende beoordelingskader tot uitgangspunt.

Juridisch kader voor onrechtmatige overheidsdaad wegens strafrechtelijk optreden

4.2.

Een voormalige verdachte die schade heeft geleden als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie en justitie, heeft uitsluitend aanspraak op schadevergoeding op grond van onrechtmatige overheidsdaad, indien is voldaan aan één van de volgende criteria (vgl. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (Begaclaim/de Staat)):

( a) van de aanvang af heeft een rechtvaardiging voor het strafrechtelijke optreden van politie en justitie ontbroken doordat dit optreden, beoordeeld naar het tijdstip waarop het plaats had, in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht. Hieronder valt mede de situatie dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Van het Wetboek van Strafvordering heeft ontbroken. Dit criterium voor aansprakelijkheid wordt ook wel ‘de a-grond’ genoemd;

( b) ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, blijkt uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie heeft berust. Dit criterium voor aansprakelijkheid wordt ook wel ‘het gebleken-onschuld-criterium’ ofwel ‘de b-grond’ genoemd. Het gebleken-onschuld-criterium is een restrictief criterium. Echter, als aan dit criterium is voldaan, heeft de voormalige verdachte in beginsel recht op volledige vergoeding van de geleden schade.

Gebleken onschuld [eisende partij sub 1]

4.3.

[eisende partij sub 1] heeft gesteld dat is gebleken van zijn onschuld. De rechtbank is van oordeel dat uit het strafvonnis en het (verdere) strafdossier blijkt van de onschuld van de personen achter [de B.V.] , en dus mede van de onschuld van [eisende partij sub 1] . Dit heeft de volgende reden. In het strafvonnis is niet ermee volstaan te overwegen dat en waarom (voorwaardelijke) opzet van de verdachten niet bewezen werd geacht. Het strafvonnis strekt veel verder dan dat, nu daarin (geparafraseerd) is opgenomen dat:

  • -

    i) de faillissementscurator heeft verklaard dat er géén aanwijzingen zijn dat de jaarrekeningen van [de B.V.] onjuist of misleidend waren;

  • -

    ii) de faillissementscurator géén onregelmatigheden heeft geconstateerd;

  • -

    iii) de zaakdossiers die de uiteindelijke tenlastelegging hebben gehaald, zien op een dusdanig klein deel van het totale cliëntenbestand van [de B.V.] dat ruimschoots binnen de door het Uitvoeringsorgaan AWBZ aanvaarde foutmarge wordt gebleven, zelfs indien komt vast te staan dat de administratie niet geheel juist is;

  • -

    iv) voor zover er onvolkomenheden zijn geweest binnen [de B.V.] , dat moet worden bezien in de context van de snelle groei van de onderneming; en

  • -

    v) [de B.V.] fouten in de administratie constateerde maar deze niet aanvaardde en steeds bezig was met de verbetering van de kwaliteit van de bedrijfsvoering.

4.4.

Aldus houdt het strafvonnis in dat de personen die [de B.V.] hebben beheerst, waaronder [eisende partij sub 1] , de (weinige) administratieve onregelmatigheden ofwel onvolkomenheden niet hebben gewild, dat zij de aanmerkelijke kans daarop evenmin bewust hebben aanvaard, en zij dus géén opzet of voorwaardelijke opzet hebben gehad tot het plegen van de tenlastegelegde misdrijven. Het strafvonnis wijst een geheel ándere oorzaak aan voor de (weinige) administratie onvolkomenheden, namelijk de snelle groei van de onderneming. De brief van het OM aan de strafadvocaat van [eisende partij sub 1] van 4 juli 2019, waarin het besluit om het hoger beroep tegen het strafvonnis in te trekken wordt toegelicht, heeft eveneens de strekking dat uit het strafdossier blijkt dat de personen die [de B.V.] beheersten, geen opzet tot het plegen van fraude hebben gehad. Daarin staat immers dat het OM van oordeel is dat ‘wat het dossier inhoudt omtrent de bedrijfsvoering van de betrokken rechtspersonen en de inspanningen die werden verricht ter verbetering van die bedrijfsvoering, in de weg staat aan het aannemen van opzet [cursivering rechtbank] bij de verdachten op de strafbare feiten’.

4.5.

De Staat heeft erop gewezen dat in het strafvonnis ook is ingegaan op de vier zaaksdossiers van [de B.V.] die de uiteindelijke tenlastelegging hebben gehaald, dat in één daarvan wél is gebleken van een strafrechtelijke fout en dat in de andere dossiers slechts is geoordeeld dat fraude niet bewezen werd geacht. Naar het oordeel van de rechtbank doet dit niet af aan de gebleken onschuld van [eisende partij sub 1] . In het strafvonnis is slechts ten overvloede ingegaan op deze vier zaaksdossiers, nadat reeds op andere gronden was geoordeeld dat blijkt dat de verdachten, waaronder [eisende partij sub 1] , geen opzet of voorwaardelijke opzet tot het plegen van fraude hebben gehad. Dat is gebleken dat die opzet ontbrak, wordt niet anders doordat één medewerker van [de B.V.] een strafrechtelijk relevante fout blijkt te hebben gemaakt in één zaaksdossier, en evenmin door mogelijke onvolkomenheden in drie andere zaaksdossiers, ook nog op een totaal van de vele honderden cliënten aan wie [de B.V.] destijds zorg verleende.

[B.V. I] en [B.V. II] verdachten

4.6.

[B.V. I] en [B.V. II] zijn niet gedagvaard in de hiervoor besproken strafrechtelijke procedure. Voor de vraag of sprake is van gebleken onschuld is echter niet vereist of ook daadwerkelijk een strafrechtelijke vervolging is ingesteld, maar dat een (rechts)persoon als verdachte is aangemerkt. De Staat heeft in eerste instantie ontkend dat [B.V. II] en [B.V. I] verdachten in de megazaak Djahé zijn geweest. Eisers hebben vervolgens erop gewezen dat in het algemene procesverbaal van de megazaak Djahé staat dat er mede een strafrechtelijk onderzoek tegen [B.V. II] en [B.V. I] is ingesteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Staat niet langer weersproken dat [B.V. II] en [B.V. I] als verdachten zijn aangemerkt. Daarmee is komen vast te staan dat [B.V. II] en [B.V. I] verdachten in de megazaak Djahé zijn geweest en dus onder het bereik van (de b-grond van) de Begaclaim-jurisprudentie vallen.

Gebleken onschuld [B.V. I] en [B.V. II]

4.7.

De volgende vraag luidt of ook ten aanzien van [B.V. I] en [B.V. II] sprake is van gebleken onschuld. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. [B.V. I] en [B.V. II] hebben maar één bestuurder en aandeelhouder, namelijk [eisende partij sub 1] . Naar het oordeel van de rechtbank moeten de intenties van [B.V. I] en [B.V. II] worden geacht gelijk te zijn aan die van [eisende partij sub 1] , de natuurlijke persoon die deze vennootschappen als enige beheerst. De rechtbank is daarom van oordeel dat de omstandigheid dat sprake is van gebleken onschuld van [eisende partij sub 1] , meebrengt dat ook sprake is van gebleken onschuld van [B.V. I] en [B.V. II] . Andersom wordt immers ook aangenomen dat het ongeoorloofde oogmerk van degene die een rechtspersoon beheerst, geldt als het ongeoorloofde oormerk van die rechtspersoon (vgl. HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445 (X/Aerts q.q.). Aan dit oordeel doet niet af dat het OM uiteindelijk ervoor heeft gekozen om af te zien van vervolging van [B.V. I] en [B.V. II] . De Staat heeft trouwens verklaard dat het OM deze beslissing heeft genomen omdat het zijn inspanningen wilde richten op de rechtspersonen waarbinnen de fraude zou zijn gepleegd en de natuurlijke personen daarachter, en niet op de tussengelegen houdstervennootschappen. De rechtbank ziet geen gegronde reden dat deze keuze van het OM ten aanzien van [B.V. I] en [B.V. II] in de weg staat aan aansprakelijkheid voor en de toekenning van een schadevergoeding op grond van onrechtmatige overheidsdaad.

Verklaringen voor recht, schadestaatprocedure voor materiële schadevergoeding

4.8.

De conclusie luidt dat ten aanzien van [eisende partij sub 1] , [B.V. I] en [B.V. II] is voldaan aan het geblekenonschuld-criterium, zodat het strafrechtelijke optreden van politie en justitie tegen ieder van hen wordt geacht vanaf de aanvang onrechtmatig te zijn geweest. Dit omvat automatisch het handelen genoemd in het gevorderde onder I, eerste tot en met derde gedachtestreepje, evenals de beslagleggingen. De rechtbank zal daarom voor recht verklaren dat de Staat onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld vanwege het strafrechtelijke optreden tegen hen in het kader van de megazaak Djahé. Het is voor de rechtbank niet mogelijk de materiële schade die [eisende partij sub 1] , [B.V. I] en [B.V. II] hierdoor hebben geleden, reeds nu te begroten. De mogelijkheid dat zij hierdoor schade hebben geleden is wel aannemelijk. De rechtbank zal de Staat daarom veroordelen tot vergoeding van deze schade, op te maken bij staat, op de voet van artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.9.

De Staat heeft bij conclusie van antwoord uitgebreid uiteengezet dat er goede redenen waren voor het lange voortduren van de strafrechtelijke procedure, en eisers hebben daar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende tegenin gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen onrechtmatige overheidsdaad is gepleegd omdat het strafproces onnodig zou zijn gerekt. Op dat punt zal dus geen verklaring voor recht worden gegeven, en zal evenmin worden verwezen naar de schadestaatprocedure.

De a-grond

4.10.

Reeds omdat is gebleken van de onschuld van eisers, hebben [eisende partij sub 1] , [B.V. II] en [B.V. I] aanspraak op volledige vergoeding van de schade die zij hebben geleden door het strafrechtelijke optreden tegen hen. De rechtbank hoeft daarom niet te beoordelen of is voldaan aan de a-grond, inhoudende dat de rechtvaardiging voor het strafrechtelijke optreden tegens eisers vanaf de aanvang af heeft ontbroken.

Schade door faillissement [de B.V.]

4.11.

Uit de dagvaarding blijkt dat eisers mede – een nader bij staat op te maken –

vergoeding vorderen van schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van het faillissement van [de B.V.] en de in [B.V. II] ondergebrachte buitenlandse vennootschappen. Door deze faillissementen hebben de aandelen in [de B.V.] en in de buitenlandse vennootschappen geen waarde meer en zijn de investeringen daarin verloren gegaan. Bij de beantwoording van de vraag of eisers in zoverre aanspraak hebben op schadevergoeding, neemt de rechtbank het volgende tot uitgangspunt.

Juridisch kader bij schade door waardevermindering aandelen

4.12.

Indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door onrechtmatig handelen jegens die vennootschap, geldt als uitgangspunt dat alleen die vennootschap het recht heeft vergoeding van de aan haar toegebrachte schade te vorderen. De vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders echter op grond van dit (aanvankelijk) voor hen ontstane nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de bedoelde derde geldend maken. Het ligt op de weg van de vennootschap om ter bescherming van de belangen van hen die bij het in stand houden van haar vermogen belang hebben, van de derde schadevergoeding te vorderen. Dat geldt ook als een vennootschap slechts één aandeelhouder en bestuurder heeft. Het ‘waardeloos maken’ van de aandelen door het veroorzaken van een faillissement kan niet worden aangemerkt als inbreuk op een subjectief recht van de enig aandeelhouder-directeur, welke inbreuk onrechtmatig zou zijn ook zonder dat een zorgvuldigheidsplicht jegens laatstgenoemde is geschonden. Verwezen wordt naar Hoge Raad 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564 (Poot/ABP), met name de rechtsoverweging 3.4.1 en 3.4.3.

4.13.

Er moet echter onderscheid worden gemaakt tussen de hiervoor genoemde situatie en het volgende geval. Het kan zich voordoen dat een aandeelhouder van wie de aandelen in een vennootschap in waarde zijn verminderd door toedoen van een derde, cumulatief stelt:

  • -

    a) dat die derde in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die tegenover deze aandeelhouder was vereist;

  • -

    b) dat de schade die deze aandeelhouder heeft geleden het gevolg is van een samenhangend geheel van onrechtmatige gedragingen tegen de aandeelhouder, die niet alleen tot gevolg hebben gehad dat de aandelen sterk in waarde zijn verminderd, maar ook dat deze waardevermindering definitief ten laste van het vermogen van de aandeelhouder is gekomen en niet meer kan worden opgeheven door een eventuele schadevergoeding van de derde aan de vennootschap, en

  • -

    c) en dat de belangen van de aandeelhouder sterk met die van de vennootschap waren verweven.

Als een aandeelhouder dit alles stelt, moet het geheel van de gestelde onrechtmatige gedragingen jegens de aandeelhouder in onderlinge samenhang worden onderzocht, en mogen deze gedragingen niet worden opgesplitst in gedragingen die primair de vennootschap hebben geraakt en gedragingen rechtstreeks jegens de aandeelhouder. In deze situatie kan de aandeelhouder wel aanspraak hebben op schadevergoeding in verband met waardevermindering van aandelen. Verwezen wordt naar Hoge Raad 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2365 (Kip/Rabobank).

4.14.

In deze zaak is een onrechtmatige overheidsdaad wegens onrechtmatig strafrechtelijk optreden door politie en justitie aan de orde. Daarom is primair sprake van onrechtmatig handelen wegens inbreuk op rechten, waarvoor een voorlopige rechtvaardigingsgrond was vanwege de verdenking van eisers, die met terugwerkende kracht is komen te vervallen door de gebleken onschuld van eisers. Deze situatie onderscheidt zich zowel van de situatie die is geschetst in 4.10 als die in 4.11.

Vordering [B.V. I] in verband met faillissement [de B.V.]

4.15.

De positie van [B.V. I] vertoont niettemin sterke overeenkomsten met de gestelde situatie in het arrest Hoge Raad 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2365 (Kip/Rabobank). In de eerste plaats heeft de Staat direct onrechtmatig jegens [B.V. I] gehandeld door haar in de megazaak Djahé als verdachte aan te merken. Verder zijn [B.V. I] en [de B.V.] van dezelfde strafbare feiten verdacht, zodat de onrechtmatige overheidsdaden tegen [B.V. I] en [de B.V.] verregaand samenhingen. Voorts waren de belangen van [de B.V.] en haar houdstervennootschap [B.V. I] sterk met elkaar verweven. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank gebleken van de onschuld van zowel [B.V. I] als [de B.V.] Dat sprake is van gebleken onschuld van alle natuurlijke personen achter [Onderneming] , impliceert immers dat ook is gebleken van de onschuld van de (de juridische fictie) [de B.V.] Ten slotte komt de waardevermindering van de aandelen van [B.V. I] en [de B.V.] inmiddels definitief voor rekening van [B.V. I] , zonder dat [B.V. I] gelegenheid heeft gehad deze te doen verhalen door [de B.V.] of vanuit de failliete boedel van deze vennootschap. Eisers hebben namelijk onweersproken gesteld dat het voor hen niet mogelijk is geweest om de vordering van [de B.V.] op het OM van de faillissementscurator over te nemen, omdat zij door de strafrechtelijke vervolging en de publiciteit daarom heen nauwelijks nog vermogen of inkomen hebben. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat, voor zover het faillissement van [de B.V.] inderdaad door het optreden van politie en justitie is veroorzaakt, de Staat de schade moet vergoeden die [B.V. I] lijdt door het waardeloos worden van haar aandelen in [de B.V.]

Conceptovereenkomst tussen OM en faillissementscurator

4.16.

De Staat heeft betoogd dat het faillissement van [de B.V.] niet door het optreden van politie en justitie is veroorzaakt, ofwel dat sprake is van volledige eigen schuld van de bestuurders. De Staat wijst daartoe erop dat het OM en de bewindvoerder van [Onderneming] op 24 april 2008 een conceptovereenkomst hebben gesloten, op grond waarvan een aanzienlijk deel van de vordering op STAT / STN door het OM zou worden vrijgehouden van conservatoir beslag, om de salarissen van de personeelsleden te kunnen betalen. Volgens de Staat zijn de bestuurders van [de B.V.] niet met deze conceptovereenkomst akkoord gegaan en is deze vennootschap daardoor failliet gegaan. De rechtbank stelt voorop dat de Staat niet heeft weersproken dat er conditio sine qua non verband is tussen het strafrechtelijke optreden in de megazaak Djahé en het faillissement van [de B.V.] Het niet accepteren van de gestelde conceptovereenkomst zou daarom hoogstens kunnen maken dat sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW), of van belang zijn in het kader van de toerekening als bedoeld in artikel 6:98 BW. [eisende partij sub 1] heeft gemotiveerd weersproken dat hij (en dus [B.V. I] ) destijds van deze conceptovereenkomst heeft geweten, en de Staat heeft het tegendeel niet onderbouwd. De rechtbank laat in dit verband meewegen dat [eisende partij sub 1] ten tijde van het opstellen en aanbieden van de conceptovereenkomst in beperkingen zat, en geen contact met de buitenwereld mocht hebben. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de omstandigheid dat geen overeenkomst tot stand gekomen is, eigen schuld van [eisende partij sub 1] is. Daar komt bij dat de Staat de conceptovereenkomst niet heeft overgelegd in deze procedure, waardoor niet kan worden beoordeeld of [eisende partij sub 1] en de andere personen achter [de B.V.] gegronde reden hadden om niet akkoord te gaan (indien zij deze ontvangen zouden hebben). Dit betoog van de Staat wordt daarom gepasseerd.

4.17.

Gezien het voorgaande zal de Staat mede worden veroordeeld tot vergoeding aan [B.V. I] van de schade die [B.V. I] heeft geleden doordat haar aandelen in [de B.V.] waardeloos zijn geworden. Het is voor de rechtbank niet mogelijk om deze schade reeds nu te begroten. De rechtbank zal de Staat daarom ook in zoverre expliciet veroordelen tot vergoeding van schadevergoeding, op te maken bij staat.

4.18.

De rechtbank merkt hierbij het volgende op. Vanaf het jaar 2008 zijn de voorwaarden voor het in rekening kunnen brengen van verleende zorg op grond van de AWBZ aangescherpt en zijn de mogelijkheden tot maken van winst met deze vorm van zorgverlening teruggedrongen. Mogelijk mede als gevolg daarvan zijn STN en STAT in het jaar 2009 failliet gegaan. De Staat heeft immers onweersproken gesteld dat het faillissement van STN en STAT los stond van het faillissement van [de B.V.] Goed denkbaar is daarom dat de schade die [B.V. I] heeft geleden door het faillissement van [de B.V.] in 2008, aanzienlijk lager is dan de schatting van eisers bij dagvaarding (van meerdere miljoenen euro’s). De rechtbank geeft eisers in overweging dit te laten meewegen bij eventuele schikkingsonderhandelingen met de Staat.

Vorderingen [B.V. II] wegens faillissement buitenlandse vennootschappen

4.19.

Het debat over eventuele schadeplichtigheid van de Staat jegens [B.V. II] wegens het faillissement van de in [B.V. II] ondergebrachte buitenlandse vennootschappen is naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Of en in hoeverre [B.V. II] in zoverre aanspraak heeft op schadevergoeding, zal zo nodig moeten worden beoordeeld in de schadestaatprocedure.

4.20.

[eisende partij sub 1] is (via [B.V. I] ) indirect financieel getroffen door het waardeloos worden van de aandelen in [de B.V.] , namelijk via vermindering van de waarde van de aandelen in [B.V. I] . Aangezien [B.V. I] nog bestaat, is er geen reden om aan te nemen dat de waardevermindering van de aandelen in [B.V. I] definitief voor rekening van [eisende partij sub 1] komt. Het tegendeel is waar, omdat de Staat in dit vonnis wordt veroordeeld tot vergoeding aan [B.V. I] van de schade die deze gezien haar aandeelhouderschap heeft geleden door het faillissement van [de B.V.] In zoverre heeft [eisende partij sub 1] dus, anders dan [B.V. I] , geen aanspraak op schadevergoeding. Aangaande de buitenlandse vennootschappen die in [B.V. II] waren ingebracht, geldt evenzeer dat eventuele schadevergoeding wegens het waardeloos worden van de aandelen daarin, uitsluitend toekomt aan direct aandeelhouder [B.V. II] , en niet aan middellijk aandeelhouder [eisende partij sub 1] .

4.21.

Eisers hebben verder nog gesteld dat er eind 2007 / begin 2008 een aandelenoverdracht in het verschiet lag, die tot gevolg zou hebben gehad dat [eisende partij sub 1] (al dan middellijk) weer volledig aandeelhouder in [de B.V.] zou worden, en dat deze transactie geen doorgang heeft gevonden door het strafrechtelijke optreden tegen hen. De rechtbank overweegt dat uit de stukken die eisers hebben overgelegd ter onderbouwing hiervan, blijkt dat de einddatum van de indicatieve offerte de bank heeft uitgebracht voor de financiering daarvan, al ruimschoots was verstreken toen eisers bekend worden met het strafrechtelijke optreden tegen hen. De rechtbank ziet daarom onvoldoende aanwijzing dat deze aandelentransactie daadwerkelijk zou hebben plaatsgevonden als het strafrechtelijke optreden er niet was geweest. Deze stelling van eisers wordt daarom gepasseerd en zal dus geen rol spelen bij de schadebegroting in de eventuele schadestaatprocedure.

Rechtmatigheid persberichten

4.22.

Als een natuurlijk of rechtspersoon wordt verdacht van een strafbaar feit, geldt steeds de onschuldspresumptie van artikel 6 lid 2 van het van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarom moet het OM bij persberichten over verdenking van strafbare feiten steeds de vereiste terughoudendheid en zorgvuldigheid in acht nemen om de onschuldspresumptie te eerbiedigen. Bij de beantwoording van de vraag of het OM deze norm in een concreet geval heeft geschonden, zijn alle omstandigheden van dat geval van belang (vgl. Gerechtshof Den Haag 15 januari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:8). Naar het oordeel van de rechtbank brengen de persberichten van het OM aangaande de megazaak Djahé voldoende tot uitdrukking dat het gaat om een verdenking, niet om vastgestelde misdrijven, omdat steeds gebruik wordt gemaakt van termen als ‘verdachten’, ‘mogelijk’, ‘lijkt’ en ‘zou kunnen’. Daarom is de rechtbank van oordeel dat in deze persberichten de steeds geldende onschuldpresumptie voldoende in acht is genomen.

4.23.

Echter, in deze zaak is een bijzondere situatie aan de orde, omdat sprake is van gebleken onschuld van eisers. Het doen uitgaan door het OM van de persberichten over de strafrechtelijke verdenkingen vormt geen strafvorderlijk dwangmiddel of strafrechtelijk optreden, terwijl het gebleken-onschuld-criterium van het Begaclaim-arrest primair daarop betrekking heeft. Deze persberichten zijn echter wel uit het strafrechtelijke optreden tegen eisers voortgevloeid en daarmee onlosmakelijk verbonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat, nu gebleken is van de onschuld van eisers, ook de rechtvaardiging voor het doen uitgaan van deze persberichten met terugwerkende kracht is komen te vervallen, zodat de Staat ook de (eventuele) schade die daardoor eisers hebben geleden, moet vergoeden.

4.24.

Dit brengt naast, schadeplichtigheid van de Staat, ook mee dat de De Staat zal worden veroordeeld tot rectificatie op grond van artikel 6:167 BW , op de in het dictum vermelde wijze. Deze rectificatie ziet slechts op eisers en niet op de verdere voormalige verdachten in de megazaak Djahé, omdat die andere voormalige verdachten geen procespartij zijn in deze procedure. De rechtbank vertrouwt erop dat de Staat aan het gebod tot rectificatie zal voldoen zonder dat daaraan een dwangsom wordt verbonden.

schadestaatprocedure wat betreft materiële schadedoor persberichten

4.25.

Het is voor de rechtbank niet mogelijk om reeds nu te begroten voor welk bedrag eisers materiële schade hebben geleden door de met het strafrechtelijk optredensamenhangende openbare uitlatingen door het OM. De rechtbank acht wel de kans aannemelijk dat ieder van eisers als gevolg daarvan schade heeft geleden. De rechtbank zal de Staat daarom ook in zoverre veroordelen tot vergoeding aan eisers van schade, op te maken bij staat, op de in het dictum vermelde wijze.

Immateriële schadevergoeding

4.26.

Eisers hebben naast materiële ook immateriële schadevergoeding gevorderd. De aard van het strafrechtelijke optreden tegen [eisende partij sub 1] , waarbij hij meerdere maanden in volledige beperking heeft gezeten, brengt mee dat [eisende partij sub 1] hierdoor in zijn persoon moet zijn aangetast (vgl. Gerechtshof Den Haag, 5 juli 2022, ECLI:NL:GHDH:2022:1169). Dat geldt temeer gezien nu [eisende partij sub 1] ernstig en meervoudig lichamelijk gehandicapt is, en hij stukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zijn lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand door zijn voorlopige hechtenis langdurig zijn verslechterd. Verder is duidelijk dat [eisende partij sub 1] door het bekend worden van het strafrechtelijke optreden tegen hem is aangetast in zijn eer en goede naam. Dit in aanmerking nemende acht de rechtbank het passend en geboden dat de Staat € 20.000 aan immateriële schadevergoeding aan [eisende partij sub 1] voldoet. In de regel wordt immateriële schadevergoeding alleen aan natuurlijke personen toegekend. Dat is slechts anders als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, die naar het oordeel van de rechtbank, niet zijn gebleken ten aanzien van [B.V. I] en [B.V. II] . Daarom wordt, voor zover ook [B.V. I] en [B.V. II] immateriële schadevergoeding hebben gevorderd, die vordering afgewezen.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

4.27.

De Staat heeft zich verweerd tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Naar het oordeel van de rechtbank leggen de belangen van eisers bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis, meer gewicht in de schaal dan de mogelijke nadelige gevolgen van de Staat, namelijk het moeten maken van kosten door de Staat die mogelijk niet ongedaan kunnen worden gemaakt of kunnen worden verhaald bij een andersluidend oordeel in hoger beroep of cassatie. De rechtbank zal dit vonnis daarom, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Proceskosten

4.28.

De Staat zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van eisers tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 83,38

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2 punten × tarief II à € 563 per punt)

totaal € 1.876,38.

Voorschot door de Staat aan [eisende partij sub 1] (van € 10.000)

4.29.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Staat toegezegd een voorschot van € 10.000 aan [eisende partij sub 1] te zullen voldoen. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat de Staat dit voorschot in mindering zal kunnen brengen op de aan [eisende partij sub 1] te betalen schadevergoeding.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens [eisende partij sub 1] , [B.V. I] en [B.V. II] heeft gehandeld vanwege het strafrechtelijke optreden tegen hen door politie en justitie in de megazaak Djahé en door de openbare uitlatingen daarover van het Openbaar Ministerie;

5.2.

veroordeelt de Staat tot voldoening aan [eisende partij sub 1] van € 20.000 aan immateriële schadevergoeding;

5.3.

veroordeelt de Staat daarnaast tot vergoeding aan [eisende partij sub 1] van de materiële schade die hij heeft door het strafrechtelijke optreden tegen hem en door de openbare uitlatingen daarover van het Openbaar Ministerie, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.4.

veroordeelt de Staat tot vergoeding aan [B.V. I] van de schade die zij heeft geleden door het stafrechtelijke optreden tegen haar – waaronder de schade door het waardeloos worden van haar aandelen in [de B.V.] – en door de openbare uitlatingen over dit strafrechtelijke optreden van het Openbaar Ministerie, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.5.

veroordeelt de Staat tot vergoeding aan [B.V. II] van de schade die zij mocht hebben geleden door het strafrechtelijke optreden tegen haar en door de openbare uitlatingen daarover van het Openbaar Ministerie, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.6.

gebiedt de Staat om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de volgende rectificatie te plaatsen in drie Nederlandse landelijke dagbladen, waaronder Het Financieele Dagblad:

“Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2022 is de Staat der Nederlanden veroordeeld om de navolgende rectificatie te plaatsen.

In 2007 heeft het Openbaar Ministerie een uitgebreid strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen onder meer de heer [eisende partij sub 1] en de vennootschappen [B.V. I] en [B.V. II] , waarvan de heer [eisende partij sub 1] enig aandeelhouder en bestuurder is.

Bij vonnis van de rechtbank [plaats 1] van 16 december 2015 is de heer [eisende partij sub 1] vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde strafbare feiten. Uit dit strafvonnis, dat inmiddels onherroepelijk is geworden, blijkt dat de heer [eisende partij sub 1] onschuldig is aan de misdrijven waarvan hij is verdacht en die hem ten laste zijn gelegd. Dit strafvonnis impliceert dat is gebleken dat [B.V. I] en [B.V. II] deze misdrijven evenmin hebben gepleegd.

De heer [eisende partij sub 1] is ten onrechte aangetast in zijn eer en goede naam door het strafrechtelijke optreden tegen hem en door de openbare uitlatingen daarover van het Openbaar Ministerie.

Deze rectificatie dient om dit recht te zetten.”

5.7.

veroordeelt de Staat in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van eisers begroot op € 1.876,38;

5.8.

verklaart de veroordelingen onder 5.2 tot en met 5.7 uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het meer af anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2022.1

1 type: 1769