Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:997

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2021
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
C-09-589752
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vernietiging erkenning en gerechtelijke vaststelling ouderschap. Rechtbank gaat voorbij aan de in de wet gestelde termijn (1:205 lid 4 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0046
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 20-1407

Zaaknummer: C/09/589752

Datum beschikking: 15 januari 2021

Vernietiging erkenning en gerechtelijke vaststelling ouderschap

Beschikking op het op 10 maart 2020 ingekomen verzoekschrift van:

[X]

verzoekster,

wonende te [woonplaats X]

advocaat mr. M.M.J. Bos te Dordrecht.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y]

de man,

wonende te [woonplaats Y] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoek van 10 maart 2020 van de zijde van verzoekster;

- de schriftelijke verklaring van de man van 18 maart 2020 inhoudende dat hij instemt met toewijzing van het verzoek, althans geen verweer wenst te voeren, en verklaart geen gebruik te willen maken van zijn recht om door de rechter te worden gehoord;

- het F9-formulier van 1 juli 2020 van de zijde van verzoekster.

Op 11 december 2020 is de zaak (via Skype voor Bedrijven) ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verzoekster en haar advocaat digitaal verschenen. De man heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting.

Feiten

- Uit [moeder X] (de moeder) is op [geboortedatum 1] 1970 te [geboorteplaats 1] verzoekster geboren.

- Verzoekster is op 31 januari 1973 erkend door de man.

- De moeder en de man zijn gehuwd geweest van [huwelijksdatum] 1973 tot [scheidingsdatum] 1993.

- [bio va van X] , geboren op [geboortedatum 2] 1931 te [geboorteplaats 2] , is op [datum overlijden] 2009 te [plaats van overlijden] overleden.

- Blijkens de uittreksels uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen hebben alle betrokkenen de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek

Verzoekster verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :

  1. te vernietigen de erkenning door [Y] , geboren op [geboortedatum 3] 1941 te [geboorteplaats 3] , gedaan op 31 januari 1973, van [X] geboren op [geboortedatum 1] 1970 te [geboorteplaats 1] uit de moeder;

  2. vast te stellen dat [bio va van X] , geboren op [geboortedatum 2] 1931 te [geboorteplaats 2] , overleden op [datum overlijden] 2009 te [plaats van overlijden] , de vader is van [X]

  3. vast te stellen dat verzoekster heeft verklaard dat zij de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam moeder X] ’, zijnde de geslachtsnaam van de moeder, zal hebben;

  4. de griffier van de rechtbank Den Haag op te dragen om niet eerder dan drie maanden na de dag van de te dezen te geven beschikking een afschrift hiervan te zenden naar de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente woonplaats X] en de gemeente [gemeente geboorteplaats X] om als latere vermelding te worden toegevoegd aan de onder hen berustende akten van de burgerlijke stand.

De man stemt in met het verzoek tot vernietiging van de erkenning.

Beoordeling

Vernietiging erkenning

Ontvankelijkheid

Verzoekster verzoekt de erkenning door de man te vernietigen.

In artikel 1:205 lid 1 BW staat dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank kan worden ingediend:

  1. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;

  2. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;

  3. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden is bewogen toestemming tot erkenning te geven.

Als het verzoek wordt ingediend door het kind zelf, dient het verzoek op grond van artikel 1:205 lid 4 BW ingediend te worden binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet de biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

Verzoekster heeft gesteld dat zij al sinds dat zij 10 jaar oud is weet dat de man niet haar biologische vader is, maar dat zij door persoonlijke omstandigheden niet eerder is toegekomen aan het indienen van een verzoek. Vaststaat dus dat het verzoek niet is ingediend binnen de in de wet gestelde termijn.

De rechtbank zal verzoekster – zoals tijdens de zitting al besproken – toch ontvankelijk verklaren in haar verzoek. De rechtbank overweegt als volgt. Het stellen van termijnen is in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging in het family life in de zin van artikel 8 EVRM, nu de in de wet gegeven termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving om de rechtszekerheid te waarborgen en voorts ter bescherming van de belangen van het kind. In dit geval is het echter de wens van alle betrokkenen dat de erkenning van verzoekster door de man wordt vernietigd, zodat kan worden overgegaan tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [bio va van X] . Verzoekster heeft toegelicht dat zij een zwaarwegend persoonlijk en emotioneel belang heeft bij het verzoek tot vernietiging van de erkenning. Verzoekster heeft gesteld dat zij vanwege de fysieke en psychische mishandeling door de man geen prettige jeugd heeft gehad en dat zij daarom sinds haar 19e jaar geen contact meer heeft met de man. Tot op de dag van vandaag heeft verzoekster last van wat haar is overkomen. Verzoekster heeft nadat zij op haar 19e haar ouderlijk huis had verlaten wel contact gekregen met haar biologische vader ( [bio va van X] ). Zij hebben tot het overlijden in 2009 contact met elkaar gehad. Verzoekster is aangewezen als enig erfgenaam van [bio va van X] . Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in dit specifieke geval vasthouden aan de genoemde termijn geen belang dient, terwijl verzoekster in dat geval wordt geschaad in haar belangen. De rechtbank zal de wettelijke termijn van artikel 1:205 lid 4 BW daarom in dit geval buiten beschouwing laten.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank begrijpt uit het verzoekschrift en de toelichting hierbij tijdens de zitting dat de man en de moeder van verzoekster na de geboorte van verzoekster een relatie hebben gekregen. De man heeft voordat hij met de moeder van verzoekster is getrouwd verzoekster erkend. De man en de moeder van verzoekster zijn inmiddels al een tijd uit elkaar en voor verzoekster is het – gelet op alles wat er in haar jeugd is gebeurd – buitengewoon belastend dat de man nog steeds bekend staat als haar juridische vader. Verzoekster wil daarom dat de erkenning wordt vernietigd. De man en (zo begrijpt de rechtbank) ook de moeder van verzoekster steunen dit verzoek.

Nu voor alle betrokkenen vaststaat dat de man niet de biologische vader van verzoekster is, zal de rechtbank het verzoek tot vernietiging van de erkenning van verzoekster door de man toewijzen.

Vaststelling vaderschap

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 1:207 BW kan, op verzoek van de moeder of van het kind, het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank worden vastgesteld.

Inhoudelijke beoordeling

Verzoekster heeft als productie 10 de uitslag van een DNA-onderzoek uitgevoerd door DNA Diagnostics Center overgelegd. Hieruit blijkt dat de waarschijnlijkheid van het verwantschap tussen verzoekster en de zus van [bio va van X] met 96,8% is aangetoond. Deze aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid samen met de verklaring van de moeder van verzoekster en de toelichting van verzoekster zelf maakt dat de rechtbank ervanuit gaat dat [bio va van X] de verwekker is van verzoekster. De rechtbank zal daarom het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap toewijzen.

Geslachtsnaam

Uit artikel 1:206 BW volgt dat de vernietiging van de erkenning – nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan – ertoe leidt dat de erkenning geacht wordt nimmer gevolg te hebben gehad. Dit betekent dat de geslachtsnaam van verzoekster nooit ‘[Y]’ is geweest.

De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap doet vervolgens een familierechtelijke betrekking tussen de heer [bio va van X] en verzoekster ontstaan. In een dergelijk geval bepaalt artikel 1:5 lid 7 BW dat verzoekster ten overstaan van de rechter kan verklaren of zij de geslachtsnaam van de moeder of de vader zal hebben. Verzoekster heeft uitdrukkelijk verklaard dat zij de geslachtsnaam van haar moeder ( [geslachtsnaam moeder X] ) wenst te dragen.

Uitvoerbaar bij voorraad

Nu de aard van de zaak zich verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beschikking, zal de rechtbank het hiertoe strekkend verzoek afwijzen.

Toezenden van de beschikking aan de ambtenaar

De rechtbank zal, zoals is bepaald in artikel 1:20e BW, deze beschikking naar de gemeente Apeldoorn en de gemeente Westland opsturen zodat de ambtenaar van de burgerlijke stand te zijner tijd het voorgaande kan verwerken.

Beslissing

De rechtbank:

*

vernietigt de erkenning van [X] geboren op [geboortedatum 1] 1970 te [geboorteplaats 1] , door [Y] geboren op [geboortedatum 3] 1941 te [geboorteplaats 3]

*

stelt vast het vaderschap van:

[bio va van X] , geboren op [geboortedatum 2] 1931 te [geboorteplaats 2] ,

over:

[X] geboren op [geboortedatum 1] 1970 te [geboorteplaats 1] ,

uit:

[moeder X] , geboren op [geboortedatum 4] 1947 te [geboorteplaats 1] ;

*

stelt vast dat de verklaring van verzoekster luidt dat zij de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam moeder X] ’ wenst te dragen.

Voorschot door verzoekster als degene op wie bewijslast rust, tenzij zij een toevoeging heeft.

Zie verder onder dictum voor alternatief in geval van toevoeging.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Koper, rechter, in samenwerking met mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 januari 2021.