Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9998

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
AWB 21/805, AWB 21/1019
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verblijfsdocument EU/EER, schijnrelatie, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 21/805 en AWB 21/1019

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1], eiser,

gemachtigde: mr. P. Kramer-Ograjensek,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N. Hamzaoui.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Bij besluit van 13 januari 2021 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakt bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingediend. Dit beroep is geregistreerd onder AWB nummer 21/805.

Bij besluit van 11 februari 2021 (bestreden besluit 2) heeft verweerder eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.

Eiser heeft hiertegen beroep ingediend. Dit beroep is geregistreerd onder AWB nummer 21/1019.


De rechtbank heeft beide beroepen op 5 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1974 en bezit de Turkse nationaliteit. Op 28 juni 2019 heeft eiser in Nederland een aanvraag ingediend tot verlening van een reguliere verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag is bij besluit van 19 augustus 2019 afgewezen. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 29 oktober 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.

Het beroep geregistreerd onder AWB 21/805

2. Op 8 januari 2020 heeft eiser een aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Vw ingediend. Eiser stelt een relatie te hebben met [naam 2] van Bulgaarse nationaliteit (hierna: referente). Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag heeft verweerder een hoorzitting gehouden op 17 december 2020, waarbij eiser en referente apart van elkaar zijn gehoord.

3. Met het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat sprake is van een schijnrelatie die is aangegaan met als enig doel het in de Verblijfsrichtlijn1 neergelegd recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, waarop anders geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt. Volgens verweerder zijn er in dit geval meerdere indicatoren die in samenhang bezien een onderzoek rechtvaardigen naar de vraag of sprake is van misbruik van de Verblijfsrichtlijn. Verweerder heeft daarom aanleiding gezien eiser en referente te horen. Verweerder meent dat sprake is van een schijnrelatie omdat eiser en referente uiteenlopende, vage, tegenstrijdige en onware verklaringen hebben afgelegd over essentiële onderdelen van de relatie.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat er wel degelijk sprake is van een oprechte liefdesrelatie tussen hem en referente. Hiervan zullen nadere bewijsstukken worden overgelegd. Verder voert eiser aan dat referente tijdens de hoorzitting heeft gemeld dat zij anti-depressiva gebruikte en dat de gehoorambtenaar zich in het geheel niet heeft afgevraagd wat de impact van deze medicatie was op het vermogen van referente om te verklaren. Dat is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op het verslag van de hoorzitting, terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser en referente op essentiële punten tegenstrijdige, vage en onware verklaringen hebben afgelegd. Verweerder heeft hierbij terecht gewezen op de tegenstrijdige verklaringen over onder meer het verloop van de eerste ontmoeting, het verloop van de relatie, het wel of niet sluiten van een religieus huwelijk en het wel of niet contact hebben met de wederzijdse ouders. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser, ondanks zijn aankondiging, geen nadere bewijsstukken heeft ingediend ter onderbouwing van de gestelde relatie. Met de enkele niet onderbouwde stelling, dat wel degelijk sprake is van een oprechte liefdesrelatie, heeft eiser het standpunt van verweerder niet weerlegd. Tot slot heeft verweerder ter zitting zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat referente vanwege het gebruik van anti-depressiva niet in staat zou zijn geweest om consistent te verklaren tijdens de hoorzitting. Dit blijkt evenmin uit het verslag van de hoorzitting. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, alle elementen uit de zaak in samenhang bezien, niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van een schijnrelatie.

6. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep geregistreerd onder AWB 21/1019

7. Op 13 januari 2021 heeft verweerder eiser per brief geïnformeerd over zijn voornemen om eiser een inreisverbod op te leggen voor de duur van twee jaren. Eiser heeft hiertegen geen zienswijze ingediend.

8. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder gesteld dat tegen eiser bij besluit van 19 augustus 2019 een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en dat niet gebleken is dat eiser aan zijn terugkeerverplichting heeft voldaan. Verweerder heeft eiser daarom een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren. De maximale duur is opgelegd, omdat eiser geen onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd.

9. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het inreisverbod ten onrechte is opgelegd en in strijd is met artikel 8 van het EVRM2. Eiser stelt dat hij ruim anderhalf jaar een affectieve relatie heeft met zijn Bulgaarse partner in Nederland. Als verweerder hem een inreisverbod oplegt voor de duur van twee jaren, dan kunnen zij hun gezinsleven niet langer uitoefenen.

10. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

Uit artikel 6.5a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), volgt dat de maximale duur van een inreisverbod in beginsel twee jaren is. Volgens paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 legt verweerder een inreisverbod op voor de maximale duur die volgens artikel 6.5a, van het Vb, mogelijk is.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Het betoog van eiser dat het inreisverbod in strijd met artikel 8 van het EVRM is opgelegd, slaagt niet. In bovengenoemde beroepsprocedure met zaaknummer AWB 21/805 is immers geconcludeerd dat tussen eiser en referente sprake is van een schijnrelatie.

12. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 7 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd om deze

uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Richtlijn 2004/38/EG

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.