Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9862

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
09/058472-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verdovende middelen en vuurwapen gevonden in woning. Verdachte omstandigheden. Vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/058472-21

Datum uitspraak: 8 september 2021

Tegenspraak

Verkort vonnis

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

[adres]

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 juni 2021 (pro forma) en 25 augustus 2021 (inhoudelijke behandeling).

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.A. Sjadijeva, is op de terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. J. Roosma heeft gerekwireerd tot vrijspraak van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 28 februari 2021 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi automatisch pistool, van het merk CZ, type P-10 S, kaliber 9mm (9.19 mm), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of bijbehorende munitie (9 patronen) voorhanden heeft gehad;


2.
hij op of omstreeks 28 februari 2021 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) vermeld op lijst I en/of II van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen
- een weegschaal en/of
- een of meer auto(s), al dan niet voorzien van verborgen ruimte(n) en/of
- versnijdingsmiddelen en/of
- een geldbedrag van 37.115 euro en/of
- (een) telefoon(s) en/of
- sealbag(s) en/of
- een sealer en/of
- tas(sen),
voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);


3.
hij op of omstreeks 28 februari 2021 te Gouda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1485 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


4.
hij op of omstreeks 28 februari 2021 te Gouda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten
- een weegschaal en/of
- een of meer auto(s), al dan niet voorzien van verborgen ruimte(n) en/of
- versnijdingsmiddelen en/of
- een geldbedrag van 37.115 euro en/of
- (een) telefoon(s) en/of
- sealbag(s) en/of
- tas(sen) en/of
- een sealer,
waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;


5.
hij op of omstreeks 28 februari 2021 te Gouda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,9 kilo, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6.
hij op of omstreeks 28 februari 2021 te Gouda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp (contant geldbedrag van 37115 euro)
- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp is/zijn en/of
- dit voorwerp heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit voorwerp, onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

Vrijspraak

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. De verdachte is op 28 februari 2021 rond 5.35 uur in de ochtend door de politie aangetroffen in een woning waarin op dat moment grote hoeveelheden hasj en cocaïne (kennelijk bestemd voor de handel) alsmede een doorgeladen vuurwapen met munitie aanwezig waren. Ook zijn er goederen in de woning gevonden waarmee strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot hard- en softdrugs kunnen worden verricht. De verdachte bevond zich op dat moment in de slaapkamer op de eerste verdieping van deze woning. De genoemde hoeveelheden cocaïne en hasj bevonden zich in een (met slot en sleutel afgesloten) kast op de begane grond. Alhoewel een medeverdachte heeft verklaard dat de verdachte eerder die avond met een tas of tassen (met onbekende inhoud) de woning in was gekomen, hetgeen de verdachte stellig heeft ontkend, zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen dat de verdachte van de aanwezigheid van de genoemde goederen in de kast op de hoogte was of hierover kon beschikken. Zo zijn er geen sporen gevonden die de verdachte in direct verband brengen met (één van) de in de kast aangetroffen goederen.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. van der Schenk, voorzitter,

mr. M.S. Neervoort, rechter,

mr. A.J. van der Ven, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 september 2021.