Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9833

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
C-09-615010-KG ZA 21-676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onderwijsinspectie mag rapport over Gomarus Scholengemeenschap publiceren

De Inspectie van het Onderwijs mag een rapport over de Gomarus Scholengemeenschap onverkort publiceren. Dat heeft de voorzieningenrechter in Den Haag vandaag geoordeeld. De Gomarus wilde publicatie van het rapport tegenhouden, maar volgens de voorzieningenrechter is de inhoud van het rapport niet onrechtmatig.

Achtergrond

In maart 2021 verscheen in NRC Handelsblad een artikel met de titel ’School duwt kinderen ongevraagd de kast uit’. Daarin ging het over ervaringen van oud-leerlingen met de wijze waarop de Gomarus (een reformatorische school) omgaat met homoseksualiteit. Dit artikel vormde aanleiding om onderzoek te doen naar de sociale veiligheid van LHBTI-leerlingen op de school. In het onderzoeksrapport heeft de Inspectie geconcludeerd dat de school voor leerlingen met een LHBTI-geaardheid onvoldoende zorgdraagt voor die veiligheid. Volgens de Gomarus geeft het rapport een onjuist beeld van de situatie en is het rapport op verschillende punten daarom onrechtmatig.

Terughoudend bij toetsing

De Inspectie heeft een grote beoordelingsruimte bij de oordelen die zij in haar rapportage velt. Dit betekent dat de voorzieningenrechter terughoudend moet zijn als hij toetst of het rapport (of delen daarvan) wel of niet onrechtmatig zijn.

Geen toereikend beleid

De voorzieningenrechter oordeelt dat de passages in het rapport over sociale veiligheid en beleid daarover aanvaardbaar zijn. Hierbij speelt een rol dat er op de school en in de gemeenschap rond de school breed gedeelde opvattingen heersen over wat op het gebied van seksuele geaardheid gewenst is. Die opvattingen brengen mee dat rekening gehouden moet worden met het welbevinden en de veiligheid van leerlingen die een andere (namelijk een LHBTI) seksuele geaardheid hebben. Ondanks incidenten in 2016 en 2019 die daarvoor aanleiding gaven heeft de Gomarus op dit punt geen toereikend beleid ontwikkeld.

Niet onrechtmatig

Tijdens interviews die de Inspectie heeft afgenomen is bovendien naar voren gekomen dat docenten zich soms niet in staat voelen om leerlingen de juiste ondersteuning wat betreft hun geaardheid te bieden en dat leerlingen met vragen over geaardheid niet in gesprek durfden te gaan met docenten. Ook deze bevindingen van de Inspectie dragen bij aan het oordeel dat de inhoud van het rapport niet onrechtmatig is.

Bezwaren van de Gomarus tegen passages in het Inspectierapport over de lesstof over seksuele diversiteit en bekostiging van een coulance-uitkering aan een oud-leerling die vindt dat zij door de school ‘uit de kast is geduwd’, leiden ook niet tot een publicatieverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/615010 / KG ZA 21-676

Vonnis in kort geding van 7 september 2021

in de zaak van

Stichting voor Christelijk Voortgezet Onderwijs op Reformatorische Grondslag te Gorinchem te Gorinchem,

eiseres,

advocaten mrs. J. van den Brink en A. Klaassen te Hardinxveld-Giessendam,

tegen:

De Staat der Nederlanden, in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, meer in het bijzonder de Inspectie van het Onderwijs te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mrs. J. Bootsma en J.S. Bierens te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Gomarus’ en ‘de Inspectie’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte houdende een wijziging van eis, met productie;

- de door de Inspectie overgelegde conclusie van antwoord met productie;

- de op 25 augustus 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De Gomarus is een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs. De Gomarus heeft een reformatorische grondslag en verzorgt onderwijs op VMBO, HAVO en VWO-niveau op twee locaties (Gorinchem en Zaltbommel).

2.2.

Op de Gomarus geldt sinds 2013 een Beleidsnotitie homoseksualiteit. In deze beleidsnotitie staat, onder meer, het volgende vermeld:

“(…)

1. Docenten, mentoren en leerlingbegeleiders moeten weten hoe ze moeten omgaan met leerlingen met homoseksuele gevoelens en hun directe klasgenoten. De begeleiding van leerlingen met homoseksuele gevoelens heeft een plaats in de normale structuur van leerlingbegeleiding.

2. Omdat hun persoonlijkheid nog in ontwikkeling is, raden we hen af dat te vroeg te doen. We adviseren in eerste instantie het individuele contact met een familielid of vertrouwenspersoon van school of kerk. Daarna kunnen, als de leerling dat wenst, meer personen (bijvoorbeeld de klas) op de hoogte worden gesteld.

3. De leefwijze van de minderjarige leerling buiten de school is een verantwoordelijkheid van de ouders. Wanneer een leerling binnen de school blijk geeft van een homoseksuele relatie met een andere leerling, zullen we in overleg treden met de leerling en zijn/haar ouders/verzorgers. Zo nodig zal begeleiding en hulpverlening ingezet worden om te leren met de onderliggende gevoelens om te gaan. Het bovenstaande geldt overigens evenzeer voor alle andere gevallen waarin sprake is van een on-Bijbelse/ongeoorloofde seksuele relatie tussen leerlingen.

4. Wanneer de leerling tot uitdrukking brengt dat hij zich bewust niet wil conformeren aan de grondslag en daarmee aan de leef- en gedragsregels van de school, zullen, vanuit bewogenheid met hem, gesprekken gevoerd worden die erop gericht zijn de leerling tot inkeer te brengen.

(…)

2.3.

In de zomer en het najaar van 2016 hadden een zorgcoördinator en vertrouwenspersoon van de Gomarus zorgen over een drietal leerlingen. In oktober 2016 heeft de zorgcoördinator met elk van de ouders van de betreffende leerlingen gesprekken gevoerd, telkens in aanwezigheid van de betreffende leerling. Daarbij is (onder meer) aan de ouders medegedeeld dat de betreffende leerling lesbisch-seksuele contacten had. De leerlingen hadden vooraf laten weten dat zij niet wilden dat hun ouders hierover werden geïnformeerd.

2.4.

Eind 2019 is de Gomarus door één van voormelde leerlingen aansprakelijk gesteld voor de gang van zaken in het najaar van 2016, omdat deze voor haar traumatische gevolgen had gehad. De Gomarus heeft zich in een gesprek met deze leerling en haar advocaat op het standpunt gesteld dat de zorgplicht jegens de leerling in 2016 niet is geschonden en heeft geen aansprakelijkheid erkend. Toch heeft de Gomarus zich gezien de persoonlijke situatie van de oud-leerling bereid getoond een ‘coulance-vergoeding’ te voldoen. In dit verband is een vaststellingsovereenkomst door de Gomarus en de oud-leerling ondertekend. Deze coulance-vergoeding is door de Gomarus betaald uit de op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) van Rijkswege verstrekte bekostiging

2.5.

Op 27 maart 2021 is in NRC Handelsblad een artikel verschenen getiteld “School duwt kinderen ongevraagd uit de kast”. Dit artikel had betrekking op de Gomarus en omschrijft onder meer de onder 2.3 geschetste gebeurtenissen, alsmede een serie ervaringen van in totaal acht oud-leerlingen, die vertellen hoe het in hun visie is om op de Gomarus homoseksueel te zijn en hoe de school daarmee om gaat.

2.6.

Het bestuur van de Gomarus heeft naar aanleiding van de publicatie in NRC Handelsblad contact gezocht met de Inspectie en er hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de Inspectie en het bestuur. De Inspectie heeft ook overleg gehad met oud-leerlingen van de school en heeft geconcludeerd dat er aanleiding was om een specifiek onderzoek in de zin van artikel 15 van de Wet op het Onderwijstoezicht (WOT) te doen. Ook het bestuur van de Gomarus wilde dat de Inspectie onderzoek zou doen naar de sociale veiligheid op de Gomarus.

2.7.

Het specifieke onderzoek heeft van 9 tot en met 14 april 2021 plaatsgevonden. De Inspectie heeft de Gomarus op 30 april 2021 een conceptrapportage toegezonden, waarop door de advocaat van de Gomarus op 7 juni 2021 is gereageerd. Deze reactie namens de Gomarus heeft geleid tot aanpassing van de conceptrapportage op enkele onderdelen. Andere verzoeken tot aanpassing heeft de Inspectie niet gehonoreerd. Vervolgens heeft nog een gesprek plaatsgevonden tussen het bestuur van de Gomarus en de Inspectie. Dit gesprek heeft niet geleid tot een verdere aanpassing van het rapport van de Inspectie. Op 18 juni 2021 is het definitieve rapport door de Inspectie vastgesteld (hierna: het rapport). Bijlage bij het rapport is “Verantwoording reactie op inhoud conceptrapport specifiek onderzoek Stg. voor CVO op Ref. Grondslag te Gorinchem”. Deze bijlage bevat de reactie van de Inspectie op de door het Bestuur van de Gomarus ingezonden reactie op het conceptrapport.

2.8.

Bij brief van 18 juni 2021 is het (definitieve) rapport aan de Gomarus toegezonden. In deze brief is tevens vermeld dat het rapport op grond van artikel 15 tweede lid en artikel 21 eerste lid WOT in de vijfde week na definitieve vaststelling openbaar gemaakt zal worden op de website van de Inspectie. Deze openbaarmaking is in afwachting van dit kort geding opgeschort.

2.9.

In het definitieve rapport staat in de conclusie onder meer het volgende vermeld:

“We stellen vast dat er tekortkomingen zijn ten aanzien van de wettelijke vereisten. Het bestuur krijgt herstelopdrachten voor:

Het zorg dragen voor de psychische, fysieke en sociale veiligheid van alle leerlingen, daar beleid op voeren en de veiligheid monitoren (art. 3b WVO).

Het opstellen en uitvoeren van beleid voor de manier waarop het personeel bijdraagt aan de ontwikkeling en uitvoering van het onderwijskundig beleid (waaronder het veiligheidsbeleid) en beleid over wat er pedagogisch didactisch van het personeel wordt verwacht (art. 24 WVO, tweede en derde lid).

Het ervoor zorgen en waarborgen dat alle leerlingen in de praktijk een aanbod krijgen om voor alle kerndoelen de beoogde kennis, vaardigheden en houding te verwerven (art 11c WVO).

We geven het bestuur de opdracht een verbeterplan op te stellen. De inspectie voert op basis van dit plan in juli en oktober 2021 voortgangsgesprekken met het bestuur. Herstelonderzoek in januari 2022 moet uitwijzen of aan de herstelopdrachten is voldaan.”

3 Het geschil

3.1.

De Gomarus vordert – zakelijk weergegeven – de Inspectie te:

­ gebieden om het rapport in te trekken;

­ verbieden om het rapport opnieuw vast te stellen zolang de in de akte van 20 augustus 2021 aangeduide passages niet in de daar omschreven zin gewijzigd zijn, althans zolang de bij vonnis aan te duiden onrechtmatig geoordeelde passages niet in de daar omschreven zin verwijderd of gewijzigd zijn;

­ verbieden over te gaan tot openbaarmaking of publicatie van het op 18 juni 2021 vastgestelde rapport;

alles met veroordeling van de Inspectie in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voert de Gomarus – samengevat – het volgende aan. Het vaststellen en publiceren van een onderzoeksrapport met daarin belangrijke passages die in redelijkheid niet kunnen worden opgenomen of zo geformuleerd omdat deze een onjuist beeld geven, is onrechtmatig jegens de Gomarus. Deze passages over (i) de zorgplicht sociale veiligheid en beleid, ii) de kerndoelen en iii) het verstrekken van een coulance-uitkering moeten worden aangepast voordat tot publicatie van het rapport overgegaan kan worden.

3.3.

De Inspectie voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

De Gomarus baseert haar vorderingen op de stelling dat bepaalde passages van het rapport jegens haar onrechtmatig zijn. Uit de rechtspraak en de wetsgeschiedenis van de WOT volgt dat een onderwijsinstelling die publicatie van een rapport door de rechter wil laten verbieden zich tot de burgerlijke rechter kan wenden, indien zij van mening is dat de inhoud ervan onrechtmatig is. De Gomarus is bij de civiele rechter – de voorzieningenrechter in kort geding in dit spoedeisende geval – dus aan het goede adres met haar op onrechtmatig handelen gebaseerde vorderingen.

4.2.

De Inspectie houdt op grond van de WOT toezicht houdt op de naleving van de bij of krachtens de onderwijswetgeving gegeven voorschriften (de toezichttaak) en bevordert de ontwikkeling van de kwaliteit van het onderwijs en het bestuur van scholen (de bevorderingstaak). In dat kader kan op grond van artikel 15 WOT ‘specifiek onderzoek’ worden verricht. De oordelen en bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek worden vastgelegd in een inspectierapport. In dat inspectierapport moet onderscheid worden aangebracht tussen oordelen op grond van de toezichttaak en bevindingen op grond van de bevorderingstaak. De Inspectie dient bij haar oordelen op grond van haar toezichttaak te vermelden op welke bij of krachtens de onderwijswetgeving gegeven voorschriften dat oordeel betrekking heeft (artikel 20 lid 2 WOT). De betrokken school kan op een conceptrapport reageren en overleg voeren met de Inspectie, waarna de Inspectie, indien het overleg geen overeenstemming heeft opgeleverd over de door het bestuur gewenste wijzigingen, de zienswijze van het bestuur in de bijlage bij het inspectierapport moet opnemen.

4.3.

Ook in dit geval heeft de Inspectie het conceptrapport ter kennis gebracht van de Gomarus en de reactie van de Gomarus heeft geleid tot enige aanpassingen. Echter, niet alle bezwaren van de Gomarus zijn gehonoreerd en deze zijn onderwerp van dit kort geding.

4.4.

Partijen twisten over de vraag of de voorzieningenrechter bij de (on-) rechtmatigheidsbeoordeling die in deze zaak aan de orde is vol (aldus de Gomarus) of terughoudend/marginaal (volgens de Inspectie) toetst. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt (zie in dit verband ook Gerechtshof Den Haag 25 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:277). Een rapport van de Inspectie dient twee doelen: het kan dienen als basis voor een handhavingsbesluit, als is vastgesteld dat een wettelijke verplichting niet is nageleefd. Het kan ook een publieksvoorlichtingstaak vervullen: het draagt bij aan het afleggen van publieke verantwoordelijkheid over kwaliteit van onderwijs en stelt ouders en leerlingen in staat een verantwoorde schoolkeuze te maken en initiatieven te nemen richting het schoolbestuur. Bij de eerste functie past slechts een marginale toetsing van de burgerlijke (voorzieningen)rechter, vooral vanwege de naar aanleiding van een later te nemen handhavingsbesluit openstaande weg van bestuursrechtelijk bezwaar en beroep. Ook bij de tweede functie past alleen een marginale toets. Immers, aan de Inspectie komt als – in het onderwijs gespecialiseerd – toezichthouder beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de onderwijswetten. Getoetst moet dus worden of de Inspectie in redelijkheid tot het rapport (en de oordelen in het rapport) heeft kunnen komen, gegeven de haar bekende omstandigheden (vgl. ook HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:987).

4.5.

De vrijheid van onderwijs maakt het vorenstaande niet anders. Op grond van artikel 23 lid 2 van de Grondwet is de vrijheid van onderwijs geclausuleerd door wettelijke bepalingen over toezicht, lesbekwaamheid en deugdelijkheid. Op naleving hiervan houdt de Inspectie toezicht en met betrekking tot de uitleg van die wettelijke bepalingen moet zij over beoordelingsruimte beschikken. Dit alles neemt niet weg dat dat de Inspectie wel gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het beginsel van zorgvuldige voorbereiding en het motiveringsbeginsel. Verder behoort de Inspectie op grond van artikel 20 lid 1 WOT in haar rapport een onderscheid maken tussen enerzijds oordelen op grond van haar toezichttaak en anderzijds bevindingen op grond van haar bevorderingstaak.

Sociale veiligheid en beleid

4.6.

Centraal in het uitgevoerde onderzoek stond de sociale veiligheid op de Gomarus. Op grond van artikel 3b, lid 1, WVO moet het bevoegd gezag van de Gomarus zorgdragen voor de veiligheid op school, waarbij het bevoegd gezag in ieder geval:

  1. beleid met betrekking tot de veiligheid voert,

  2. de veiligheid van leerlingen op school monitort met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft, en

  3. er zorg voor draagt dat bij een persoon ten minste de volgende taken zijn belegd:

1°. het coördineren van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten, en

2°. het fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.

In lid 2 van artikel 3b WVO staat dat onder voormelde veiligheid wordt verstaan de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen.

4.7.

Over het punt sociale veiligheid staat in het rapport onder meer het volgende weergegeven (onderstrepingen toegevoegd door de voorzieningenrechter, dit betreft de passages die de Gomarus, wegens het onrechtmatig karakter, aangepast of verwijderd wenst te zien). Het rapport begint met een weergave van de “Conclusie”. Hierin staat het volgende – voor zo ver hier van belang – verwoord:

“In hoeverre zorgt het bestuur voor de sociale veiligheid van leerlingen, in het bijzonder die van leerlingen met vragen over hun seksuele geaardheid en identiteit en hoe borgt het bestuur dit?

Bestuur en school besteden ruime aandacht aan de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen. Een groot deel van de leerlingen ervaart de school als veilig tot zeer veilig. Uit onderzoek en uit signalen die wij krijgen, blijkt echter ook dat dit voor een deel van de leerlingen niet zo is. Hierbij speelt een rol dat de school en de gemeenschap op en rond de school breed gedeelde opvattingen hebben over gewenste opvattingen en gedragingen. De school heeft binnen de vigerende wet- en regelgeving alle ruimte. Wel dient rekening gehouden te worden met het welbevinden en de veiligheid van leerlingen die deze opvattingen en gedragingen niet delen. Bestuur en schoolleiding hebben hiervoor onvoldoende oog. Het bestuur heeft naar aanleiding van de berichtgeving in de media begin april de opdracht verstrekt aan een extern bureau om nader onderzoek te verrichten. Maar in het verleden is gebleken dat het bestuur onvoldoende is geïnformeerd over signalen van onveiligheid. Mede doordat er geen lessen zijn getrokken uit de in het NRC genoemde voorvallen uit 2016 en beleid noch procedures sinds die periode zijn bijgesteld, is de veiligheid van alle leerlingen nu in onvoldoende mate geborgd.

(…)

We stellen vast dat er tekortkomingen zijn ten aanzien van de wettelijke vereisten. Het bestuur krijgt herstelopdrachten voor:

Het zorgdragen voor de psychische, fysieke en sociale veiligheid van alle leerlingen, daar beleid op voeren en de veiligheid monitoren (art. 3b WVO).

(…)”

Na de conclusie volgt het inhoudelijke deel van het rapport. Hierin staat in hoofdstuk 2 ‘Hoofdconclusie en vervolg’ onder meer het volgende:

“(…)

2.1.

Antwoord op de hoofdvraag

Conclusie

De inspectie concludeert al met al dat bestuur en school veel aandacht hebben voor de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen, en dat de school door het overgrote deel van de leerlingen (en het personeel) als veilig wordt ervaren. Ook zeer veel ouders oordelen hierover positief. Het is van belang deze inzet te benoemen en te waarderen.

Toch is het uiteindelijk oordeel van de inspectie kritisch. Dit is gebaseerd op de constatering dat er -in uiteenlopende vorm en gedurende langere tijd- aanwijzingen zijn dat niet alle leerlingen zich veilig voelen. De voorvallen die zich in 2016 hebben voorgedaan, zijn daarvan niet de enige uiting en kunnen ook niet als op zichzelf staande incidenten worden beschouwd. Hierbij speelt ook een rol dat de school en de gemeenschap op en rond de school breed gedeelde opvattingen hebben over gewenste opvattingen en gedragingen. Hoewel de school daarvoor, binnen de vigerende wet- en regelgeving alle ruimte heeft, betekent dit wel dat rekening gehouden moet worden met het welbevinden en de veiligheid van leerlingen die deze opvattingen en gedragingen niet delen. Bestuur en schoolleiding hebben hiervoor onvoldoende oog. Dat betekent dat het bestuur in onvoldoende mate zorgt voor de sociale veiligheid van alle leerlingen.

(….) De inspectie constateert dat de school voor leerlingen die anders denken of doen dan de school voorstaat, onveilig kan zijn. Het bestuur heeft, ondanks signalen, daarvoor onvoldoende oog. Hoewel er een veiligheidsbeleid is, moet dit beleid specifiek aandacht hebben voor groepen leerlingen voor wie de veiligheid op school niet vanzelfsprekend is, omdat zij de opvattingen en gedragingen niet delen. Van belang is dat het bestuur het beleid zo uitvoert, dat het op de hoogte gesteld wordt van signalen van onveiligheid binnen de school. In het verleden zijn deze signalen onvoldoende bij het bestuur in beeld geweest.

Het bestuur heeft daarmee de veiligheid van deze leerlingen in onvoldoende mate beschermd en geborgd en daarmee voldoet de school ten opzichte van hen niet aan de wettelijke zorgplicht voor de veiligheid (art. 3b WVO).

(…)

In brede zin moet het bestuur zorgdragen voor de kwaliteit van het onderwijs op de school (art. 23a WVO). De school dient hierbij de wettelijke vereisten na te leven en het stelsel van kwaliteitszorg als bedoeld in art 24, vierde lid WVO uit te voeren. Conform art. 24 WVO dient het bestuur in haar schoolplan te beschrijven welk beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs wordt gevoerd. Dit omvat in ieder geval het onderwijskundig beleid, inbegrepen het veiligheidsbeleid als bedoeld in art. 3b en art 24 tweede lid WVO, en het personeelsbeleid, inbegrepen het pedagogisch-didactisch handelen van het personeel (art 24, derde lid WVO). Door geen actueel, functionerend beleid te hebben voor leerlingen die anders denken dan de norm van de school en die zich hierdoor onveilig voelen en door docenten onvoldoende handvatten te bieden om een veilig klimaat te bevorderen, voldoet de school niet aan de wettelijke vereisten uit de genoemde artikelen.

(…)

2.2.

Vervolgtoezicht

Tekortkoming

Wat verwachten wij van het bestuur?

Wat doen wij

Het bestuur heeft in voldoende mate beleid dat voor onderwijspersoneel handvatten biedt bij het creëren van een veilig schoolklimaat voor alle leerlingen (art. 24, tweede en derde lid WVO).

(…)

(…)

(…)”

In hoofdstuk 3 (‘Bevindingen uit het onderzoek’) gaat de Inspectie per onderzoeksvraag in op haar bevindingen. Hierin staat vermeld:

“(…)

(…) De school is er enerzijds op gericht leerlingen veiligheid te bieden, zoals ook blijkt uit leerlingen die positief oordelen over het optreden van de school tegen pesten en leerlingen die positief terugkijken op de reactie van de school op de eigen homoseksualiteit. Anderzijds constateert de inspectie dat de school onvoldoende oog heeft voor de veiligheid van leerlingen die in denken of doen afwijken van wat algemeen gangbaar is, zoals blijkt uit wat leerlingen die dit aangaat ervaren. Daarbij speelt ook een rol dat school en bestuur hierop geen stelselmatig zicht hebben, en hiervoor weinig aandacht zichtbaar is in de mate waarin de school dit als een risico ziet en de acties die ze daaraan verbindt. In het verleden is gebleken dat het proces binnen de school er toe leidde dat het bestuur onvoldoende geïnformeerd was over signalen van onveiligheid. Dat brengt de inspectie tot de constatering dat bestuur en schoolleiding bijdragen aan de instandhouding van deze situatie.

(….)

Kwetsbaarheden zijn niet nader onderzocht door het bestuur

(…)

De berichtgeving in de media is ondertussen aanleiding geweest voor het bestuur onderzoek te laten doen naar de veiligheidsbeleving van leerlingen met een andere seksuele geaardheid. De gebeurtenissen die daarvoor aanleiding waren, vonden in 2016 en 2019 plaats. Hoewel positief geoordeeld kan worden over het doen van onderzoek als stap naar verbetering van de situatie, stelt de inspectie vast dat de aanleiding daarvoor extern is. De inspectie verbindt daar, ook tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde overwegingen, de constatering aan dat bestuur en schoolleiding, ondanks de aanleidingen die daarvoor waren, onvoldoende beleid hebben gevoerd gericht op borging van de veiligheid van alle leerlingen en gericht op het creëren van een veilige omgeving voor leerlingen die in denken of doen afwijken van wat op de school gangbaar is.

(…)”

4.8.

De Gomarus stelt over voormelde passages en de onrechtmatigheid ervan, samengevat weergegeven, dat de Inspectie er voor gekozen heeft geen onderzoek te doen naar de feitelijke achtergrond van de gebeurtenissen in 2016, die ook in het NRC-artikel aan de orde komen. Alleen al daarom is volgens de Gomarus niet te concluderen dat die voorvallen niet op zichzelf zijn. De betreffende voorvallen (gesprekken met de drie ouderparen) hingen niet primair samen met de geaardheid van de leerlingen. Die gesprekken waren noodzakelijk om de ouders in te lichten over urgente zorgen om de veiligheid van die leerlingen en daarbij kon niet om hun seksuele relatie heengegaan worden. Daar gaat het rapport volledig aan voorbij. Het rapport wekt ten onrechte de suggestie dat in 2016 kinderen onnodig zijn gedwongen om vanwege tekortschietend veiligheidsbeleid tegenover hun ouders hun seksuele geaardheid kenbaar te maken. Bovendien zijn er volgens de Gomarus geen aanwijzingen voor vergelijkbare incidenten. De conclusie van de Inspectie dat het voorval uit 2016 niet als een op zichzelf staand incident kan worden beschouwd, is volgens de Gomarus niet onderbouwd en er kan niet worden gezegd dat die casus een uiting is van een patroon van zorg dat te wensen overlaat. Feit is volgens de Gomarus ook dat het bestuur er oog voor heeft dat de groep leerlingen met een homoseksuele geaardheid en/of vragen daarover specifieke aandacht voor hun sociale veiligheid nodig heeft. Er is een specifiek beleidsdocument over hoe omgegaan moet worden met geaardheidskwesties. Dit document is wat betreft de zinsnede over het in contact treden met de ouders later geüpdatet dan wenselijk, maar dat betekent niet dat het hele document verouderd of onbruikbaar is, zeker niet gelet op de aangetroffen praktijk. Er is aandacht voor in de lessen en er is schoolbreed gestart met een deskundigheidsbevorderingstraject. Dat er aanwijzingen zijn dat er ook leerlingen zijn geweest die een minder positieve beleving rondom geaardheidskwesties hadden, betekent niet dat het bestuur niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De Gomarus maakt geen bezwaar tegen eventuele aanbevelingen van de Inspectie, maar het rapport concludeert nu ten onrechte dat sprake is van tekortkomingen in de wettelijke zorgplicht.

4.9.

De voorzieningenrechter ziet dat ook de Inspectie beaamt dat er veel goed gaat op de Gomarus. Zo staat bijvoorbeeld in hoofdstuk 3 van het Inspectierapport het volgende:

“Leerlingen beoordelen de sociale veiligheid op de Gomarus volgens de laatste meting van de veiligheidsmonitor als zeer goed (variërend van een 9,2 voor vmbo-basis tot een 9,8 voor het vwo). Ook tijdens dit onderzoek spraken we leerlingen die positief zijn over de door hen ervaren veiligheid op school. (…)

Geen enkele leerling die we gesproken hebben zegt zich op dit moment onveilig te voelen op school of op school gepest te worden. Leerlingen die vertellen zich in eerdere jaren minder prettig te hebben gevoeld, zijn in hun ogen goed geholpen door de mentoren. Uit gesprekken komt naar voren dat dit ook geldt voor enkele leerlingen die op school hebben verteld dat ze homoseksueel zijn.”

De Inspectie spreekt daar in het rapport terecht waardering voor uit. De voorzieningenrechter is met de Gomarus van oordeel dat het niet realistisch is van een school een 100% score op sociale veiligheid te verwachten. Dat is echter ook niet wat de Inspectie van de Gomarus verlangt. Een school heeft echter ten aanzien van al haar leerlingen een zorgplicht ten aanzien van (onder andere) de sociale veiligheid. De conclusie van de Inspectie is dat de Gomarus aan die zorgplicht ten aanzien van bepaalde leerlingen – namelijk leerlingen die een andere (seksuele) geaardheid (hierna ook: LHBTI-geaardheid) hebben dan wat binnen de (gemeenschap rond de) school als de norm wordt gezien – niet heeft voldaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het rapport op dit punt niet als onrechtmatig is aan te merken, ondanks de omstandigheid dat veel leerlingen de sociale veiligheid als (zeer) goed beoordelen.

4.10.

De omstandigheid dat de Inspectie geen feitenonderzoek naar de gebeurtenissen uit 2016 heeft gedaan, betekent niet dat deze gebeurtenissen als zodanig geen aanwijzing kunnen vormen ten aanzien van de sociale veiligheid voor leerlingen met een LHBTI-geaardheid op de Gomarus. Wat er ook zij van wat er volgens de Gomarus in 2016 aan de hand was, vast staat dat er uitlatingen zijn gedaan over lesbisch-seksuele contacten (dat stelt de Gomarus zelf ook) en uit zowel de aansprakelijkheidstelling in 2019 als het artikel in het NRC blijkt dat de betreffende leerlingen de gebeurtenissen hebben ervaren als een kwestie rondom geaardheid en een gedwongen ‘uit de kast komen’. Dat de Gomarus dit in 2016 niet heeft onderkend en ook nadien (ook na de aansprakelijkheidstelling in 2016 en het artikel in NRC in 2019) is blijven vasthouden aan de stelling dat de gesprekken in een breder kader gevoerd zijn, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter zonder meer een signaal dat er op de Gomarus onvoldoende zorg is voor de sociale veiligheid van leerlingen met een LHBTI-geaardheid. Immers, dat er mogelijk zorgen in een breder kader waren, neemt niet weg dat er óók een geaardheidskwestie speelde.

4.11.

In het rapport staat dat de volgende onderzoeksactiviteiten zijn verricht:

“We hebben gesprekken gevoerd met:

1. het bestuur,

2. de raad van toezicht,

3. (geledingen van) de medezeggenschapsraad,

4. leden van de schoolleiding,

5. docenten,

6. mentoren,

7. ondersteuningsfunctionarissen,

8. toezichthoudend personeel (waaronder conciërge),

9. interne vertrouwenspersonen,

10. ouders,

11. leerlingen en

12. oud-leerlingen.

De inspectie heeft in totaal met 34 leerlingen, 5 oud-leerlingen, 20 docenten, 12 mentoren en 17 personen uit andere genoemde geledingen gesproken. We selecteerden de gesprekspartners zelf. We hebben lessen bezocht, het leerlingvolgsysteem en personeelsdossiers bekeken en documenten bestudeerd, zoals monitorgegevens sociale veiligheid, verslagen, beleidsdocumenten rond het veiligheidsbeleid, het lesaanbod seksuele diversiteit bij verschillende vakken en de vaststellingsovereenkomst tussen de school en een oud-leerling. Tot slot is op 12 april 2021 aan (oud-)leerlingen, (voormalig) medewerkers van de school en ouders de gelegenheid geboden telefonisch contact op te nemen met de inspecteurs. Op die dag was er tevens een inloopmoment op een externe locatie voor mensen die de inspecteurs persoonlijk wilden spreken. Met 16 personen is telefonisch contact geweest, 3 ouders meldden zich bij het inloopspreekuur op locatie.”

4.12.

De Inspectie heeft de conclusie dat de gebeurtenissen uit 2016 niet op zichzelf staan onder andere gebaseerd op aanwijzingen die uit de gevoerde interviews volgen. Uit deze interviews volgt blijkens het rapport:

­ dat niet alle leerlingen zich veilig voelen op school,

­ dat docenten zich soms handelingsverlegen voelen (voorzieningenrechter: dat wil zeggen, zich niet in staat voelen de juiste ondersteuning te bieden),

­ dat geïnterviewde leerlingen met vragen over geaardheid niet in gesprek durven of durfden te gaan met mentoren of anderen binnen de school,

­ dat er is gesproken over een omgangscultuur waarbij docenten zich niet vrij voelen doordat uitspraken anoniem worden gemeld bij de directie.

Vanwege de vertrouwelijkheid van deze interviews maken de verslagen van deze interviews geen deel uit van het rapport en heeft ook de Gomarus daar geen kennis van kunnen nemen. Hoewel begrijpelijk is dat de Gomarus daar moeite mee heeft, betekent dit niet dat de conclusies van de Inspectie niet mede op deze interviews gebaseerd konden worden. De vertrouwelijkheid van de gespreksverslagen is het gevolg van de aard van de werkzaamheden van de Inspectie, zeker daar waar het onderzoek een (op de Gomarus uiterst) gevoelig onderwerp betreft. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding eraan te twijfelen dat de Inspectie aan deze interviews de juiste conclusies heeft verbonden, te minder omdat de Inspectie in het rapport ook de positieve terugkoppeling uit deze interviews heeft weergegeven.

4.13.

De conclusies van de Inspectie zijn niet alleen gebaseerd op voormelde interviews. De Inspectie heeft in het onderzoek, naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht, in aanmerking genomen dat op en in de gemeenschap rond de school breed gedeelde opvattingen heersen over wat op het gebied van seksuele geaardheid gewenst is. Deze breed gedeelde opvattingen brengen mee dat rekening gehouden moet worden met het welbevinden en de veiligheid van leerlingen die een andere seksuele geaardheid hebben. Dit gold altijd al en zeker na de incidenten in 2016 en de aansprakelijkheidstelling in 2019 had de Gomarus zich hier bewust van moeten zijn en hier extra aandacht aan moeten besteden. Zoals echter in het rapport ook staat vermeld, vormden de gebeurtenissen in 2016, noch de aansprakelijkheidstelling in 2019 voor het bestuur van de Gomarus aanleiding om te onderzoeken of er een mogelijk probleem was, of is, met de sociale veiligheid van een specifieke groep leerlingen. De Gomarus heeft naar aanleiding van de gebeurtenissen in 2016 en de aansprakelijkheidstelling in 2019 wel (in meer of mindere mate) onderzocht of er lering kon worden getrokken uit de gebeurtenissen, maar dit had geen betrekking op de sociale veiligheid van LHBTI-leerlingen. Pas de berichtgeving in het NRC vormde voor de school deze aanleiding. Desondanks is ook nu het vastgestelde beleid (de Beleidsnotitie homoseksualiteit) niet aangepast en staat daarin nog steeds vermeld dat in overleg getreden zal worden met ouders als een leerling op school blijk geeft van een homoseksuele relatie met een andere leerling. De Gomarus stelt hieromtrent weliswaar dat dit beleid nooit uitgevoerd is – ook de gebeurtenissen uit 2016 vloeiden volgens de Gomarus niet voort uit dit beleid – maar feit is dat er voor docenten nog steeds geen kenbaar beleid is waar zij op kunnen terugvallen. De Gomarus heeft verwezen naar de Coronasituatie als reden waarom de aanpassing van dit beleid vertraging heeft opgelopen, maar dat vormt – mede gelet op hetgeen uit de door de Inspectie afgenomen interviews is gebleken – geen rechtvaardiging en geeft blijk van onvoldoende besef van urgentie.

4.14.

De voorzieningenrechter komt al met al tot de slotsom dat de passages over sociale veiligheid in het rapport waar de Gomarus bezwaar tegen heeft gezien de gebeurtenissen in 2016, de reactie van de school daarop (zowel in 2016 als na de aansprakelijkheidstelling in 2019), de bevindingen naar aanleiding van de interviews en het geldende beleid in redelijkheid heeft kunnen vaststellen en niet als onrechtmatig zijn aan te merken. Er is op dit punt dus geen aanleiding om de Inspectie te veroordelen tot aanpassing van het rapport over te gaan.

Kerndoelen

4.15.

Op grond van artikel 11c WVO moet in de eerste twee leerjaren ten minste 1425 uren onderwijs verzorgd worden op basis van de zogenaamde kerndoelen. Kerndoel 43 daarvan luidt (zie Besluit kerndoelen onderbouw VO als volgt:

“De leerling leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing in Nederland, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, en leert respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.”

4.16.

De Inspectie heeft ook onderzoek gedaan naar de vraag of de lesstof toereikend is met het oog op het realiseren van het kerndoel seksuele diversiteit. Hieromtrent staat onder meer het volgende in het rapport vermeld (onderstrepingen toegevoegd door de voorzieningenrechter, dit betreft de passages waar de Gomarus bezwaar tegen heeft). In de Conclusie waar het rapport mee aanvangt staat vermeld:

“(…)

Het lesstofaanbod voldoet op de locatie Zaltbommel niet voor alle leerlingen aan de kerndoelen waar het gaat om seksuele diversiteit en seksuele vorming. Het bestuur heeft zicht op de aard en omvang van dit tekort.

(…)

We stellen vast dat er tekortkomingen zijn ten aanzien van de wettelijke vereisten. Het bestuur krijgt herstelopdrachten voor:

(…)

Het ervoor zorgen en waarborgen dat alle leerlingen in de praktijk een aanbod krijgen om voor alle kerndoelen de benodigde kennis, vaardigheden en houding te verwerven (art. 11c WVO).

(…)”

Vervolgens staat in hoofdstuk 2 (Hoofdconclusie en vervolg):

“(…)

2.1.

Antwoord op de hoofdvraag

(…)

Het lesaanbod voldoet niet voor alle leerlingen aan de kerndoelen waar het gaat om seksuele diversiteit en seksuele vorming (art. 11c WVO).

(…)

2.2

Vervolgtoezicht

Tekortkoming

Wat verwachten wij van het bestuur?

Wat doen wij

(…).

(…)

(…)

Het bestuur draagt er in onvoldoende zorg voor dat alle leerlingen in de praktijk een aanbod krijgen om voor alle kerndoelen de benodigde kennis, vaardigheden en houding te verwerven (art 11c WVO)

In hoofdstuk 3 (Bevindingen uit het onderzoek) staat het volgende over dit onderwerp:

“(…)

We beantwoorden de vraag als volgt: de school heeft een aanbod om leerlingen te leren respectvol om te gaan met seksualiteit en seksuele diversiteit. Leerlingen en docenten hebben ons verteld dat het aanbod in Zaltbommel voor een deel van hen niet in praktijk is gebracht. Het lesstofaanbod is daarmee niet voor alle leerlingen toereikend met het oog op het realiseren van het kerndoel seksuele diversiteit (art 11c WVO. Kerndoel 43).

(…)

Aanbod seksuele diversiteit voldoet niet voor alle leerlingen aan de wet. Bij verschillende vakken, waaronder biologie, maatschappijleer en godsdienst, is aandacht voor seksualiteit en seksuele diversiteit. Ook binnen de mentorlessen is aandacht voor dit onderwerp. De school volgt daarbij de lesmethodes en maakt gebruik van zelfgemaakt materiaal. We hebben in gesprekken met leerlingen en mentoren vastgesteld dat een deel van de leerlingen in Zaltbommel een deel van de lesstof niet gekregen heeft, waarmee niet aan de wet is voldaan.

Dat gaat om onderdelen van biologie en mentorlessen over seksuele diversiteit. De redenen waarom de lessen niet gegeven zijn, hebben te maken met uitval binnen het team, de corona-pandemie en de ruimte die mentoren en leraren hebben om zelf invulling te geven aan lesinhoud rondom seksuele diversiteit (zie: verschillen in praktijk).

Lopende het onderzoek, in de periode van hoor en wederhoor, heeft het bestuur in kaart gebracht om welke lessen het gaat en welke klassen het betreft. Het bestuur heeft in deze periode ook een planning opgesteld om de gemiste lesstof alsnog aan te bieden aan de leerlingen die het betreft.

(…)

De school besteedt in haar lesmateriaal aandacht aan de verschillende wijzen waarop mensen omgaan met seksualiteit en de diversiteit daarin. Uit de gesprekken die we voerden met docenten blijkt dat leraren ruimte hebben om zelf invulling te geven aan de lessen over seksuele diversiteit en daarvan de inhoud te bepalen. Op zich hoeft deze ruimte geen probleem te zijn, maar sommige docenten wenden de geboden ruimte aan om vooral de eigen visie over te dragen en leerlingen slechts beperkt kennis te laten maken met andere leefwijzen en opvattingen. Dit kan er toe leiden dat, gecombineerd met het onder vraag drie geschetste pedagogische klimaat, leerlingen die afwijken van wat de school in doen of denken als wenselijk ziet, zich niet uitgenodigd voelen om hier voor uit te komen of dit zelfs maar te delen met iemand binnen de school. Leerlingen geven aan dat er meer aandacht aan deze onderwerpen besteed kan worden. Dit komt minimaal aan bod. Bovendien heeft de ruimte die mentoren hebben er, zoals eerdere beschreven, er toe geleid dat een deel van de leerlingen dit aanbod helemaal niet gekregen heeft.

(…)”

4.17.

De Gomarus stelt over deze passage en de onrechtmatigheid ervan dat het door haar geprogrammeerde lesaanbod wel degelijk aan de kerndoelen voldoet en dat de conclusie daarom moet worden aangepast. Ten aanzien van het feitelijk gerealiseerde aanbod stelt de Gomarus dat het onrechtmatigheidsoordeel niet gegeven kon worden, omdat het tweede leerjaar op moment van onderzoek nog niet verstreken was en dat vanaf februari 2021 veel docenten de betreffende lessen alsnog gegeven hebben en dat waar dat – vanwege de lesuitval door Corona – niet gelukt is, deze lessen in het nieuwe schooljaar ingehaald zullen worden.

4.18.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het hem redelijk voorkomt dat de Inspectie niet alleen toetst of een geprogrammeerd lesaanbod aan de kerndoelen voldoet, maar ook of het feitelijk gerealiseerde aanbod daaraan voldoet. Ook uit artikel 11c WVO blijkt overigens dat het niet alleen gaat om het geprogrammeerde lesaanbod, maar ook om het gerealiseerde lesaanbod, nu daarin immers staat verwoord dat in de eerste twee leerjaren gezamenlijk tenminste 1425 uur onderwijs wordt verzorgd op basis van de kerndoelen.

4.19.

Ter zitting is gebleken dat aan het einde van vorig schooljaar (schooljaar 2020-2021) niet ten aanzien van alle leerlingen aan het kerndoel ten aanzien van lesaanbod over seksuele diversiteit was voldaan. De Gomarus erkent dat zij niet heeft kunnen realiseren, omdat fysiek onderwijs als gevolg van de coronasituatie vorig jaar maar beperkt mogelijk was en zij ervoor gekozen heeft de mentorlessen over dit onderwerp alleen fysiek en niet digitaal aan te bieden. Hoewel de keuze van de Gomarus te rechtvaardigen lijkt, betekent dit niet dat de passages in het rapport onrechtmatig zijn. Deze feitelijke situatie is immers omschreven in het rapport, maar doet niets af een de conclusie dat dit kerndoel niet is behaald. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat het rapport is vastgesteld voor de afloop van schooljaar, mede nu inmiddels gebleken is dat het kerndoel ook aan het einde van het schooljaar niet (ten volle) behaald was. Daar komt bij dat de Inspectie concludeert dat het niet voldoen aan dit kerndoel ook andere oorzaken dan alleen de coronasituatie heeft, welke oorzaken door de Gomarus onvoldoende zijn weersproken. Ook gelet hierop is van onrechtmatigheid op dit punt niet gebleken.

De besteding

4.20.

Dit aspect van het rapport heeft betrekking op de coulance-uitkering die is verstrekt aan de leerling die de Gomarus aansprakelijk heeft gesteld. In het rapport staat hierover het volgende (ook hier weer onderstrepingen toegevoegd door de voorzieningenrechter om de door de Gomarus als onrechtmatig aangemerkte passages aan te duiden). In de algemene Conclusie staat:

“(…)

In 2019 heeft het bestuur ten laste van de Rijksbijdrage een bedrag van € 2.500 betaald aan een oud-leerling in verband met een aansprakelijkstelling door die oud-leerling. (…)

De bekostiging voor een school moet worden ingezet voor kosten verband houdende met de school en is niet bestemd voor een vergoeding aan een oud-leerling. We zijn van oordeel dat deze besteding niet overeenkomt met de bestedingsmogelijkheden zoals genoemd in artikel 99 van de WVO en beschouwen deze besteding daarom als onrechtmatig.

(…)”

In hoofdstuk 2 (Hoofdconclusie en vervolg) staat:

“(…)

De aanwending van rijksmiddelen voor het treffen van een vaststellingsovereenkomst is niet rechtmatig (art. 99 WVO).

(…)”

En in hoofdstuk 3 (Bevindingen uit het onderzoek):

“(…)

In 2019 heeft het bestuur ten laste van de Rijksbijdrage een bedrag van €2.500 betaald in verband met een aansprakelijkheidsstelling door een oud-leerling. Dit bedrag betreft de juridische kosten van de advocaat van de oud-leerling en een tegemoetkoming aan de oud­ leerling. Het bestuur heeft gesteld niet tot vergoeding van enige schade verplicht te zijn maar heeft toch besloten uit coulance een vergoeding te betalen.

Artikel 99 lid 1 WVO bepaalt dat schoolbesturen de Rijksbekostiging mogen besteden aan de materiële instandhouding en de personeelskosten van de school. Hoewel het schoolbestuur bij de bestedingen van Rijksbijdrage een grote mate van autonomie geniet, wordt de bestedingsvrijheid van het bestuur door artikel 99 WVO beperkt tot kosten verband houdend met de school. Slechts in het geval van een van de limitatief opgesomde uitzonderingen uit artikel 99 WVO, is het mogelijk Rijksbijdrage aan te wenden voor kosten die geen verband houden met de school.

De kosten die ten laste van de Rijksbijdrage zijn gebracht door het bestuur houden geen verband met de school of het onderwijs dat op de school wordt verzorgd. De kosten vloeien namelijk voort uit een incident waarbij het bestuur heeft aangegeven dat een leerling niet uit een lokaal kon komen, omdat de zorgcoördinator de doorgang belemmerde en omdat de deur middels een draaiknop op slot was gedaan. Het incident heeft hierdoor geen relatie tot een bekostigde activiteit die verband houdt met de school, of het onderwijs dat op de school wordt gegeven . De vergoeding kan daardoor niet als bestedingsdoel voor de Rijksbijdrage worden gezien. Van een van de uitzonderingen van artikel 99 WVO is daarbij geen sprake.

Uit het voorgaande blijkt dat de Rijksbijdrage niet bestemd is voor een vergoeding aan de oud-leerling, nu deze kosten geen verband houden met de school of het onderwijs dat op de school wordt verzorgd. We zijn daarom van oordeel dat deze besteding niet overeenkomt met de bestedingsmogelijkheden zoals genoemd in artikel 99 van de WVO en beschouwen deze besteding daarom als onrechtmatig.

4.21.

Partijen twisten over de vraag of de besteding rechtmatig is geweest. Volgens de Gomarus is de betreffende uitkering een uitgave in het kader van beheer geweest, voortvloeiende uit een verlengde zorgplicht voor een oud-leerling naar aanleiding van een gebeurtenis op school. Deze stellingen van de Gomarus nemen niet weg dat de visie van de Inspectie op dit punt verdedigbaar is. Daardoor kan niet de conclusie worden getrokken dat het oordeel onrechtmatig is. Daar komt bij dat aan deze passages van het rapport geen rechtstreekse gevolgen worden verbonden. Mocht de Gomarus ervoor kiezen de besteding niet – zoals door de Inspectie gesuggereerd – alsnog ten laste van private middelen te brengen, dan is het aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om een besluit te nemen tot wijziging en terugvordering van de bekostiging. Tegen dit besluit staat dan bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht open. De visie van de Inspectie op dit punt is vooralsnog niets meer dan een deskundig advies aan de minister. Dat de Inspectie spreekt van ‘onrechtmatig’ komt op het eerste gezicht hard aan, maar het oordeel is deugdelijk onderbouwd en moet in het zojuist besproken kader worden geplaatst.

Slotsom en proceskosten

4.22.

De slotsom is dat de passages waar de Gomarus zich tegen verzet, binnen het kader van een marginale toetsing, niet als onrechtmatig zijn aan te merken. Er is dan ook geen aanleiding voor het treffen van ordemaatregelen vooruitlopend op de publicatie van het rapport en de vorderingen van de Gomarus zullen worden afgewezen. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter in dit verband nog op dat conform artikel 20 lid 4 van de WOT de zienswijze van het bestuur van de Gomarus als bijlage in het rapport opgenomen wordt. Ook bij de publicatie wordt deze zienswijze derhalve bekend gemaakt, zodat de visie van de Gomarus ook voor het publiek duidelijk zal zijn. Ter zitting heeft de Inspectie aangeboden dat de zienswijze desgewenst door de Gomarus (nu) nog aangepast mag worden als zij dat wenselijk acht.

4.23.

De Gomarus zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt de Gomarus om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Inspectie te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Inspectie begroot op € 1.683,=, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 667,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat de Gomarus bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2021.

idt