Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9895

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
AWB 21/641
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afgifte verblijfsdocument

Verblijf als gemeenschapsonderdaan

Chavez-Vilchez

Daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken

Afhankelijkheidsrelatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 21/641

V-nummer: [Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

gemachtigde: mr. E. Köse,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw1, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 29 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 1987 en bezit de Turkse nationaliteit. Op 21 december 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw. Eiser wil in Nederland verblijven als verzorgende ouder van zijn twee Nederlandse minderjarige kinderen: [Naam 2], geboren op [Geb. datum 2] 2014, en [Naam 3], geboren op [Geb. datum 3] 2017.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit geoordeeld dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 20172. Eiser heeft volgens verweerder met de door hem overgelegde stukken onvoldoende aangetoond dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht ten behoeve van zijn kinderen. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hem en zijn kinderen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat zij gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht in Nederland wordt geweigerd. Er is volgens verweerder geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van het beleid van de beleidsregels..

3. Eiser voert aan dat hij met de door hem overgelegde stukken wel degelijk heeft aangetoond dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht ten behoeve van zijn kinderen en dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. De kinderen zijn jong en hebben hun beide ouders nodig. Verweerder dient alle overgelegde stukken in onderlinge samenhang te bezien. Verder dient verweerder aan te geven welke stukken, naast de reeds overgelegde stukken, nodig zijn om een en ander te bewijzen. Tot slot stelt eiser dat hij had moeten worden gehoord.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang hij verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw verschaft verweerder een document waaruit dit rechtmatig verblijf blijkt.

5. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen de weigering van verblijf aan familieleden van een burger van de Unie als de weigering tot gevolg heeft dat de burger van de Unie het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten wordt ontzegd. Een derdelander, die ouder is van een minderjarig Nederlands kind, kan aanspraak maken op een afgeleid verblijfsrecht als (1) de derdelander een minderjarig kind heeft dat in het bezit is van een nationaliteit van een lidstaat van de EU en (2) tussen de derdelander en het kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de derdelander een verblijfsrecht wordt geweigerd. Uit de rechtsoverwegingen 75 tot en met 78 van het arrest Chavez-Vilchez volgt dat de vreemdeling die een op artikel 20 van het VWEU gebaseerd afgeleid verblijfsrecht stelt, gegevens moet overleggen waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan dit artikel ontleent. Het is vervolgens aan verweerder om op basis van deze overgelegde gegevens te onderzoeken of er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestaat, dat bij een weigering om aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zal worden het grondgebied van de Unie te verlaten.

6. Verweerder heeft zijn beleid voor de beoordeling van aanvragen op grond van het arrest Chavez-Vilchez neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Om rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, van de Vw aan te kunnen nemen moet worden vastgesteld dat de vreemdeling al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke, meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken ten behoeve van het minderjarige kind verricht. Bij de beoordeling of sprake is van de hiervoor genoemde afhankelijkheidsverhouding betrekt de IND, in het hogere belang van het kind, alle relevante omstandigheden, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling en de mate van zijn affectieve relatie zowel met de Nederlandse ouder als met de vreemdeling, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van deze laatste zou worden gescheiden.’

7. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de minderjarige kinderen bij de ex-echtgenote [Naam 4] wonen. Eiser heeft samen met haar het ouderlijk gezag. Beide ouders hebben op 10 november 2014 afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [Naam 2]. In het hiertoe opgestelde ouderschapsplan dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 22 december 2014, zijn zij overeengekomen dat zij de verzorging en opvoeding van [Naam 2] in onderling overleg voor hun rekening nemen, maar dat de ex-echtgenote de primaire zorg en opvoeding heeft. Eiser heeft recht op omgang met [Naam 2] gedurende het weekend en de helft van de feestdagen en vakanties. Afgesproken is dat eiser bij belangrijke zaken die [Naam 2] betreffen door zijn ex-echtgenote wordt geïnformeerd. Over [Naam 3] zijn geen afspraken op schrift gesteld.

8. Verweerder heeft er in het primaire en bestreden besluit terecht op gewezen dat niet is gebleken dat eiser ook daadwerkelijk de gemaakte afspraken uit het overgelegde ouderschapsplan van 10 november 2014 over de omgang met [Naam 2] nakomt. De eigen verklaringen hierover van eiser, de ex-echtgenote, grootmoeder [Naam 4] en [Naam 5] houden niet meer in dat eiser zijn kinderen ophaalt van school en hen in het weekend bij zich heeft. Eiser heeft daarnaast nog verklaard dat hij zijn kinderen te eten geeft, met hen naar buiten gaat, kleding voor ze heeft en samen met zijn kinderen huiswerk maakt. Verweerder heeft dit onvoldoende onderbouwing kunnen vinden. Verweerder heeft hierbij kunnen opmerken dat deze familieleden geen neutrale personen zijn. Uit de vijf overgelegde afspraakherinneringen van de huisarts voor [Naam 2] blijkt niet wat eisers zorg- en opvoedingstaken zijn. Over de overgelegde verklaring van de directrice van de openbare basisschool Nelson Mandela van 21 november 2019, dat beide ouders voor [Naam 2] en [Naam 3] zorgen, heeft verweerder terecht opgemerkt dat hierin eisers rol en aanwezigheid niet duidelijk wordt aangegeven en dat verder niet duidelijk wordt hoe de directrice het gestelde heeft waargenomen. Met de overgelegde patiëntendossiers van de kinderen bij het consultatiebureau zijn eisers zorgtaken niet aangetoond, omdat hieruit slechts blijkt dat eiser op 3 juni 2014 aanwezig is geweest bij een consult. Verder stelt verweerder terecht dat de door eisers overgelegde foto’s momentopnamen zijn en als zodanig niets zeggen over de feitelijk rol van eiser bij de opvoeding en verzorging van zijn kinderen.

9. Gelet hierop heeft verweerder al terecht geconcludeerd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken heeft. Aldus zijn de voorwaarden voor het aannemen van een afgeleid Europees verblijfsrecht niet vervuld.

10. Verweerder heeft daarnaast terecht overwogen dat niet is aangetoond dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn kinderen dat zij gedwongen zullen worden het grondgebied van de EU te verlaten indien eiser geen verblijf wordt toegestaan. Verweerder heeft hiertoe allereerst van belang kunnen achten dat de moeder steeds de feitelijke verzorgende ouder van de kinderen is geweest, zodat het in de lijn der verwachting ligt dat de kinderen in Nederland bij hun moeder blijven. Daarnaast heeft verweerder terecht meegewogen dat niet met stukken is aangetoond dat het vertrek van eiser bijzondere gevolgen zal hebben voor hun ontwikkeling. Eisers stelling, dat verweerder dient aan te geven welke bewijsstukken naast de reeds overgelegde stukken nog nodig zijn, volgt de rechtbank niet. Het is in eerste instantie aan eiser om gegevens te verschaffen die aantonen dat een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez bestaat.3

11. Het betoog dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden faalt. Gelet op wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel was dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit.

12. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 2 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

de griffier is buiten staat deze uitspraak

mee te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Vreemdelingenwet 2000

2 C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 16 april 2021