Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9896

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
AWB 20/5724
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regulier verblijf

Niet-tijdelijke humanitaire gronden

Associatie EU/Turkije

Besluit 1/80

Gezinslid van Turkse werknemer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/5724

V-nummer: [Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot wijziging van de beperking verbonden aan zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Daarnaast heeft verweerder de geldigheidsduur van eisers verblijfsvergunning niet verlengd.

Bij besluit van 29 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2020. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 1987 en bezit de Turkse nationaliteit.

Eiser is bij besluit van 24 april 2013 in bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [Naam 2]’, geldig tot 24 april 2014. Deze vergunning is vervolgens verlengd tot 24 april 2019.

Op eisers aanvraag van 15 juli 2014 is hij bij besluit van 2 september 2014 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘arbeid in loondienst’ op grond van Besluit 1/801, geldig tot 2 september 2019.

2. Op 24 juli 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend tot wijziging van de aan zijn verblijfsvergunning verbonden beperking in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 3.51, achtste lid, sub b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Eiser kan niet als gezinslid van een Turkse werknemer worden aangemerkt en heeft niet drie jaar als gezinslid van een Turkse werknemer in Nederland verbleven. Eiser kan evenmin worden aangemerkt als werknemer, omdat hij geen arbeid in loondienst verricht. Om die reden heeft verweerder de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid in loondienst’ ook niet verlengd. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het beroep van eiser op het arrest Bozkurt van 6 juni 19952 van het HvJ EU3 niet tot een ander oordeel leiden kan leiden, omdat eiser op het moment van de ontwrichting van zijn huwelijksrelatie niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 7 van Besluit 1/80.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het arrest Bozkurt op hem van toepassing is en dat hij rechten kan ontlenen aan artikel 7 van Besluit 1/80. Hij stelt daartoe dat hij op 24 april 2013 toestemming heeft gekregen om zich bij zijn echtgenote te voegen en dat hij nadien legaal in Nederland is gebleven. Verder beroept eiser zich erop dat hij gebruik heeft gemaakt van artikel 6 van Besluit 1/80.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In artikel 3.51, achtste lid, aanhef en onder b, van het Vb is bepaald dat de vergunning onder de beperking, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, kan worden verleend aan de vreemdeling op wie de standstill-bepaling van toepassing is, indien hij drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht, en is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.

5. In artikel 13 van Besluit 1/80 (de standstill-bepaling) is bepaald dat de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen mogen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

6. Artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 luidt als volgt: “Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:

– na een jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

– na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde

beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan

onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat

– na vier jaar legale arbeid in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te

zijner keuze.”

7. Artikel 7 van Besluit 1/80 luidt – voor zover hier van belang - als volgt: “Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

– hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert tenminste 3 jaar aldaar legaal wonen;

– hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste 5 jaar aldaar legaal wonen.”

8. Niet in geschil is dat eiser niet langer voldoet aan de beperking van de verleende verblijfsvergunning, omdat hij ten tijde van het bestreden besluit niet langer arbeid in loondienst beoogde, maar naar eigen zeggen arbeid als zelfstandige verricht. Dat betekent dat eiser ook geen beroep toekomt op artikel 6 van het Besluit 1/80.

9. De rechtbank volgt verweerder is zijn conclusie dat eiser geen rechten kan ontlenen aan de standstill-bepaling als gezinslid van een Turkse werknemer. Eiser is slechts van 24 april 2013 tot 2 september 2014, dus één jaar en vier maanden, in het bezit geweest van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘familie- of gezinslid bij [Naam 2]’. Eiser heeft daarmee niet drie jaar als gezinslid bij een Turkse werknemer verbleven en voldoet daarom niet aan artikel 7, eerste gedachtestreepje, van Besluit 1/80. De suggestie van eiser dat het legale verblijf, bedoeld in deze bepaling, niet is gekoppeld aan de status van gezinslid van een Turkse werknemer, volgt de rechtbank niet. Dit volgt evenmin uit het arrest Bozkurt. Hierin heeft het HvJ EU de vraag beantwoord of het gezinslid van een Turkse werknemer, na verkrijging van het recht van artikel 7, eerste gedachtestreepje, van Besluit 1/80 dit recht behoudt na echtscheiding. Zoals hiervoor is vastgesteld, is in het geval van eiser geen sprake geweest van verkrijging van bedoeld recht.

10. Verweerder heeft de aanvraag tot wijziging beperking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘ arbeid in loondienst’ in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ dan ook terecht afgewezen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 2 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

de griffier is buiten staat deze uitspraak

mee te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.

2 C-303/08, ECLI:EU:C:1995:168

3 Hof van Justitie van de Europese Unie