Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9876

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
C/09/613821 / JE RK 21-1483
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/613821 / JE RK 21-1483

Datum uitspraak: 12 augustus 2021

Beschikking van de kinderrechter

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 21 juni 2021 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

betreffende:

  • -

    [minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats 1] hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

  • -

    [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2009 te [geboorteplaats 2] hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. Ben Ahmed te Rotterdam.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift d.d. 21 juni 2021;

- het verweerschrift met bijlagen van de moeder.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun mening schriftelijk kenbaar gemaakt. Beiden hebben uitvoerig gereageerd op het verlengingsverzoek. Zij willen geen ondertoezichtstelling.

Op 12 augustus 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vader;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling.

Feiten

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.

  • -

    De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

  • -

    De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 16 februari 2021 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd van 20 februari 2021 tot 20 augustus 2021.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, blijkens het verzoekschrift en het ter zitting besprokene, als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling heeft ernstige zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen. De ouders hebben een afwerende houding tegenover de gecertificeerde instelling en negeren de uitnodigingen om in gesprek te gaan. Dit heeft als gevolg dat de jeugdbeschermer de kinderen al anderhalve maand niet heeft gesproken en dat er op dit moment geen hulpverlening wordt verleend. Daarnaast lukt het niet om het contact tussen de vader en de kinderen vorm te geven omdat de moeder hem zou hebben geblokkeerd op de telefoon van de kinderen. De laatste keer dat de gecertificeerde instelling de kinderen heeft gesproken waren zij enthousiast en vertelden zij veel over zichzelf en hun thuissituatie. De gecertificeerde instelling is daarom ook erg verbaasd over de boodschap uit de brieven van de kinderen waarin zij stellen dat zij willen dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. De zorgen rondom de kinderen zijn in de afgelopen maanden alleen maar toegenomen. In april 2021 heeft er een geweldsincident tussen de ouders plaatsgevonden waarbij [minderjarige 2] tussen de ouders in is gesprongen. [minderjarige 2] is hier kalm over, iets wat de gecertificeerde instelling juist zorgelijk acht. De conflicten van de ouders zijn een onderdeel van het leven van de kinderen geworden en er is sprake van een langdurige onveiligheid. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om zicht te krijgen op de situatie en het contact met de kinderen te kunnen onderhouden. Daarnaast is het van belang dat jarenlange patronen worden doorbroken waarbij de ouders leren hoe zij conflicten op kunnen lossen zonder geweld en zonder dat hier de kinderen bij betrokken worden.

De moeder heeft, mede bij monde van haar advocaat, verweer gevoerd tegen het verzochte. De ouders kunnen het goed met elkaar vinden en de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen verloopt goed. De moeder erkent dat de ouders nog wel eens ruzie maken en dat het geweldsincident in april 2021 niet had mogen gebeuren. Het lukt de ouders echter altijd om na een conflict zelfstandig de positieve lijn met elkaar te hervatten zonder dat de kinderen hierbij worden betrokken. Het argument dat de moeder de kinderen bij de vader weghoudt is onjuist. De kinderen zien en spreken hun vader dagelijks en zijn zelfs met hem op vakantie geweest. De ouders hebben veel inhoudelijk contact met elkaar, iets wat de kinderen ook merken en fijn vinden. De kinderen hebben het naar hun zin op school en laten geen kindsignalen zien. Ook na het incident was er geen sprake van angst of mogelijk trauma. Het verleden kenmerkt zich door onrust, maar de ouders hebben momenteel hun leven op de rit. De gestelde doelen zijn behaald en de communicatie tussen de ouders verloopt goed. Een verlenging van de ondertoezichtstelling zou alleen maar opnieuw spanningen met zich meebrengen en heeft geen meerwaarde voor het gezin. De kinderen zijn in het verleden meerdere malen in therapie geweest en een nieuw hulpverleningstraject zou een zware belasting voor ze zijn. De toekomst zal wellicht niet conflictvrij zijn, maar de ouders zijn wel in staat om dit samen op te lossen. De moeder verzoekt daarom het verzochte af te wijzen.

De vader sluit zich aan bij de moeder. Hij brengt naar voren dat het geweldsincident tussen ouders nooit had mogen gebeuren. De ouders hebben de draad echter direct weer opgepakt. Volgens de vader worden bepaalde gebeurtenissen in het gezin te zeer uitgelicht door de gecertificeerde instelling, maar kunnen zij dit prima zelfstandig oplossen.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.

Uit de stukken blijkt dat op zich het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er zijn geen kindsignalen, de kinderen zijn vrolijk en enthousiast in gesprekken en doen het goed op school. Ook het contact met de vader lijkt weer genormaliseerd. Een ontwikkelingsbedreiging kan echter nog echter wel worden gezien in het feit dat bij ouders sprake is van soms problematische communicatie, die eens in de zoveel tijd escaleert in fysieke incidenten: de kinderen staan daaraan bloot. . Ondanks de bij verlengingen van de ondertoezichtstellingen steeds gesignaleerde positieve ontwikkelingen, maakt de kinderrechter zich zorgen over het inzicht van de ouders in hun gedragingen en de impact daarvan op de kinderen. Ook op de zitting geven de ouders er blijk van - met uitspraken als “achter elke voordeur gebeurt wel eens iets” - de situatie eerder te bagatelliseren, dan dat zij daarnaar kijken vanuit het perspectief van de kinderen.

Aan de andere kant is al lang hulpverlening betrokken en gedurende een periode van twee jaar is sprake van een ondertoezichtstelling. In die periode is het de gecertificeerde instelling niet gelukt om ouders tot inzicht te laten komen en om bedoeld patroon te doorbreken. Zij ziet zelf ook beperkte veranderingsmogelijkheden. Te meer daar zowel de ouders als de kinderen stress ervaren van een ondertoezichtstelling en daartegen (zeer) gekant zijn is daarom de vraag gerechtvaardigd of een verlenging nog zinvol is. De kinderrechter heeft er eigenlijk weinig vertrouwen in dat nogmaals een verlenging van de ondertoezichtstelling op dit moment kan bijdragen aan daadwerkelijke verbetering. De kinderrechter wijst het verlengingsverzoek van de gecertificeerde instelling daarom af. Bij de ouders komt vanaf nu weer volledig zelf de verantwoordelijkheid te liggen hun kinderen niet de dupe te laten worden van de patronen die hen eerder parten speelden. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat zij erin slagen verandering tot stand te brengen, maar wijst er ook op dat bijvoorbeeld bij nieuwe (ernstige) incidenten de gecertificeerde instelling vermoedelijk een nieuw verzoek zal indienen, waarbij de afweging anders kan uitvallen.

Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2021 door mr. E.J. Stalenberg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van R.W. Moorman als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 26 augustus 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbenden aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.