Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9798

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
NL19.22848
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak Dublin Italië.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.22848


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiseres

V-nummer: [Nummer]

mede ten behoeve van haar minderjarige kind

[Naam 2]

(gemachtigde: mr. C.G. Matze),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 23 oktober 2019 heeft er een zitting plaatsgevonden waarbij ook het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL19.22849 is behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Madu. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van een uitspraak van het EHRM1 over de overdracht van bijzonder kwetsbare vreemdelingen aan Italië. Partijen hebben op verzoek van de rechtbank gereageerd op de beslissing van het EHRM.

Met instemming van partijen doet de rechtbank uitspraak zonder nadere zitting op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

1. Eiseres stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [Geb. datum]

1997. Zij heeft mede ten behoeve van haar dochter [Naam 2], geboren op [Geb. datum]

2019, een asielaanvraag ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag niet in behandeling

genomen omdat Italië op grond van de Dublinverordening2 verantwoordelijk is voor de

behandeling ervan.

3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Verweerder heeft meegedeeld dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiseres heeft echter laten weten dat zij nog contact heeft met eiseres en dat eiseres nog steeds prijs stelt op internationale bescherming in Nederland. De rechtbank is daarom van oordeel dat er procesbelang aanwezig is.

5. De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van een uitspraak van het EHRM over de vraag of de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Italië voor bijzonder kwetsbare vreemdelingen adequaat zijn. Het EHRM heeft deze vraag bevestigend beantwoord bij beslissing in de zaak M.T. tegen Nederland van 15 april 20213. Uit deze beslissing volgt dat ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook waar het gaat om bijzonder kwetsbare asielzoekers. Verder volgt uit deze beslissing dat het niet noodzakelijk is om aanvullende garanties te verkrijgen.

6. Eiseres heeft in reactie op de uitspraak gewezen op de informatie van VluchtelingenWerk Nederland van 4 mei 2021, waaronder het bericht van ELENA-Coördinator [Naam 3] van 1 februari 2021. Uit die informatie volgt dat er een risico bestaat dat Dublinclaimanten bij terugkeer tijdelijk geen opvang zullen krijgen of dat ze tijdelijk in een CAS-centrum opgevangen worden. Deze informatie blijkt echter ook uit eerder door het EHRM en door de Afdeling4 beoordeelde informatie en is door deze instanties niet aangemerkt als een structureel gebrek. Hieruit blijkt dan ook niet dat eiseres zonder meer geen opvang zal krijgen bij haar terugkeer naar Italië. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

7. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat verweerder de behandeling van haar asielaanvraag aan zich moet trekken omdat de uiterste overdrachtstermijn zoals bedoeld in de Dublinverordening is verstreken. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 november 2019 (zaaknummer NL19.22849) is het bestreden besluit geschorst en is bepaald dat eiseres niet mag worden overgedragen aan Italië totdat is beslist op het beroep. Deze uitspraak heeft tot gevolg dat de uiterste overdrachtstermijn is geschorst zoals bedoeld in artikel 27 van de Dublinverordening. Anders dan eiseres stelt, geldt daarbij geen maximumduur van achttien maanden; deze heeft enkel betrekking op de verlenging van de uiterste overdrachtstermijn vanwege onderduiken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU5, zoals door eiseres wel is voorgesteld.

8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat haar asielprocedure al lang loopt en dat Nederland om die reden en gelet op de uitgangspunten van de Dublinverordening haar asielaanvraag aan zich moet trekken. De rechtbank volgt haar daarin niet. Hoewel de Dublinverordening ervan uitgaat dat er snel duidelijkheid moet worden geboden over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor een asielaanvraag, biedt deze verordening ook uitdrukkelijk de mogelijkheid om de termijn waarbinnen een vreemdeling moet worden overgedragen op te schorten door middel van een in het nationaal recht geregeld rechtsmiddel. In deze zaak is de uiterste overdrachtstermijn opgeschort door de bovengenoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 november 2019. Voordat de rechtbank partijen op 11 juni 2021 heeft verzocht om te reageren op de uitspraak van het EHRM, heeft eiseres de rechtbank niet verzocht om de zaak op te pakken. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat er vanwege tijdsverloop geen overdracht meer kan plaatsvinden.

9. Tot slot heeft eiseres gesteld dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om haar asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Zij vreest voor de vader van haar kind, die in Italië een verblijfsvergunning heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierin geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag in behandeling te nemen. De omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd zijn niet zo bijzonder en individueel dat verweerder voor haar een uitzondering had moeten maken. Ook zijn deze niet zodanig dat overdracht van een onevenredige hardheid zou getuigen. In het geval dat eiseres in Italië te maken krijgt met problemen met de vader van haar kind, dient zij daarvoor bescherming te zoeken bij de Italiaanse autoriteiten. Niet gebleken is dat die niet in staat of onwelwillend zijn om eiseres bij voorkomende problemen te helpen.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Europees Hof voor de Rechten van de Mens

2 Verordening (EU) nr. 604/2013

3 Zaaknummer 46595/19, ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519

4 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

5 Hof van Justitie van de Europese Unie