Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9793

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
C/09/615198 / KG ZA 21-693
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Beslag op subsidiegelden. Subsidieaanvraag goedgekeurd, subsidie nog niet definitief vastgesteld. Is er sprake van voor beslag vatbare toekomstige vordering? Kunnen voorschotbetalingen aan beslaglegger worden uitgekeerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/615198 / KG ZA 21-693

Vonnis in kort geding van 1 september 2021

in de zaak van

[eiseres] te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle,

tegen:

de Staat der Nederlanden, in het bijzonder het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Kennis te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties;

- de op 18 augustus 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres] is gehuwd geweest met de heer [A] (hierna: [de heer A] ). Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 9 december 2019 is de echtscheiding tussen [eiseres] en [de heer A] uitgesproken. Deze beschikking is op 19 maart 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

[eiseres] en [de heer A] exploiteerden vanaf 1 januari 1992 gezamenlijk, in de vorm van een maatschap, een varkenshouderijbedrijf (hierna: de Maatschap).

2.3.

Op 13 januari 2020 heeft de Maatschap een aanvraag gedaan tot subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (hierna: de Subsidieregeling). Bij besluit van 20 juli 2020 is deze subsidieaanvraag goedgekeurd. Het te verlenen subsidiebedrag bedraagt maximaal € 645.908,70. In het besluit staan de voorwaarden en verplichtingen waaraan moet worden voldaan om de subsidie daadwerkelijk te ontvangen vermeld en is vermeld dat definitieve vaststelling van de subsidie pas plaatsvindt na controle dat aan de voorwaarden is voldaan. Tevens vermeldt het besluit dat een eerste voorschot van 10% zal worden overgemaakt na ontvangst door de Staat van ondertekende overeenkomsten en dat een tweede voorschot van 70% kan worden aangevraagd nadat is voldaan aan bepaalde vereisten.

2.4.

Op 14 augustus 2020 heeft [eiseres] ten laste van [de heer A] onder de Staat conservatoir derdenbeslag gelegd tot een bedrag van € 780.500,= in verband met een (gepretendeerde) vordering uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van [eiseres] en [de heer A] .

2.5.

Op 20 augustus 2020 heeft de Staat de derdenverklaring als bedoeld in artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afgelegd. In deze verklaring staat, voor zover nu relevant, dat er tussen de Staat en [de heer A] een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan uit hoofde waarvan [de heer A] op het tijdstip van het beslag nog iets van de Staat had te vorderen, nu te vorderen heeft of te vorderen kan krijgen. Ter toelichting staat het volgende vermeld:

“Tussen ondergetekende en de schuldenaar bestaat(n) (nog) de volgende rechtsverhouding(en):

Een subsidieaanvraag en subsidieverlening aan de maatschap [de heer A] en [eiseres] waarbinnen de schuldenaar een maat is, op grond van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen.

Aan de schuldenaar zijn de volgende bedragen verschuldigd:

Gecommitteerd bedrag in de subsidieverlening: € 645.908,70

(…)

Bijzonderheden:

De daadwerkelijke vaststelling van de subsidie vindt achteraf plaats en kan lager zijn dan de subsidieverlening. Slechts de subsidievaststelling geeft daadwerkelijk recht op uitbetaling. In de tussentijd zijn wel voorschotten voorzien, indien aan de voorwaarden wordt voldaan.

Voorwaarden:

Het is de Staat onbekend wat het aandeel van de schuldenaar in de vordering is. Daarbij komt dat de Staat betwijfelt of op deze wijze beslag gelegd kan worden op een aandeel in een goed dat zich bevindt in het afgescheiden vermogen van een nog niet ontbonden maatschap (zie o.a. HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840 en HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1009). Vooralsnog houdt de Staat enige betaling van voorschotten, dan wel subsidiegelden (tevens) aan op grond van artikel 6:37, van het BW.”

2.6.

Bij beschikking van 12 oktober 2020 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, beslist over de financiële afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van [eiseres] en [de heer A] . Op grond van deze beschikking dient [de heer A] een bedrag van € 179.756,58, exclusief posten p.m., aan de vrouw te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 12 oktober 2020. Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 13 juli 2021 is de beschikking van de rechtbank van 12 oktober 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) vernietigd en is een nieuwe beslissing ten aanzien van de huwelijkse voorwaarden genomen. Hierbij is onder meer bepaald dat de man aan te vrouw een bedrag van € 258.935,= dient te betalen.

2.7.

[eiseres] heeft de beschikking van 12 oktober 2020 op 22 oktober 2020, respectievelijk 27 oktober 2020 laten betekenen aan [de heer A] en de Staat. De beschikking van het gerechtshof van 13 juli 2021 is nog niet aan [de heer A] en de Staat betekend (zij is in afwachting van een verbeterbeschikking).

2.8.

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 2 december 2020 is voor recht verklaard dat de Maatschap als gevolg van de opzegging van [de heer A] van 25 juni 2019 met ingang van 1 januari 2020 is beëindigd en is (uitvoerbaar bij voorraad) bepaald dat aan [de heer A] het recht toekomt om het bedrijf voort te zetten. De voortzetting van de onderneming in de rechtsvorm van een eenmanszaak is op 3 februari 2021 geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

2.9.

Vanaf januari 2021 hebben de advocaten van [eiseres] en [de heer A] alsmede de Staat met elkaar gecorrespondeerd over de vraag of de (zoals achteraf is vastgesteld) al beëindigde Maatschap nog wel een subsidieaanvraag kon indienen, over de wijziging van de tenaamstelling van de subsidieaanvraag en de eventuele voorwaarden waaronder dit zou geschieden. In dit verband – en ook later nog – heeft de advocaat van [de heer A] verzocht dat voorschotbetalingen op grond van de subsidiebeschikking opgeschort zouden blijven.

2.10.

Bij besluit van 21 april 2021 is de verleningsbeschikking van 20 juli 2020 op naam van [de heer A] gesteld. In dit besluit staat tevens vermeld dat eventuele voorschotbetalingen op grond van artikel 6:37 van het Burgerlijk Wetboek vooralsnog opgeschort blijven.

2.11.

In een e-mail van 4 juni 2021 aan de (beslag-)deurwaarder heeft de Staat als volgt bericht:

“(…)

De vordering op de Staat / LNV / RVO ontstaat pas nadat de subsidie is vastgesteld. (art. 4.46 AWB)


Als de gesubsidieerde activiteit (afbreken varkensstallen etc) is beëindigd wordt dit door RVO gecontroleerd en daarna vindt de vaststelling plaats en dan pas ontstaat de vordering van de subsidie ontvanger.

Het is zelfs mogelijk dat de subsidie lager wordt vastgesteld en er bestaat zelfs de mogelijkheid dat de subsidie op nul wordt vastgesteld of zelfs wordt ingetrokken.

Voorschotten zijn niet voor beslag vatbaar omdat een voorschot in feite nog niet in het vermogen van de subsidie ontvanger valt. Het is vooralsnog een schuld, die na vaststelling wordt verrekend met het vastgestelde subsidiebedrag. (4:95 AWB)

Ik heb van de heer [X] begrepen dat de activiteiten nog niet zijn beëindigd en dat de vaststelling pas na ongeveer een jaar zal plaatsvinden.

(…)”

2.12.

Op 30 juni 2021 heeft [de heer A] een aanvraag op grond van artikel 17 lid 2 van de Subsidieregeling tot uitbetaling van het tweede voorschot van 70% ingediend.

2.13.

Op 4 augustus 2021 heeft de Staat op grond van artikel 17 lid 1 van de Subsidieregeling ambtshalve besloten het eerste voorschot van 10% van de verleende subsidie te verstrekken. Dit bedraagt € 64.590,84. In het besluit is bepaald dat het voorschot van € 64.590,87 aan de (beslag-)deurwaarder (op basis van het derdenbeslag gelegd door [eiseres] ) uitbetaald zal worden. In het besluit staat tevens vermeld dat de aanvraag voor het tweede voorschot van 70% nog in behandeling is en getoetst wordt aan de voorwaarden van de Subsidieregeling.

2.14.

Op 4 augustus 2021 heeft de Staat voormeld bedrag van € 64.590,84 aan de (beslag-)deurwaarder uitbetaald.

2.15.

Tussen [de heer A] en [eiseres] is nog een procedure aanhangig over de verdeling en financiële afwikkeling van de Maatschap.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen om de aan [de heer A] verschuldigde (voorschot-)subsidiebedragen ten belope van het bedrag waarvoor namens [eiseres] onder de Staat ten laste van [de heer A] executoriaal derdenbeslag is gelegd aan de (beslag-)deurwaarder te voldoen.

3.2.

Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. In de correspondentie over de wijziging van de tenaamstelling van de subsidieaanvraag heeft de Staat aangegeven dat na wijziging van de tenaamstelling van de subsidieaanvrager het door [eiseres] gelegde beslag zou kleven en – voor zover het beslag zou zijn overgegaan in executoriale vorm – zou worden uitbetaald. Het beslag is door betekening van de beschikking van 12 oktober 2020 (deels) executoriaal geworden. Het ondanks de instemming van [eiseres] en [de heer A] met de gewijzigde tenaamstelling vasthouden aan opschorting op grond van artikel 6:37 van het Burgerlijk Wetboek is in strijd met het door [eiseres] en [de heer A] in dit verband geaccepteerde voorstel. [de heer A] heeft tenminste sinds 11 juli 2021 op basis van de geldende voorwaarden van de Subsidieregeling recht op de voorschotbetalingen van 10% en 70%, van welk bedrag een deel van € 181.107,81 aan de deurwaarder van [eiseres] uitbetaald had moeten worden. De Staat weigert deze uitbetaling ten onrechte.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Op grond van de Subsidieregeling kon (tot 15 januari 2020) een varkenshouderij die geuroverlast veroorzaakt subsidie aanvragen als gestopt wordt met het bedrijf. De Subsidieregeling werkt aldus dat eerst een beslissing wordt genomen of de subsidieaanvraag wordt goedgekeurd en tot welk maximum bedrag subsidie wordt verstrekt. Na ontvangst door de Staat van een met de Staat in verband met de Subsidieregeling te sluiten overeenkomst wordt een voorschot van 10% van het subsidiebedrag uitgekeerd. Indien aan bepaalde, in artikel 5 van de Subsidieregeling omschreven, voorwaarden is voldaan kan een voorschot van 70% van de subsidie aangevraagd worden. Dit voorschot wordt uitgekeerd nadat is vastgesteld dat aan de betreffende voorwaarden is voldaan. Als aan alle voorwaarden van de Subsidieregeling is voldaan (de productiecapaciteit is gesloopt en verwijderd) kan vaststelling van de subsidie worden aangevraagd. Na beoordeling hiervan wordt de subsidie vastgesteld en wordt de laatste 20% van het subsidiebedrag uitgekeerd. Als uit controles na de aanvraag van het voorschot van 70% of de aanvraag van de subsidievaststelling blijkt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, kunnen de uitgekeerde voorschotbedragen worden teruggevorderd.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het voorschotbedrag van 10% door de Staat inmiddels (na het uitbrengen van de dagvaarding in dit kort geding) al aan de deurwaarder van [eiseres] is uitgekeerd. Hoewel dat volgens de Staat abusievelijk is gebeurd vormt uitbetaling van dit bedrag in het kader van de beslaglegging geen inzet meer van dit kort geding, zoals door [eiseres] ter zitting ook is bevestigd. De voorzieningenrechter richt zich daarom in de navolgende beoordeling op de vraag of het tweede voorschot van 70% bestreken wordt door het door [eiseres] gelegde conservatoire derdenbeslag.

4.3.

[eiseres] heeft beslag gelegd ten laste van [de heer A] op een moment dat het verzoek om toekenning van de subsidie was gedaan door de Maatschap. Achteraf is echter in het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 2 december 2020, vastgesteld dat de Maatschap op het moment van de subsidieaanvraag al was beëindigd en dat aan (alleen) [de heer A] het recht toekwam om de onderneming voort te zetten. De formele tenaamstelling van de verleningsbeschikking van 20 juli 2020 is in verband hiermee bij besluit van 21 april 2021 – met instemming van [eiseres] en [de heer A] – gewijzigd zo dat de subsidie alsnog aan [de heer A] is toegekend. Gelet hierop is niet meer aan de orde dat het beslag op 14 augustus 2020 ten laste van de verkeerde persoon is gelegd. De correctie van 21 april 2021 heeft elke mogelijke onduidelijkheid op dit punt weggenomen. De Staat heeft in dit verband nog gesteld dat [de heer A] zich beroept op afspraken/voorwaarden die in de correspondentie voorafgaand aan het besluit van 21 april 2021 aan de orde (zouden) zijn gekomen. Wat daar ook van zij, uit de overgelegde stukken blijkt dat [de heer A] zonder voorbehoud heeft ingestemd met de voorwaarden van de Staat (geformuleerd in een e-mailbericht van 8 januari 2021) waaronder de tenaamstelling van de subsidieaanvraag zou kunnen worden gewijzigd en hij heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 april 2021. De voorzieningenrechter gaat er gelet op dit alles vanuit dat het beslag ten laste van de juiste persoon, [de heer A] , is gelegd.

4.4.

Uitgangspunt is dat een beslag alleen mogelijk is op een goed dat op het tijdstip waarop het beslag wordt gelegd, aan de beslagene toebehoort. Op dit uitgangspunt is ten aanzien van vorderingen een uitzondering gemaakt. Op grond van artikel 475 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het mogelijk beslag te leggen op toekomstige vorderingen die de beslagene rechtstreeks uit een op het moment van beslaglegging al bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen. Die bestaande rechtsverhouding waaruit de toekomstige vordering voortvloeit, betreft een rechtsverhouding tussen de beslagene en de derde-beslagene (de schuldenaar van de beslagen vordering). Tussen partijen is in geschil of de (toekomstige) vordering van [de heer A] op de Staat ten aanzien van het voorschot van 70% rechtstreeks voortvloeit uit een op het moment van beslaglegging al bestaande rechtsverhouding en of [de heer A] aanspraak kan maken op uitbetaling van enig ‘voorschot’, en zo ja, wat dan de gevolgen van het beslag zijn voor die eventuele uitbetaling.

4.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voor het ontstaan van aanspraak van [de heer A] op de tweede voorschotbetaling van 70% nog een publiekrechtelijk besluit van de Staat nodig. De tweede voorschotbetaling is immers pas opeisbaar – dat volgt uitdrukkelijk uit artikel 17 lid 2 van de Subsidieregeling – nadat is vastgesteld of [de heer A] heeft voldaan aan de vereisten van de Subsidieregeling. Dat is in dit geval nog niet gebeurd. Voor zover [eiseres] iets anders betoogt – bijvoorbeeld dat eenvoudig geconstateerd kan worden of dat het geval is, dat door [de heer A] aan alle eisen is voldaan en dat een nader te nemen besluit niet nodig is – volgt de voorzieningenrechter [eiseres] daarin niet. Overigens erkent ook [eiseres] dat er voorafgaand aan de verstrekking van het voorschot nog ‘feitelijke controles’ uitgevoerd moeten worden. Ook dat impliceert dat besluitvorming (ten aanzien van de resultaten van die controles) nog nodig is, voordat tot uitbetaling van het tweede voorschot overgegaan zal worden. Gelet op dit alles kan [de heer A] , bij gebreke van een dergelijk besluit, nog geen aanspraak maken op betaling van het tweede voorschot en is de Staat ook nog niet gehouden tot uitkering daarvan aan hetzij [de heer A] , hetzij – uit hoofde van de beslaglegging – [eiseres] .

4.6.

De Staat heeft naar aanleiding van het verzoek van (naar achteraf moet worden begrepen) [de heer A] op 20 juli 2020 het besluit genomen tot verlening van de subsidie tot een maximumbedrag van € 645.908,70. Daarmee is een rechtsverhouding ontstaan tussen de Staat en [de heer A] . Die rechtsverhouding is nader vorm gegeven in de Subsidieregeling waarin precies beschreven is waarop [de heer A] onder welke voorwaarden aanspraak kan maken. Hiermee is sprake van (toekomstige) vorderingen van [de heer A] die hij uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen. Gelet hierop heeft het op 14 augustus 2020 door [eiseres] gelegde beslag doel getroffen, ondanks de omstandigheid dat nog een besluit van de Staat nodig is voordat het tweede voorschot (en, voor zover nog relevant, het laatste deel van 20%) betaalbaar kan worden gesteld.

4.7.

De Staat heeft er nog op gewezen dat de regeling voorziet in twee voorschotten van de al uitgekeerde 10% en van 70% van het toegekende maximum subsidiebedrag, maar dat de uiteindelijke ‘definitieve’ subsidievaststelling achteraf plaatsvindt. Daarmee kan uiteindelijk een terugbetalingsverplichting van de subsidieaanvrager ( [de heer A] ) ontstaan. Voor zover de Staat daarmee wil betogen dat het door [eiseres] gelegde beslag niet kan leiden tot afdracht aan de (beslag-)deurwaarder voordat de subsidieverlening definitief is geworden, volgt de voorzieningenrechter de Staat daarin niet. De Subsidieregeling is immers zo opgezet dat de Staat telkens op grond van de Subsidieregeling, en onder de daarin genoemde voorwaarden, gehouden is voorschotuitkeringen te doen aan de begunstigde ( [de heer A] ). Dat betekent dat [de heer A] – zodra is vastgesteld dat hij aan de voorwaarden voldoet en zo nodig een daartoe strekkend besluit is genomen – telkens een opeisbare vordering heeft op de Staat. De opeisbaarheid van die vorderingen is niet afhankelijk van de definitieve subsidievaststelling. Dat leidt ertoe dat de vorderingen tot uitbetaling van een voorschot telkens door het derdenbeslag bestreken worden en het door de Staat opeisbaar verschuldigde moet worden afgedragen (voor zover [eiseres] over een executoriale titel beschikt) of gereserveerd moet worden (zolang het derdenbeslag in stand blijft en [eiseres] nog niet over een executoriale titel beschikt). De omstandigheid dat [de heer A] achteraf gehouden zou kunnen zijn een deel van het als voorschot uitgekeerde bedrag aan RVO terug te betalen op grond van de definitieve subsidievaststelling staat daar niet aan in de weg.

4.8.

Ter zitting is nog ter sprake gekomen de voortvarendheid waarmee de Staat dient te handelen en de rol van het verzoek van [de heer A] om opschorting van betalingen (en de toezegging van de Staat tot het verlenen van medewerking daaraan). De voorzieningenrechter is in dit verband van oordeel dat de Staat met de gebruikelijke voortvarendheid moet handelen met de toetsing van de vereisten waaraan voldaan moet zijn voor uitkering van het tweede voorschot. De Staat zou [eiseres] benadelen en aldus onzorgvuldig handelen als hij het besluit tot toekenning van het tweede voorschot uitstelt louter omdat [de heer A] daar op aan zou dringen. Voor opschorting van betaling is – als aan de in de Regeling gestelde eisen is voldaan voor het opeisbaar worden van de tweede termijnbetaling – immers gelet op al het vorenstaande geen aanleiding. Zodra is voldaan aan de in artikel 477 Rv en 723 Rv genoemde vereisten, is de Staat gehouden tot uitkering aan de deurwaarder over te gaan. Indien de Staat gevolg zou geven aan het verzoek van [de heer A] om de betaling van het door [de heer A] opeisbare bedrag tot nader order op te schorten, dan zou de Staat de kenbare rechten van [eiseres] als derdenbeslaglegger op verlangen van [de heer A] frustreren en onzorgvuldig handelen.

4.9.

Het vorenstaande leidt er toe dat de vordering van [eiseres] toegewezen zal worden in die zin dat zal worden bepaald dat de Staat, nadat en voor zover op de aanvraag van [de heer A] om tot uitbetaling van het tweede voorschot over te gaan in positieve is beslist, het door [de heer A] aangevraagde tweede voorschot van 70% van het maximaal te verlenen subsidiebedrag ten belope van het door [eiseres] ten laste van [de heer A] onder de Staat gelegde beslag aan de deurwaarder moet voldoen voor zover dit beslag executoriaal wordt of is geworden. De voorzieningenrechter ziet – anders dan [eiseres] beoogt – geen aanleiding hierbij een termijn aan de Staat op te leggen waarbinnen moet worden beslist op de aanvraag van [de heer A] , maar gaat er vanuit dat de Staat bij die besluitvorming voortvarend zal handelen. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding de Staat te veroordelen aan [eiseres] inzicht te verlenen in de besluitvorming als wordt vastgesteld dat [de heer A] niet aan de voorwaarden voor toekenning van het tweede voorschot voldoet. Die besluitvorming heeft immers betrekking op de rechtsverhouding tussen [de heer A] en de Staat en daarbij is [eiseres] als beslaglegger geen partij.

4.10.

In de omstandigheid dat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

bepaalt dat de Staat, nadat en voor zover positief is beslist op de aanvraag van [de heer A] van 30 juni 2021 om tot uitbetaling van een voorschot van 70% van het maximaal te verlenen subsidiebedrag over te gaan, gehouden is (een deel van) dat voorschot aan de (beslag-)deurwaarder te voldoen, tot een bedrag van het door [eiseres] ten laste van [de heer A] onder de Staat gelegde beslag, voor zover dit beslag executoriaal is geworden;

5.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2021.

idt