Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9994

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
NL21.13875
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de door verweerder overlegde informatie blijkt dat er al sinds het begin van de coronapandemie geen presentaties plaatsvinden bij de Senegalese autoriteiten en dat er in zijn geheel geen contact is tussen verweerder en de Senegalese autoriteiten om zaken te bespreken. Hoewel eiser zelf geen aantoonbare acties heeft ondernomen om aan documenten te komen om zijn lp-aanvraag te ondersteunen, – wat er ook zij van de daadwerkelijke mogelijkheid die daartoe bestaat voor eiser – valt niet in te zien waar deze eventuele documenten onder die omstandigheden toe zouden kunnen leiden. Nu het namelijk voor verweerder al onmogelijk blijkt om contact te leggen met de Senegalese autoriteiten voor het verkrijgen van een lp, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het door verweerder ingenomen standpunt dat dat eiser wel zou lukken. Bovendien volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat, als niet aannemelijk is gemaakt dat de autoriteiten van het land van herkomst bereid zijn mee te werken aan het verstrekken van de voor uitzetting benodigde documenten, een vreemdeling niet langer ter motivering van de bewaring kan worden tegengeworpen dat hij niet of in onvoldoende mate aan zijn verplichting tot medewerking voldoet. Het is bij uitstek de dwang waaronder het vertrek van de vreemdeling plaatsvindt die maakt dat sprake is van uitzetting. Een mogelijk vertrek met behulp van het IOM – of in het geval van eiser door zelf met de Senegalese autoriteiten in contact te treden om zijn vertrek te realiseren – is niet aan te merken als gedwongen vertrek en is niet relevant voor de beoordeling van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Onder deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat in het geval van eiser geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.13875


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Verweerder heeft op 31 mei 2021 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2021 op zitting behandeld. Eiser en verweerder zijn beiden vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie aan te leveren. Verweerder heeft op 8 september 2021 aan dit verzoek voldaan.

Eiser heeft op 9 september 2021 op verzoek van de rechtbank gereageerd op de door verweerder aangeleverde informatie.

Geen van de partijen heeft aangegeven nader op zitting te willen worden gehoord. De rechtbank doet daarom uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 augustus 20211 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 28 juli 2021 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. De aanvraag voor een laissez passer (lp) duurt inmiddels al negen maanden, zonder dat enige reactie van de Senegalese autoriteiten is ontvangen, terwijl inmiddels veelvuldig is gerappelleerd. Van belang is dat er nog steeds geen presentaties ingepland worden en dat er geen zicht op is wanneer dat wel weer zou kunnen.

3.1.

Uit de voortgangsrapportage blijkt dat presentaties bij de Senegalese autoriteiten nog niet mogelijk zijn. De rechtbank heeft daarom aan verweerder gevraagd wat daarvoor de reden is en op welke termijn verweerder verwacht dat er weer wordt aangevangen met het houden van presentaties bij de Senegalese autoriteiten.

3.2.

Verweerder heeft daarop de rechtbank geïnformeerd dat sinds het begin van de covid-19 pandemie geen presentaties in persoon zijn georganiseerd bij de Senegalese autoriteiten en dat ondanks meerdere contactpogingen, zowel telefonisch als per e-mail, om een afspraak in te plannen geen contact is gelegd met de verantwoordelijke functionarissen. Om die reden is er ook geen zicht op presentaties en valt er niets te zeggen over de termijn waarop presentaties wel weer mogelijk zijn, aldus verweerder.

3.3.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat in het geval van eiser geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat. Hoewel verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat uit vaste jurisprudentie volgt dat het zicht op uitzetting in beginsel gegeven is in het geval een vreemdeling niet zijn actieve en volledige medewerking verleent2 en aangezien eiser in het vertrekgesprek van 17 augustus 2021 heeft verklaard niet mee te willen werken aan zijn uitzetting en zelf geen aantoonbare acties heeft ondernomen om aan documenten te komen, ziet de rechtbank toch aanleiding om van dit beginsel af te wijken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de informatie zoals is overgelegd door verweerder blijkt dat al ruim anderhalf jaar in het geheel geen contact met de Senegalese autoriteiten bestaat om zaken te bespreken of om presentaties te plannen bij de vertegenwoordiging van de Senegalese autoriteiten in Nederland en dat deze presentaties ook al die tijd niet hebben plaatsgevonden. Verder blijkt dat verweerder tevergeefs meerdere malen geprobeerd heeft telefonisch of per e-mail contact te leggen met de Senegalese autoriteiten om een afspraak in te plannen. Hoewel eiser zelf geen aantoonbare acties heeft ondernomen om aan documenten te komen om zijn lp-aanvraag te ondersteunen, – wat er ook zij van de daadwerkelijke mogelijkheid die daartoe bestaat voor eiser – valt niet in te zien waar deze eventuele documenten onder die omstandigheden toe zouden kunnen leiden. Nu het namelijk voor verweerder al onmogelijk blijkt om contact te leggen met de Senegalese autoriteiten voor het verkrijgen van een lp, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het door verweerder ingenomen standpunt dat dat eiser wel zou lukken. Verweerder heeft verder niet toegelicht op welke wijze eiser, anders dan zelf contact op te nemen met de Senegalese autoriteiten, bij kan dragen aan de realisatie van zijn vertrek. De rechtbank stelt verder vast dat door verweerder op zitting niet is betwist dat eiser niet in het bezit is van (al dan niet verlopen) reisdocumenten, waardoor eiser voor het verkrijgen daarvan afhankelijk is van de Senegalese autoriteiten. Verweerder heeft ook geen antwoord kunnen geven op de vraag op welke termijn hij verwacht weer contact te kunnen krijgen met de Senegalese autoriteiten. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat, als niet aannemelijk is gemaakt dat de autoriteiten van het land van herkomst bereid zijn mee te werken aan het verstrekken van de voor uitzetting benodigde documenten, een vreemdeling niet langer ter motivering van de bewaring kan worden tegengeworpen dat hij niet of in onvoldoende mate aan zijn verplichting tot medewerking voldoet.3 Het is bij uitstek de dwang waaronder het vertrek van de vreemdeling plaatsvindt die maakt dat sprake is van uitzetting. Een mogelijk vertrek met behulp van het IOM – of in het geval van eiser door zelf met de Senegalese autoriteiten in contact te treden om zijn vertrek te realiseren – is niet aan te merken als gedwongen vertrek en is niet relevant voor de beoordeling van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.4 Onder deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat in het geval van eiser geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer bestaat.

4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 29 juli 2021 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.

5. Omdat het beroep reeds op dit punt gegrond is, de opheffing van de maatregel van bewaring wordt bevolen en aan eiser de maximale schadevergoeding wordt toegekend – zie daarvoor de onderstaande overweging – gaat de rechtbank op de overige beroepsgronden van eiser niet in.

6. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 43 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 43 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 4.300,-.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.870,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het geven van een nadere schriftelijke reactie na het schorsen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 4.300,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.870,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zaaknummer NL21.11941, niet gepubliceerd.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV3295) en de uitspraak van 23 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI3894).

3 ABRvS 5 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE9987, recentelijk opnieuw bevestigd in ABRvS 2 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:696.

4 ABRvS 2 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:696.