Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9802

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
AWB 20/7597
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 10, lid 2, Tri en arrest TQ niet relevant voor het begrip ‘adequate opvang’ in buitenschuldbeleid voor amv’s, vw heeft standpunt dat adequate opvang in land van herkomst beschikbaar is mogen baseren op verklaring eiser tijdens asielprocedure, vw heeft standpunt mogen innemen dat DT&V eiser in voldoende mate heeft gefaciliteerd bij traceren familie en dat eiser zich onvoldoende actief heeft ingezet om contact te leggen met zijn familie, terugkeerbesluit staat in rechte vast, beroep op het arrest Kühne en Heitz slaagt niet want eiser heeft geen verzoek ingediend bij verweerder om terug te komen op dit terugkeerbesluit, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/7597

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. van Werven),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Elias).

Inleiding en procesverloop

Eiser is [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2001 en met de Afghaanse nationaliteit.

Eiser heeft op 13 november 2015 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 27 juli 2016 is de asielaanvraag afgewezen en is aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Dit besluit staat na de uitspraak van de ABRvS1 van 8 september 2017 in rechte vast.

Eiser heeft op 27 mei 2019 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met tijdelijke humanitaire gronden ‘voor verblijf als amv2 die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.

Bij besluit van 10 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Ook is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder het nummer AWB 20/1084.

Er heeft geen zitting met betrekking tot de voorlopige voorziening plaatsgevonden, voordat verweerder bij besluit van 2 oktober 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond heeft verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Het beroep is geregistreerd onder het nummer AWB 20/7597.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Malwand-Baraki. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de enkelvoudige kamer het onderzoek heropend in verband met het arrest van het HvJEU3 van 14 januari 2021 (arrest TQ).4 De rechtbank heeft aan eiser vragen voorgelegd. Eiser heeft deze vragen beantwoord. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft de enkelvoudige kamer het onderzoek verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Desgevraagd hebben partijen kenbaar gemaakt dat zij het niet nodig vinden om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Vrijstelling griffierecht

1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het verschuldigde griffierecht. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de betaling van griffierecht.

Het standpunt van verweerder

2. Verweerder heeft beslist dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het buitenschuldbeleid voor amv’s, zoals neergelegd in paragraaf B8/6.1 en B8/6.2.2 van de Vc5 in samenhang met artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb.6 Verweerder vindt dat er voor eiser adequate opvang beschikbaar is in Afghanistan omdat hij tijdens zijn asielprocedure heeft verklaard dat zijn ouders in Afghanistan wonen. Verweerder vindt verder dat eiser zich onvoldoende actief heeft ingezet om contact te leggen met zijn familie in Afghanistan en daarmee om zijn terugkeer te realiseren. Verweerder baseert dit standpunt op de nota van de DT&V7 van 3 februari 2020, die tot stand is gekomen op basis van de vertrekgesprekken die de DT&V in de periode van 30 mei 2017 tot 1 juli 2019 met eiser heeft gevoerd. Verweerder ziet geen aanleiding om op grond van artikel 4:84 van de Awb8 af te wijken van het buitenschuldbeleid. Verweerder heeft verder beslist dat eiser geen geldige mvv9 heeft en dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM.10 Eiser heeft weliswaar privéleven in Nederland, maar het belang van de Nederlandse overheid bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid weegt zwaarder dan eisers belang bij uitoefening van zijn privéleven in Nederland. Verweerder ziet ook geen aanleiding om het mvv-vereiste buiten toepassing te laten op grond van de hardheidsclausule.11 Omdat eiser de EU niet heeft verlaten binnen vier weken na oplegging van het terugkeerbesluit op 27 juli 2016, heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.


Het standpunt van eiser over het buitenschuldbeleid voor amv’s en het oordeel van de rechtbank daarover

3. Eiser voert aan dat het standpunt van verweerder over de beschikbaarheid van adequate opvang in Afghanistan onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De uitleg die verweerder geeft aan het begrip ‘adequate opvang’ in het buitenschuldbeleid voor amv’s, is in strijd met het Unierecht. Immers, op grond van artikel 10, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn12 en de uitleg die het HvJEU hieraan heeft gegeven in het arrest TQ13, moet verweerder concreet onderzoeken en zich ervan overtuigen dat er voor de amv adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer. Eiser vindt dat deze uitleg van het HvJEU relevant is voor het buitenschuldbeleid voor amv’s. Uit de transponeringstabel14 bij de implementatie van de Terugkeerrichtlijn blijkt namelijk dat artikel 10, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd door het amv-beleid. Eiser voert verder aan dat ook uit artikel 24, derde lid, van de Opvangrichtlijn15 volgt dat verweerder verplicht is om de gezinsleden van eiser op te sporen, eventueel met behulp van internationale organisaties. Gelet op de uitleg van het begrip ‘adequate opvang’ in het Unierecht, is de enkele verwijzing van verweerder naar eisers verklaringen in de asielprocedure onvoldoende. Deze verklaringen dateren uit 2016 en bovendien blijkt hieruit dat eiser sinds zijn vertrek uit Afghanistan geen contact meer heeft gehad met zijn ouders.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat de door eiser genoemde bepalingen in de Terugkeerrichtlijn en de Opvangrichtlijn niet relevant zijn voor het begrip ‘adequate opvang’ in het in r.o. 2 vermelde buitenschuldbeleid voor amv’s. Dat beleid ziet op vergunningverlening. Artikel 10, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is daarop niet van toepassing omdat deze bepaling ziet op de terugkeer en de verwijdering van een amv van het grondgebied van de EU, en niet op de vraag of een amv in aanmerking dient te komen voor toelating door middel van verlening van een verblijfsvergunning. De rechtbank ziet in de transponeringstabel bij de implementatie van de Terugkeerrichtlijn geen aanknopingspunten om anders te oordelen. Uit deze tabel blijkt namelijk enkel dat artikel 10, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt geïmplementeerd in ‘het amv-beleid’. In de tabel is verder niet uitgelegd wat wordt bedoeld met ‘het amv-beleid’ en eiser heeft zijn stellingen op dit punt niet nader onderbouwd. Zonder nadere toelichting kan de rechtbank niet vaststellen dat daarmee specifiek het buitenschuldbeleid voor amv’s is bedoeld. Mede in aanmerking genomen dat het in deze zaak om een aanvraag gaat waarop artikel 10 van de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is, acht de rechtbank niet aannemelijk dat met ‘het amv-beleid’ (ook) wordt bedoeld het in r.o. 2 vermelde buitenschuldbeleid voor amv’s. Artikel 24, derde lid, van de Opvangrichtlijn is evenmin van toepassing, omdat eiser geen verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Dit artikel staat er dus niet aan in de weg dat verweerder van eiser een onderbouwing verlangt van zijn stelling dat voor hem geen adequate opvang in Afghanistan aanwezig is.

4.2

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder zich terecht en in lijn met zijn beleidsregels op het standpunt heeft gesteld dat er voor eiser adequate opvang aanwezig is in Afghanistan. Op grond van paragraaf B8/6.1, ad 5, onder a, van de Vc, neemt verweerder het bestaan van adequate opvang namelijk in ieder geval aan als in het land van terugkeer een familielid tot in de vierde graad aanwezig is. Nu eiser tijdens zijn asielprocedure heeft verklaard dat zijn ouders in Afghanistan woonachtig zijn, kan verweerder het bestaan van adequate opvang aannemen.

5. Eiser voert verder aan dat het standpunt van verweerder, dat eiser zich onvoldoende actief heeft ingezet om contact te leggen met zijn familie in Afghanistan en daarmee om zijn terugkeer te realiseren, onvoldoende is gemotiveerd. De enkele verwijzing door verweerder naar de nota van de DT&V is onvoldoende, omdat deze nota onvolledig is en ook onjuiste informatie bevat. Bovendien heeft eiser wel stappen ondernomen om mee te werken aan het vinden van adequate opvang. Dit blijkt deels ook uit de nota van de DT&V. Eiser heeft zich namelijk gewend tot het Rode Kruis, kennissen, het IOM16, de Afghaanse ambassade en hij heeft een bericht op Facebook geplaatst. Eiser vindt dat de DT&V onvoldoende actie heeft ondernomen om terugkeer te realiseren.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit en met de verwijzing naar de nota van de DT&V voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de DT&V eiser in voldoende mate heeft gefaciliteerd bij het traceren van zijn familie en dat eiser zich onvoldoende actief heeft ingezet om zijn terugkeer te realiseren. De rechtbank legt dat oordeel hierna verder uit.

6.2.

De rechtbank stelt vast dat de DT&V eiser in de vertrekgesprekken, bijvoorbeeld in april 2018 en in augustus 2018, heeft geïnformeerd over het IOM en wat deze organisatie voor hem kan betekenen. Uit de nota van de DT&V blijkt dat eiser zich op 3 december 2018 heeft gemeld bij het IOM met een verzoek om zijn familie te traceren. Het IOM heeft daarbij aangegeven dat alleen tracings worden gedaan in Kabul, terwijl eiser heeft aangegeven dat zijn familie in Ghazni woont. In de nota staat echter ook dat een medewerker van het COA17 bij email van 5 juni 2019 een lijst met namen en verblijfplaatsen van onder meer familieleden uit Kabul heeft gestuurd. Volgens de medewerker heeft eiser deze gegevens niet doorgegeven aan het IOM, omdat hij ‘niet wist dat dit moest’. Eiser heeft deze passage uit de nota niet betwist.
Eiser heeft voorts aangevoerd en onderbouwd dat registratie bij het IOM niet kon plaatsvinden omdat dit volgens het IOM te complex zou zijn zolang eiser minderjarig was. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat, ook nadat eiser meerderjarig is geworden, niet is gebleken van pogingen tot inschrijving bij het IOM. Verweerder heeft op basis van het voorgaande niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser onvoldoende stappen heeft ondernomen richting het IOM.

6.3.

Uit de nota blijkt verder dat de DT&V op 6 juni 2019 contact heeft opgenomen met IRARA18 en dat deze organisatie eiser wilde ondersteunen bij het traceren van zijn familie. IRARA heeft medegedeeld dat zij eiser graag wil spreken. In de nota staat dat de voogd van eiser bij email van 10 juli 2019 heeft medegedeeld dat eiser in dit proces verder begeleid zou gaan worden door VWN19 Roermond. Toen de DT&V de contactgegevens van IRARA doorgaf aan VWN Roermond, bleek echter dat eiser bij VWN Roermond niet bekend was. Eiser heeft aangevoerd dat hij geen contact heeft opgenomen met IRARA en dat hij dit ook niet hoefde te doen, omdat hij niet bekend was met deze organisatie en wat deze organisatie voor hem zou kunnen betekenen. Eiser vindt ook dat het op de weg van verweerder had gelegen om nadere actie te ondernemen richting deze organisatie. De rechtbank volgt eiser niet in deze stellingen. Uit de nota blijkt immers dat de DT&V het initiatief heeft genomen om contact te zoeken met IRARA en de mogelijkheden tot hulp heeft geïnventariseerd. Naar het oordeel van de rechtbank had het vervolgens op de weg van eiser gelegen om een gesprek aan te gaan met deze organisatie. Aangezien eiser dit niet heeft gedaan, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende actie heeft ondernomen richting IRARA.

6.4.

Verder blijkt uit de nota van de DT&V dat eiser zich heeft gewend tot het Rode Kruis om zijn familie te traceren. Eiser heeft bij de DT&V aangegeven dat zijn familie niet is gevonden. In de nota staat dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de uitslag is van het onderzoek van het Rode Kruis en welke informatie hij bij hen heeft aangeleverd. Eiser heeft aangevoerd dat zijn voormalige voogd heeft geprobeerd om een nadere verklaring te krijgen van het Rode Kruis, maar dat deze organisatie daartoe niet bereid was. Eiser vindt dat dit niet aan hem mag worden tegengeworpen. De rechtbank volgt eiser ook hier niet in zijn stellingen. Verweerder heeft het niet ten onrechte onaannemelijk geacht dat het Rode Kruis niet bereid zou zijn om het resultaat van het onderzoek op papier te zetten. Eiser heeft zijn stelling dat het Rode Kruis geen nadere verklaring wil afgeven, ook niet nader toegelicht of gestaafd (bijvoorbeeld met een verklaring van zijn voormalige voogd).

6.5.

De nota vermeldt verder dat de DT&V eiser op 4 juni 2019 heeft gevraagd om op Google Maps aan te geven waar hij gewoond heeft in Afghanistan. Op Google Maps was te zien dat in de buurt die hij heeft aangewezen winkels, horecagelegenheden en een moskee zijn gelegen, waarbij telefoonnummers vermeld staan. In de nota staat dat eiser heeft medegedeeld dat hij niet heeft geprobeerd om langs deze weg contact te zoeken met mensen uit zijn voormalige woonomgeving omdat deze mensen zijn familie niet kennen. Eiser heeft aangevoerd dat de plaats waar de winkels, horecagelegenheden en de moskee zijn gelegen, zich op enige afstand bevindt van de plaats waar hij vandaan komt en dat het daarom niet voor de hand ligt dat men in die omgeving zijn familie kent. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op dit punt terecht heeft gesteld dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het contacteren van de bedrijven en de moskee niets zal opleveren. Verweerder heeft hierin een actievere houding mogen verwachten van eiser.

6.6.

Dat eiser via Facebook en via vrienden in Roermond heeft geprobeerd om zijn familie te traceren - nog daargelaten de vraag of eiser deze stellingen voldoende heeft onderbouwd - én dat eiser bij de Afghaanse ambassade is geweest maakt, in het licht van het voorgaande, nog niet dat hij zich daarmee voldoende actief heeft ingezet om terugkeer te realiseren.

Het standpunt van eiser over afwijking van het buitenschuldbeleid voor amv’s en het oordeel van de rechtbank daarover

7. Eiser voert aan dat verweerder op grond van artikel 4:84 van de Awb had moeten afwijken van het buitenschuldbeleid voor amv’s omdat hij zich voldoende actief heeft ingezet om terugkeer te realiseren, dan wel omdat verweerder het realiseren van terugkeer eenzijdig bij eiser heeft neergelegd.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot afwijking van het buitenschuldbeleid voor amv’s. De rechtbank heeft in r.o. 6.1 t/m 6.6 immers al geoordeeld dat de DT&V eiser in voldoende mate heeft gefaciliteerd bij het traceren van zijn familie en dat eiser zich onvoldoende actief heeft ingezet om terugkeer te realiseren.

Het standpunt van eiser over het mvv-vereiste en het oordeel van de rechtbank daarover

9. Eiser voert aan dat verweerder hem had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste omdat zijn uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft de belangenafweging in het kader van dit artikel ten onrechte in eisers nadeel laten uitvallen. Verweerder heeft niet of onvoldoende in eisers voordeel meegewogen dat hij als amv naar Nederland is gekomen en dat hij gedurende zijn minderjarigheid banden is aangegaan met de Nederlandse samenleving. Verweerder is er ook aan voorbij gegaan dat eiser alleen zal moeten terugkeren naar Afghanistan, waar hij geen netwerk heeft. Deze omstandigheden zijn van belang voor de vraag of van eiser verlangd kan worden dat hij zich bij terugkeer naar Afghanistan aanpast aan de situatie daar. Dat eiser inmiddels meerderjarig is, doet aan het voorgaande niet af.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken. Verweerder heeft zich vervolgens niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang van eiser bij uitoefening van privéleven in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend met het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat het in eisers geval gaat om een eerste toelating tot Nederland en dat zijn uitgangspositie daarom minder sterk is. Verweerder heeft terecht erop gewezen dat eiser tot 2015 buiten Nederland heeft verbleven, sinds 27 juli 2016 weet dat hij Nederland moet verlaten en inmiddels meerderjarig is. Verweerder heeft niet ten onrechte erop gewezen dat eiser geacht kan worden zich zelfstandig te handhaven in Afghanistan. Nu eiser daar een substantieel deel van zijn leven heeft gewoond en er ook familieleden in Afghanistan wonen, heeft verweerder mogen aannemen dat eiser daar nog banden heeft. Verweerder heeft in de belangenafweging mogen betrekken dat de omstandigheid dat eiser op dit moment geen contact heeft met zijn familieleden in Afghanistan voor zijn risico komt, omdat hij zich onvoldoende actief heeft ingezet om zijn familie te traceren. De omstandigheden dat eiser gedurende zijn minderjarigheid in Nederland naar school is gegaan en sociale contacten heeft opgebouwd in Nederland, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om de belangenafweging in eisers voordeel te laten uitvallen.

Het standpunt van eiser over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en het inreisverbod en het oordeel van de rechtbank daarover

11. Eiser voert aan dat verweerder geen inreisverbod aan hem had mogen opleggen. Dat kan immers alleen als er een geldig terugkeerbesluit ligt. Het terugkeerbesluit dat op 27 juli 2016 aan eiser is opgelegd, is echter onrechtmatig omdat het in strijd is met de uitleg die het HvJEU in het arrest TQ20 heeft gegeven over het doen van onderzoek naar adequate opvang. Dat het terugkeerbesluit in rechte vast staat, staat daar niet aan in de weg. Eiser beroept zich in dit verband op het arrest van het HvJEU van 13 januari 2004 (arrest Kühne en Heitz)21 en stelt dat is voldaan aan alle voorwaarden die in dit arrest zijn genoemd. Dit betekent dat verweerder het eerder opgelegde terugkeerbesluit moet intrekken. Bovendien moet verweerder bij de intrekking van het terugkeerbesluit aan eiser een verblijfsrecht toekennen. Eiser beroept zich hierbij op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, van 15 maart 2021.22

12. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het arrest Kühne en Heitz niet slaagt. Er is namelijk niet voldaan aan de in dit arrest genoemde voorwaarde, dat de betrokkene zich tot het bestuursorgaan moet hebben gewend na kennisneming van de rechtspraak van het HvJEU die maakt dat het bestuursorgaan een definitief geworden besluit opnieuw moet onderzoeken. Eiser heeft zich immers niet tot verweerder gewend met een verzoek om het terugkeerbesluit opnieuw te onderzoeken en daarbij rekening te houden met de rechtspraak van het HvJEU. Het beroep van eiser op het arrest Kühne en Heitz in de onderhavige procedure, kan niet worden aangemerkt als zo’n verzoek. Eiser dient zich dus rechtstreeks tot verweerder te wenden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak van eiser aan te houden in afwachting van een beslissing van verweerder op het mogelijk nog door eiser in te dienen verzoek om terug te komen op het terugkeerbesluit. Er ligt immers op dit moment een terugkeerbesluit dat in rechte vast staat en dat als basis dient voor het aan eiser opgelegde inreisverbod. Het inreisverbod geldt pas zodra eiser het grondgebied van de EU verlaat. De rechtmatigheid van het inreisverbod zal aan de orde kunnen komen in de herzieningsprocedure over het terugkeerbesluit, als eiser een verzoek om herziening indient bij verweerder.

Het standpunt van eiser over de hoorplicht en het oordeel van de rechtbank daarover

13. Eiser voert tot slot aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. Het horen is een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Verweerder kan afzien van horen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Op grond van hetgeen in bezwaar is aangevoerd, gelezen in samenhang met het primaire besluit, heeft verweerder meteen kunnen concluderen dat het bezwaar geen kans van slagen had. Verweerder heeft daarom kunnen afzien van het horen in bezwaar.

Conclusie

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, voorzitter, en mrs. J.G. Nicholson en I. Helmich, leden van de rechtbank, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2 Alleenstaande minderjarige vreemdeling.

3 Hof van Justitie van de Europese Unie.

4 ECLI:EU:C:2021:9.

5 Vreemdelingencirculaire 2000.

6 Vreemdelingenbesluit 2000.

7 Dienst Terugkeer en Vertrek.

8 Algemene wet bestuursrecht.

9 Machtiging tot voorlopig verblijf.

10 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

11 Artikel 3.71, derde lid, van het Vb, in samenhang met paragraaf B1/4.1, van de Vc.

12 Richtlijn 2008/115/EG.

13 Zie voetnoot 4.

14 Kamerstukken II, 2009/2010, 32 420, nr. 3, bijlage.

15 Richtlijn 2013/33/EU.

16 Internationale Organisatie voor Migratie.

17 Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

18 International Returns and Reintegration Assistance.

19 VluchtelingenWerk Nederland.

20 Zie voetnoot 4.

21 ECLI:EU:C:2004:17.

22 ECLI:NL:RBDHA:2021:2376.