Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9811

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
NL21.7661 en NL21.7662
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, alleenstaande minderjarige, arrest TQ. Verweerder heeft de asielaanvragen van twee zussen uit Guinee afgewezen en daarbij in het geval van de minderjarige zus het opleggen van een terugkeerbesluit achterwege gelaten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door de asielaanvraag af te wijzen maar geen terugkeerbesluit op te leggen, in strijd handelt met artikel 45 van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van dit artikel geldt het besluit tot afwijzing van een asielaanvraag namelijk van rechtswege als terugkeerbesluit. Artikel 45 is dwingend geformuleerd en de enige uitzondering die het artikel bevat (negende lid) is in de situatie van de vreemdeling niet van toepassing. De Nederlandse wet biedt verweerder geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de afwijzing van de asielaanvraag van rechtswege óók geldt als terugkeerbesluit. Uit het arrest TQ volgt dat er geen terugkeerverplichting mag worden opgelegd zonder dat de autoriteiten zich er van hebben overtuigd dat adequate opvang aanwezig is. In het Nederlandse stelsel betekent dit dus dat dit onderzoek in het kader van de asielprocedure moet plaatsvinden en moet zijn afgerond voordat de asielaanvraag wordt afgewezen. Omdat dat niet is gebeurd, is het bestreden besluit dus onzorgvuldig voorbereid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.7661 en NL21.7662


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2021 in de zaken tussen

[eiseres 1] , v-nummer [nummer] ,

[eiseres 2] , v-nummer [nummer] ,

eiseressen

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).


Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 29 april 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Ook komen eiseressen niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning op reguliere gronden of voor uitstel van vertrek om medische redenen. Voor [eiseres 1] geldt dit besluit tevens als terugkeerbesluit. Voor [eiseres 2] is dat niet het geval.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.

De rechtbank heeft de beroepen op 22 juli 2021 op zitting behandeld. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze uitspraak over?

1. Eiseressen stellen van Guinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2002 respectievelijk [datum] 2010. Zij hebben op 28 augustus 2019 asielaanvragen ingediend. Aan deze aanvragen hebben zij, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De vader van eiseressen is in 2010 overleden. Hun moeder is toen hertrouwd met de jongere broer van de vader. Deze oom en zijn eerste vrouw behandelden hen slecht. De oom heeft toen alle vroegere bezittingen van zijn broer op zijn eigen naam laten zetten. Een aantal jaren later zijn de moeder en de oom van eiseressen gescheiden en is de moeder, samen met onder andere de twee jongere broers van eiseressen, weggegaan. Eiseressen zijn bij hun oom en tante achtergebleven. Eiseressen werden door hun tante mishandeld en hun oom heeft hen laten besnijden. Ook was de oom van plan om [eiseres 1] uit te huwelijken. Op een gegeven moment kwamen eiseressen een vriend van hun vader tegen die hen uiteindelijk heeft geholpen te vluchten.

2. Verweerder heeft als relevante elementen aangemerkt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseressen en de mishandelingen door hun tante. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat deze elementen geloofwaardig zijn. Volgens verweerder zijn deze elementen echter niet te herleiden zijn tot één van de vluchtelingrechtelijke gronden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verder kan kindermishandeling volgens verweerder onder bepaalde omstandigheden worden aangemerkt als ernstige schade, maar dat geldt niet voor elke vorm van kindermishandeling of huiselijk geweld. De mishandelingen die eiseressen hebben ondergaan kunnen volgens verweerder niet worden aangemerkt als dermate ernstig, dat deze moeten worden aangemerkt als ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Ten aanzien van [eiseres 1] stelt verweerder zich verder op het standpunt dat zij inmiddels meerderjarig is, waardoor niet aannemelijk is dat zij bij terugkeer opnieuw voor deze mishandelingen te vrezen heeft. Ook zou zij zich aan de problemen kunnen onttrekken door zich, met behulp van de vriend van hun vader, elders in Guinee te vestigen. Hij concludeert daarom dat de asielaanvragen worden afgewezen als ongegrond.

2.1.

Ten aanzien van [eiseres 2] verwacht verweerder niet dat zij zich met [eiseres 1] elders in Guinee vestigt en dat [eiseres 1] de zorg voor haar zal opnemen. Aan [eiseres 2] wordt door verweerder daarom geen terugkeerbesluit opgelegd. Dit in afwachting van nader onderzoek naar adequate opvang in Guinee.

Voldoen de door eiseressen ondergane mishandelingen aan het ‘minimum level of severity’?

3. Eiseressen betogen dat de situatie waarin zij verkeerden wel degelijk ernstig genoeg was om tot bescherming op grond van artikel 3 van het EVRM over te gaan. Eiseressen betogen allereerst dat onduidelijk is waar het door verweerder gehanteerde criterium ‘minimum level of severity’ op is gebaseerd. Verder betogen eiseressen dat de mishandelingen die zij hebben ondergaan wel degelijk aan dat criterium voldoen. Zij verwijzen daarbij naar de overgelegde behandelverslagen, waarvan het onduidelijk is op welke wijze dit is meegenomen in de beoordeling. Verweerder maakt de situatie kleiner dan deze is, door puur naar de feitelijke handelingen te kijken. Dit is een te beperkte wijze van beoordelen. Als eiseressen moeten terugkeren naar deze situatie is dat in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikelen 18 en 37 van het IVRK.

3.1.

Volgens verweerder moet sprake zijn van een ‘minimum level of severity’ om te raken aan ernstige schade waardoor onder omstandigheden het verlenen van internationale bescherming vanwege kindermishandeling of huiselijk geweld aangewezen is. Hierbij zijn de omstandigheden van het geval zoals de aard, duur, context, ernst en frequentie van de behandeling van belang. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de verklaringen van eiseressen niet is gebleken dat zij stelselmatig werden mishandeld of dat er sprake is geweest van zware mishandelingen of van blijvend letsel. Uit de verklaringen van [eiseres 1] blijkt volgens verweerder ook dat als zij deed wat er van haar werd gevraagd, zij niet werd geslagen. Gelet hierop is volgens verweerder geen sprake van het vereiste ‘minimum level of severity’.

3.2.

Om in aanmerking te komen voor een subsidiaire beschermingsstatus moet sprake zijn van ‘a minimum level of severity’ als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat:

“ill-treatment must attain a minimum level of severity if it is to fall within the scope of Article 3. The assessment of this minimum is relative: it depends on all the circumstances of the case, such as the nature and context of the treatment, its duration, its physical and mental effects and, in some instances, the sex, age and state of health of the victim”.1

3.3.

De mishandelingen die eiseressen aan de hand van hun tante hebben ondervonden worden door verweerder niet betwist. Het punt van geschil is of de geloofwaardig bevonden mishandelingen die eiseressen hebben ondergaan kunnen worden gekwalificeerd als ‘a minimum level of severity’ in de zin van artikel 3 van het EVRM. De geloofwaardigheid wordt terughoudend door de rechtbank beoordeeld, maar de weging of eenmaal geloofwaardig bevonden ‘ill-treatment’ valt onder de bescherming van artikel 3 van het EVRM wordt door de rechtbank vol getoetst.

3.4.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de mishandelingen die eiseressen hebben ondergaan de drempel van het vereiste ‘minimum level of severity’ niet halen. De rechtbank erkent dat eiseressen als minderjarigen die hun vader verloren hebben en hun moeder hebben zien vertrekken, kwetsbaar waren. Ook erkent de rechtbank dat de mishandelingen zich over een periode van meerdere jaren hebben voltrokken. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van stelselmatige of zware mishandelingen met ernstig letsel. Zo heeft [eiseres 1] verklaard dat het op een dag één keer kon gebeuren dat ze werd geslagen en dat je daarna strepen kon zien, maar dat die weer verdwenen.2 Ook heeft ze verklaard dat ze alleen werd geslagen als ze niet deed wat haar was opgedragen en dat ze er (dus) ook zelf voor kon zorgen dat ze niet werd geslagen.3

Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Kan van [eiseres 1] als meerderjarige worden verwacht dat zij zich elders in Guinee staande zal kunnen houden?

4. Eiseressen betogen dat verweerder onvoldoende heeft gekeken naar de mogelijkheden voor [eiseres 1] om zich staande te kunnen houden. Verweerder heeft de overgelegde medische informatie daarbij ten onrechte niet betrokken. Ook is te weinig rekening gehouden met de situatie waarin [eiseres 1] verkeerde en de omstandigheid dat zij een alleenstaande vrouw is. Uit het Thematisch ambtsbericht Guinee over Vrouwelijke genitale verminking en minderjarigen van mei 20204 blijkt dat vrouwen zich niet zonder familie kunnen handhaven en dat de hulp die door organisaties kan worden geboden ontoereikend is. Een alleenstaande vrouw in Guinee is volledig afhankelijk van (de status van) haar mannelijke familieleden. Eiseressen verwijzen daarbij naar informatie van het Max Plank Institute uit februari 2017.

4.1.

Verweerder erkent dat het voor alleenstaande vrouwen in Guinee moeilijk is zichzelf staande te houden. Dit maakt volgens hem echter nog niet dat het in het geval van [eiseres 1] onmogelijk is of niet van haar verlangd kan worden. Uit medische stukken blijkt niet dat ze niet als volwassene zou kunnen worden aangemerkt. Uit de informatie waar in het bestreden besluit naar is verwezen, blijkt van meerdere voorbeelden van alleenstaande vrouwen die zich wel staande hebben kunnen houden.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op dit standpunt stelt. Uitgangspunt is namelijk dat uit het Thematisch ambtsbericht blijkt dat alleenstaande vrouwen zich zeer moeilijk zonder familie kunnen handhaven en dat de hulp die door organisaties kan worden geboden vaak ontoereikend is. Dus verweerder moet motiveren waarom eiseres als alleenstaande vrouw zich wel kan handhaven. Dat heeft verweerder niet voldoende gedaan. Eiseres is een jonge, alleenstaande vrouw die kwetsbaar is en geen sociaal of familiaal netwerk heeft om op terug te vallen. De verwijzingen door verweerder in het voornemen naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, kunnen hem niet baten. In die zaken was namelijk sprake van mannelijke vreemdelingen, zodat het niet om vergelijkbare situaties gaat. Ook verweerders standpunt, dat uit het Thematisch ambtsbericht blijkt dat er NGO’s zijn die [eiseres 1] kunnen ondersteunen, volgt de rechtbank niet. In dezelfde alinea van het Thematisch ambtsbericht staat namelijk ook vermeld dat deze NGO’s vaak onvoldoende financiële middelen hebben om hun werk te doen.5 De enkele stelling dat [eiseres 1] opnieuw in contact kan proberen te treden met de vriend van haar vader is verder onvoldoende om te kunnen spreken van een sociaal of familiaal netwerk.

Deze beroepsgrond slaagt.

Kan verweerder de aanvraag van [eiseres 2] afwijzen zonder daarbij een terugkeerbesluit op te leggen?

5. Eiseressen betogen dat de handelswijze van verweerder om wel de asielaanvraag af te wijzen maar geen terugkeerbesluit op te leggen, in strijd is met de Terugkeerrichtlijn en de uitleg die het Hof van Justitie daaraan heeft gegeven in het arrest TQ6. Eiseressen wijzen met name op punten 71 tot en met 73 van dit arrest. Ook is deze handelswijze volgens eiseressen in strijd met artikel 41 (de rechtbank begrijpt artikel 45) van de Vw 2000, waarin is vastgelegd dat een besluit tot afwijzing van een asielaanvraag een meeromvattende beschikking is die ook geldt als terugkeerbesluit. Verwezen wordt naar uitspraken van deze rechtbank van 15 maart 20217 en 30 juni 20218.

5.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het arrest TQ volgt dat aan een alleenstaande minderjarige vreemdeling pas een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, wanneer de Nederlandse autoriteiten er van overtuigd zijn dat er in het land van terugkeer adequate opvang voor die alleenstaande minderjarige vreemdeling aanwezig is. Verweerder heeft afgezien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit aan [eiseres 2] , omdat eerst wordt onderzocht of er voor haar adequate opvang aanwezig is in Guinee. Het eerder in het voornemen ingenomen standpunt dat van [eiseres 1] verwacht kan worden de zorg voor [eiseres 2] op zich te nemen, neemt verweerder niet langer in.

5.2.

Het Hof van Justitie heeft in het arrest TQ, naar aanleiding van prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder meer het volgende overwogen:

71 Indien de betrokken lidstaat besluit dat een niet-begeleide minderjarige geen verblijfsrecht moet worden toegekend op grond van artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115, verblijft die minderjarige illegaal in die lidstaat.

72 In die situatie bepaalt artikel 6, lid 1, van deze richtlijn dat de lidstaten verplicht zijn om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C‑38/14, EU:C:2015:260, punt 31).

73 Zoals in punt 41 van het onderhavige arrest is uiteengezet, moeten de bevoegde nationale autoriteiten, zodra is vastgesteld dat het verblijf illegaal is, immers krachtens dat artikel, onverminderd de uitzonderingen waarin de leden 2 tot en met 5 van hetzelfde artikel voorzien, een terugkeerbesluit uitvaardigen (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C‑38/14, EU:C:2015:260, punt 32).

74 Zoals in punt 60 van het onderhavige arrest is uiteengezet, dient de betrokken lidstaat zich er voorafgaand aan de vaststelling van een dergelijk besluit jegens een niet-begeleide minderjarige van te overtuigen dat er voor die minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer.

5.3.

De wetgever heeft er bij de implementatie van de Terugkeerrichtlijn voor gekozen om de verplichting om op grond van artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn een terugkeerbesluit uit te vaardigen in het geval van asielzoekers vorm te geven in een meeromvattende beschikking.9 Dit is geïmplementeerd in artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000. Dit artikel luidt, voor zover relevant, als volgt:

“De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:

a. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;

(…).”

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder door de asielaanvraag af te wijzen maar geen terugkeerbesluit op te leggen, in strijd handelt met artikel 45 van de Vw 2000. Op grond van dit artikel geldt het besluit tot afwijzing van een asielaanvraag namelijk van rechtswege als terugkeerbesluit. Artikel 45 is dwingend geformuleerd en de enige uitzondering die het artikel bevat (negende lid) is in de situatie van [eiseres 2] niet van toepassing. De Nederlandse wet biedt verweerder geen mogelijkheid om hiervan af te wijken.

5.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de afwijzing van de asielaanvraag van rechtswege óók geldt als terugkeerbesluit en [eiseres 2] dus een verplichting heeft terug te keren naar Guinee. Omdat verweerder zich op het standpunt stelt dat [eiseres 2] pas terug kan naar Guinee na nader onderzoek naar adequate opvang voor [eiseres 2] in Guinee, betekent dit dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Uit het arrest TQ volgt ook dat er geen terugkeerverplichting mag worden opgelegd zonder dat de autoriteiten zich er van hebben overtuigd dat adequate opvang aanwezig is. In het Nederlandse stelsel betekent dit dus dat dit onderzoek in het kader van de asielprocedure moet plaatsvinden en moet zijn afgerond voordat de asielaanvraag wordt afgewezen, omdat dat besluit tegelijk een terugkeerbesluit inhoudt. Omdat dat niet is gebeurd, is het bestreden besluit dus onzorgvuldig voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

Wat betekent dit voor de beroepen?

6. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Aan bespreking van de overige gronden komt de rechtbank niet toe. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Het benodigde herstel in de procedure van [eiseres 2] leent zich daar niet voor en de rechtbank acht het niet wenselijk om de procedures van eiseressen uit elkaar te laten lopen. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van de samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op om opnieuw op de aanvragen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.496,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Arrest van 4 november 2014, Tarakhel, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, punt 118.

2 Rapport nader gehoor, pagina 25.

3 Ibid.

4 https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten/ambtsberichten/2020/05/01/thematisch-ambtsbericht-guinee-over-vrouwelijke-genitale-verminking-en-minderjarigen.

5 Pagina 64, laatste alinea, van dit ambtsbericht.

6 TQ tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9.

7 Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:RBDHA:2021:2376.

8 Zittingsplaats Roermond, ECLI:NL:RBDHA:2021:6784.

9 Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2009-2010, 32420 nr. 3.