Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9897

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
AWB 21/57
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv nareis asiel

Meerderjarige

Jongvolwassene

Feitelijke gezinsband

Contra-indicatie

Zelfstandig in levensonderhoud voorzien

Fictief dienstverband

Verblijfsvergunning Verenigde Arabische Emiraten

Kafalasysteem

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 21/57

V-nummer: [Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘nareis bij [Naam 2]’ ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen. Tevens waren aanwezig [Naam 2], hierna: referent, en tolk G.M.A. Al-Harbia.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 1995 en bezit de Jemenitische nationaliteit.

Hij verblijft in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Eiser beoogt verblijf bij referent, zijn vader. Referent is in november 2019 naar Nederland gevlucht. Bij besluit van 13 november 2019 is aan referent een asielvergunning verleend. Op 4 december 2019 heeft referent voor eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van mvv voor nareis in asielzaken.1

Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 25 augustus 2020 afgewezen, omdat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent volgens verweerder is verbroken. Eiser is een jongvolwassene. Uit de overgelegde kopie van het paspoort van eiser blijkt dat daarin bij ‘profession’ staat aangegeven ‘Public Relation Clark’. Referent heeft op de ‘Vragenlijst gezinsband kind’ aangegeven dat eiser geen betaalde werkzaamheden heeft verricht. Eiser is gevraagd om deze discrepantie toe te lichten maar heeft dat niet gedaan. Het paspoort is afgegeven vóór de binnenkomst van referent in Nederland. Op basis van de verklaring van referent kan niet worden aangenomen dat eiser bij binnenkomst van referent in Nederland niet al in zijn eigen onderhoud voorzag.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van referent tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard. Verweerder volgt niet het gestelde in bezwaar dat eiser nimmer in zijn eigen onderhoud heeft voorzien en altijd door zijn ouders is onderhouden. Voor zover eiser in bezwaar heeft gesteld dat een kennis van referent bereid is geweest om te verklaren dat eiser bij hem in dienst was in de functie van ‘Public Relation Clark’ om eiser zo aan een verblijfsvergunning te helpen, heeft verweerder overwogen dat binnen het kafalasysteem het verkrijgen van een werkvergunning en een verblijfsvergunning aan elkaar zijn gekoppeld. Om als bedrijf of individuele sponsor een buitenlandse werknemer in dienst te kunnen nemen moet een vastgestelde procedure worden doorlopen. Verschillende organisaties zijn betrokken bij het toelatingsproces. Arbeidsmigranten worden uiteindelijk in het bezit gesteld van een in hun paspoort aangebrachte verblijfsvergunning. Eiser heeft volgens verweerder nagelaten de pagina uit zijn paspoort te overleggen waarop de verblijfsvergunning is aangebracht die hij op grond van zijn werkvergunning heeft verkregen. De stelling dat hij een verlopen verblijfsvergunning zou hebben heeft eiser niet aannemelijk gemaakt, omdat hij op grond van zijn verklaringen en hetgeen bekend is over het kafalasysteem een nieuwe verblijfsvergunning heeft gekregen op grond van zijn werk, die in het paspoort moet zijn aangebracht. Daarnaast is niet aangetoond dat eiser financieel wordt onderhouden door referent.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de gezinsband tussen hem en referent ten onrechte verbroken acht. Hij heeft daarbij gewezen op wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. Eiser had na zijn studie geen verblijfsrecht meer. Om ervoor te zorgen dat zijn verblijfsrecht niet zou worden beëindigd, is een kennis van referent uit de VAE bereid gevonden om als noodzakelijke sponsor op te treden. Dit is noodzakelijk onder het kafalasysteem. Eiser heeft echter nooit gewerkt en is afhankelijk gebleven van zijn vader. Hij heeft verwezen naar informatie waaruit blijkt dat er in de VAE veelvuldig wordt gefraudeerd met visa en werkvergunningen. Aan eiser is een verblijfsvergunning voor de VAE verleend, geldig van 12 februari 2017 tot 11 februari 2019. De verblijfsvergunning werd geplaatst in het Jemenitische paspoort van eiser dat geldig was van 7 september 2011 tot 7 september 2017. In 2018 heeft eiser een nieuw Jemenitisch paspoort aangevraagd dat geldig is van 7 augustus 2018 tot 7 augustus 2024. Aan het feit dat in dit paspoort een beroep wordt vermeld kan niet de conclusie worden verbonden dat eiser deze werkzaamheden ook daadwerkelijk heeft verricht en dat hij zo in zijn eigen onderhoud voorzag. Eiser had hierover gehoord kunnen worden en stelt dat de hoorplicht is geschonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. In paragraaf C2/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat, onder verwijzing naar paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000, dat in het geval van meerderjarige kinderen sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM als het meerderjarige biologische kind feitelijk behoort tot het gezin.

Uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 volgt dat verweerder uitsluitend aanneemt dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, als het meerderjarige kind:

• jongvolwassen is;

• met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft;

• niet in zijn eigen onderhoud voorziet; en

• geen zelfstandig gezin heeft gevormd.

5. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 20192 betrekt verweerder bij de beoordeling van de genoemde contra-indicaties op grond waarvan hij aanneemt dat een jongvolwassen meerderjarig kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van zijn of haar ouder(s), in hoeverre het kind hiermee een stap naar zelfstandigheid heeft willen zetten. Als dat het geval is, geldt doorgaans dat het kind hiermee niet langer tot het gezin van zijn ouder(s) behoort.3

6. In de omstandigheid dat eiser een in 2018 uitgegeven paspoort heeft overgelegd waarin als beroep ‘Personal Relation Clark’ staat vermeld, heeft verweerder een aanwijzing kunnen zien voor het bestaan van de contra-indicatie dat eiser zelfstandig in zijn levensonderhoud voorziet. Referent heeft vervolgens op het verzoek van verweerder bij brief van 31 maart 2020 ook niet toegelicht hoe dit zich verhoudt tot het antwoord in de ‘Vragenlijst gezinsband kind’ dat hij niet in zijn levensonderhoud voorziet.

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat verweerder tot de conclusie kon komen dat sprake is van genoemde contra-indicatie. Eiser heeft in dat verband terecht gesteld dat met de enkele vermelding van een beroep in een paspoort niet voldoende vaststaat dat eiser daadwerkelijk zelfstandig in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Daarnaast heeft eiser in bezwaar uitgelegd dat het in zijn paspoort vermelde beroep een fictieve functie betrof. Ter ondersteuning van die uitleg heeft hij een schriftelijke verklaring overgelegd van zijn sponsor.

Verder heeft eiser in beroep kopieën overgelegd van alle pagina’s uit zijn paspoort met geldigheidsduur van 7 september 2011 tot 7 september 2017 en zijn paspoort met geldigheidsduur van 7 augustus 2018 tot 7 augustus 2024. In het eerstgenoemde paspoort staat vermeld dat eiser ‘student’ is. In dit paspoort is een verblijfsvergunning voor de VAE aangebracht, geldig van 5 april 2015 tot 4 april 2017. Ook hierop is vermeld dat eiser ‘student’ is. Daarnaast bevat dit paspoort een verblijfsvergunning geldig van 12 februari 2017 tot 11 februari 2019, waarbij als sponsor staat vermeld Vision Building Logistics & Properties. In het tweede paspoort, waarin als beroep wordt genoemd ‘Personal Relation Clark’, is geen verblijfsvergunning aangebracht.

Uit deze documenten kan worden afgeleid dat eiser, zoals hij stelt, ten tijde van de peildatum (november 2019) niet (langer) over een geldige verblijfsvergunning voor de VAE beschikte, hetgeen eisers verklaring dat hij niet daadwerkelijk heeft gewerkt ondersteunt. Uit de informatie over het kafalasysteem volgt immers dat het verkrijgen van een werkvergunning en een verblijfsvergunning aan elkaar zijn gekoppeld. Ook de omstandigheid dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd dat zijn vader hem steeds financieel heeft ondersteund, is niet op voorhand voldoende om van het tegendeel uit te gaan. Het is aan verweerder om de feitelijke situatie nader te onderzoeken, alvorens besloten wordt tot het aannemen van de gestelde contra-indicatie.

Dat de beide paspoorten pas in beroep in hun geheel in kopie zijn getoond, is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan de voornoemde informatie voorbij te gaan. Verweerder is in dit opzicht onvoldoende duidelijk geweest over de van eiser verlangde informatie. Zo heeft verweerder in zijn brief van 31 maart 2020 (p. 4) gevraagd om kopieën van ‘de pagina’s met de persoonsgegevens, de geldigheidsduur en de reisstempels. Lege pagina’s hoeft u niet te kopiëren.’ In reactie op het bezwaar van referent bij brief van 1 december 2020 heeft verweerder gevraagd om ‘een kopie van het paspoort (geldig van 7 augustus 2018 tot 7 augustus 2024), inclusief alle pagina’s waarop visa en verblijfsvergunningen zijn aangebracht.’

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet langer behoort tot het gezin van referent.

7. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken. De rechtbank ziet verder ook geen reden om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Verweerder zal daarom een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en de omstandigheden zoals die volgen uit rechtsoverweging 6.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 181,- vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- (honderdeenentachtig euro) aan eiser te vergoeden

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van ad € 1.496,- (duizendvierhonderdenzesennegentig euro) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 2 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 2p, eerste lid, in samenhang met artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

2 ECLI:NL:RVS:2019:2863

3 Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4122.