Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9832

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
AWB 21/748
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv nareis minderjarig kind; identiteit en familieband niet aannemelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 21/748

V-nummer: [Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. G.T. Cambier.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 januari 2021 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2021. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens waren ter zitting aanwezig [Naam 2], hierna: referent, en tolk H. Salvatore.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Eiser is de gestelde zoon van referent, geboren uit het eerste huwelijk van referent. Aan referent is bij besluit van 13 november 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Ten behoeve van eiser heeft referent op 4 februari 2016 een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) in het kader van nareis. Deze aanvraag is bij besluit van 28 november 2016 afgewezen. Het hiertegen ingediende bezwaar is ingetrokken, omdat eiser de grens naar Soedan niet kon oversteken.

2. Op 12 december 2018 heeft referent namens eiser een opvolgende mvv-aanvraag in het kader van nareis ingediend, omdat eiser in Soedan is aangekomen. Daarbij is een doopakte van eiser overgelegd.

3. Bij besluit van 20 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de mvv-aanvraag afgewezen, omdat eiser zijn identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet heeft aangetoond met officiële documenten. Omdat eiser nog geen achttien jaar is, heeft verweerder bewijsnood aangenomen voor het niet kunnen overleggen van officiële identiteitsdocumenten. Verweerder heeft geen nader onderzoek aangeboden omdat mogelijk sprake is van een polygame situatie. Referent heeft immers verklaard dat hij twee keer is gehuwd en van zijn eerste echtgenote, de moeder van eiser, is gescheiden. Van beide huwelijken en van de echtscheiding zijn echter geen officiële documenten overgelegd, en verweerder acht niet aannemelijk dat eiser hiervan geen documenten heeft. Daarnaast leeft referent samen met zijn tweede echtgenote en zijn er uit deze relatie twee kinderen geboren.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt dat de identiteit van eiser nog altijd niet is aangetoond. Ook de familierechtelijke relatie tussen referent, eiser en zijn moeder is niet aangetoond. Het overgelegde indicatieve document, de doopakte, is niet te beoordelen door Bureau Documenten (hierna: BD) en uit de kopie blijkt dat de geboortedatum gewijzigd is. Het in bezwaar overgelegde originele document van een Eritrese rechtbank is ook niet te beoordelen door BD. Daarom is met dit document niet aangetoond dat referent gehuwd was met de moeder van eiser of van haar is gescheiden. Verweerder stelt verder dat het opvallend is dat referent als eisende partij vermeld staat op het document, terwijl referent eerder heeft verklaard dat hij niets afwist van het bestaan van dit document. Ook is het opvallend dat er nu een uitspraak van een Eritrese rechtbank ligt, terwijl referent in bezwaar in eerste instantie heeft aangegeven dat er geen sprake was van een officieel geregistreerd huwelijk. Verweerder heeft, gelet op al deze onduidelijkheden met betrekking tot de relatie van referent met de moeder van eiser en het ontbreken van officiële documenten aangaande de gezinsband, referent nader onderzoek aangeboden in de vorm van een interview met de moeder van eiser op de Nederlandse ambassade in Ethiopië. Dit onderzoek heeft niet kunnen plaatsvinden, omdat de moeder van eiser niet beschikbaar was voor onderzoek. Daarom blijft de mogelijk polygame situatie bestaan.

5. Eiser voert aan dat hij in 2020 de vluchtelingenstatus heeft verkregen in Soedan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een kopie van zijn Soedanese vluchtelingenpas en een kopie van een vluchtelingendocument van de UNHCR overgelegd. Eiser stelt dat hij hiermee zijn identiteit heeft aangetoond, omdat deze documenten pas worden afgegeven na een grondige onderzoek. Eiser stelt dat de familierelatie is aangetoond met zijn doopakte, waarop de namen van zijn ouders staan. Eiser stelt dat hij tot de vlucht van referent altijd tot diens gezin heeft behoord. Eiser bestrijdt dat sprake is van een polygame situatie. Referent had niet kunnen huwen zonder eerst gescheiden te zijn. Verder heeft referent pas tijdens de onderhavige procedure de beschikking gekregen over de bekrachtigde echtscheidingsakte. Eiser is van mening dat de ondertekende toestemmingsverklaring van zijn moeder en de kopie van haar identiteitskaart voldoende zijn om gezinshereniging met zijn vader toe te staan. Verweerder had ook DNA-onderzoek kunnen aanbieden aan eiser en zijn vader, nu zijn moeder zich niet op korte termijn kan melden bij de ambassade. Gelet op het feit dat eiser alleen in Soedan is, is de mvv-aanvraag ten onrechte afgewezen. Het belang van het kind dient immers voorop te staan.

De rechtbank oordeelt als volgt

Toetsingskader

6. In zijn brief van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal heeft verweerder zijn nieuwe vaste gedragslijn neergelegd1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)2 heeft deze gedragslijn in overeenstemming geacht met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn3.

7. Volgens de nieuwe vaste gedragslijn (die sinds 21 december 2018 is vastgelegd in Werkinstructie 2018/20 ‘Nader onderzoek in de nareisprocedure’) betrekt verweerder, ongeacht de vraag of sprake is van bewijsnood aan de zijde van de vreemdeling, ook andere bewijsmiddelen dan officiële documenten bij de beoordeling of een (Eritrese) vreemdeling de hem of haar gestelde identiteit en familierechtelijke relatie aannemelijk heeft gemaakt. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die de vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.

Identiteit

8. De rechtbank stelt vast dat eiser ter onderbouwing van zijn identiteit enkel indicatieve bewijsstukken heeft overgelegd, namelijk in beroep een kopie van zijn Soedanese vluchtelingenpas en een kopie van een vluchtelingendocument van de UNHCR. De rechtbank volgt niet het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat deze twee documenten te laat in de procedure zijn ingediend en daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten. De komst van deze documenten is immers al in de bezwaarfase aangekondigd in een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 3 maart 2020. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze documenten beperkte waarde hebben voor het vaststellen van de gestelde identiteit van eiser. Deze zijn immers afgegeven op basis van eigen verklaringen van eiser en brondocumenten ontbreken4. Daarom heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze documenten onvoldoende substantieel indicatief bewijs vormen voor de gestelde identiteit van eiser.

Familierechtelijke relatie

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle overgelegde documenten in zijn beoordeling heeft betrokken en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de overgelegde documenten de familierelatie tussen referent, eiser en zijn moeder niet aannemelijk maken.

De overgelegde doopakte is niet te beoordelen door BD en de geboortedatum op de doopakte is gewijzigd. De verklaring die referent voor deze wijziging heeft gegeven, dat alles in Eritrea niet zo correct gebeurt als in Nederland, heeft verweerder niet hoeven volgen. Het originele document van echtscheiding van de rechtbank is evenmin te beoordelen door BD. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte gesteld dat eiser met dit document niet heeft aangetoond dat referent gehuwd was met zijn moeder en dat referent weer van haar gescheiden is. Aan de overgelegde toestemmingsverklaring van de gestelde moeder van eiser en de kopie van haar identiteitsbewijs, kan ook niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien, nu nog altijd niet duidelijk is wie de moeder van eiser is. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser tegemoet is gekomen in zijn bewijslast door de gestelde biologische moeder van eiser nader onderzoek aan te bieden op de ambassade in Addis Abeba. De omstandigheid dat zij niet beschikbaar is voor nader onderzoek komt voor rekening en risico van eiser.

Belangen van het kind

10. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het beroep op de belangen van het kind faalt. Omdat er geen duidelijkheid bestaat over de identiteit van eiser, kunnen de belangen van het kind niet worden vastgesteld. Verweerder was daarom niet gehouden aanvullend onderzoek op enige wijze te faciliteren.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 2 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354.

2 Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3146.

3 Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.

4 Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2332.