Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9780

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
09/123762-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever in zijn borst heeft gestoken met een mes. De door de verdachte geschetste gang van zaken leverde naar het oordeel van de rechtbank een wederrechtelijke aanranding en ogenblikkelijk dreigend gevaar voor de verdachte op waartegen de verdachte, die werd vastgehouden en zich dus niet meer aan de dreigende situatie kon onttrekken, zich mocht verdedigen. Hoewel de steekbewegingen van de verdachte met een mes de aangever hebben verwond, kan niet gezegd worden dat zijn verdediging – tegenover het slaan met een fles en het dreigen met een mes door de aangever- disproportioneel was. Het beroep op noodweer slaagt daarom. De verdachte wordt dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/123762-21

Datum uitspraak: 6 september 2021

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.R. Rens naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 mei 2021 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in de hals en/of de borst, althans in het (boven)lichaam, heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Inleiding

De verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij een geweldsincident. Op 8 mei 2021 vond in het [adres 1] in Delft een ruzie plaats tussen personen, waarop een handgemeen volgde. [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is hierbij gewond geraakt. De verdachte heeft bekend op enig moment een mes uit zijn zak te hebben gehaald en met dat mes tweemaal een steekbeweging naar [slachtoffer] te hebben gemaakt. Hij heeft niet gezien of hij [slachtoffer] heeft geraakt met het mes. De verdachte stelt dat hij het mes heeft gebruikt om zichzelf te verdedigen.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] . Evenmin is er sprake van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsman ontslag van alle rechtsvervolging bepleit met een beroep op noodweer.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500- 2021129418 van de politie eenheid Den Haag, district Westland-Delft, basisteam Delft [adres 2] , met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 88).

1. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , opgemaakt op 9 mei 2021, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende (p. 44-46);

V: Ik heb begrepen dat je op 8 mei 2021, in het [adres 1] (de rechtbank begrijpt: te Delft) gestoken bent.

V: Waar werd je mee gestoken?

A: Een klein scherp mes en als ik het goed gezien heb dan was het rood.

V: Op welke wijze werd je gestoken?

A: Twee keer waarbij de verdachte mij recht vooruit stak.

2. Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] , opgemaakt op 9 mei 2021, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende (p. 50-52);

V: Hoe deed hij dat steken precies?
A: Hij stak mij met het mes in mijn keel en erna in mijn borst. Ik merkte het eerst niet eens.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 mei 2021, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende (p. 23);

Op 8 mei 2021 werden wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , gestuurd naar het [adres 1] te Delft. Ik sprak de man aan, welke later bleek te zijn [slachtoffer] , geboren op 8 augustus 1982. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat hij gestoken was. Ik zag ten hoogte van zijn rechterborst een duidelijke bloedvlek zitten. Ik zag ten hoogte van zijn ademsappel een drietal horizontale sneetjes zitten. Deze leken mij allemaal oppervlakkig en hadden allemaal ongeveer een lengte van één centimeter. Ik zag op ongeveer 2 centimeter boven zijn rechtertepel een oppervlakkige steekwond.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 augustus 2021, voor zover van belang en zakelijk weergegeven inhoudende (p. 78).

Door de afdeling Forensische Opsporing van de politie Eenheid Den Haag is een zestal foto's gemaakt van de trui, die [slachtoffer] , tijdens het steekincident op 8 mei 2021 had gedragen.

Foto 1: voorzijde trui, kleur zwart met op de borsthoogte de tekst “CONFIRM”. Op de rechterzijde, ter hoogte van de letter C is een rode verkleuring van de waarschijnlijk bloed zichtbaar.

Foto 3: Nabij de pijl (de rechtbank neemt waar dat deze pijl wijst richting de letter C) is een beschadiging in de trui zichtbaar, waarschijnlijk afkomstig van een steekvoorwerp.

5. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2021, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende:

U vraagt mij of ik [slachtoffer] op 8 mei 2021 in Delft twee keer heb gestoken met een mes. Ja, dat klopt. Ik heb hem twee keer gestoken.

6. De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting, inhoudende dat de verdachte twee stekende bewegingen vooruit maakt op borsthoogte.

3.4.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is op basis van de gebruikte bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte met een mes [slachtoffer] in de borst heeft gestoken.

Voorwaardelijk opzet op de dood

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden. Anders dan de raadsman naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzet, in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich in de borstkas vitale organen en kwetsbare lichaamsdelen bevinden. Door twee stekende bewegingen met een mes te maken in de richting van [slachtoffer] op borsthoogte, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] ten gevolge van zijn handelen zodanig geraakt en verwond zou worden dat hij daardoor zou komen te overlijden.

Partiële vrijspraak

Van het onderdeel ‘steken in de hals’ zal de rechtbank de verdachte vrijspreken. Uit het politiedossier volgt dat [slachtoffer] drie oppervlakkige sneetjes in de hals had. De verdachte heeft tweemaal een stekende beweging gemaakt. Eén steekbeweging heeft geleid tot de steekwond in de borst van [slachtoffer] . Het is de rechtbank op basis van het onderzoek van de politie en het onderzoek ter terechtzitting echter niet duidelijk geworden op welke wijze de verdachte deze drie oppervlakkige sneetjes in de hals van [slachtoffer] heeft kunnen maken.

Conclusie van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] in zijn borst heeft gestoken met een mes. Dit geweld is te kwalificeren als poging tot doodslag, zodat de rechtbank het ten laste gelegde bewezen zal verklaren.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 8 mei 2021 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in de borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. De verdediging heeft hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De verdachte had ruzie met [slachtoffer 2] ), waarbij [slachtoffer] tussenbeide kwam. Hierdoor ontstond een worsteling. Tijdens de worsteling werd de verdachte vastgehouden door [slachtoffer 2] . Hierna heeft [slachtoffer] met een fles richting het hoofd van de verdachte geslagen, welke slag de verdachte heeft weten te ontwijken. De fles raakte wel de schouder van de verdachte. De verdachte kon hierna loskomen, kreeg vervolgens van achter klappen op zijn hoofd en zag dat [slachtoffer] een mes uit zijn broekzak pakte. [slachtoffer] maakte met dat mes een steekbeweging. De verdachte heeft vervolgens snel zijn eigen mes gepakt, twee steekbewegingen richting [slachtoffer] gemaakt en is daarna meteen gevlucht. Dit handelen van [slachtoffer] en [slachtoffer 2] moet worden gezien als een aanval op de verdachte waaraan hij zich niet anders kon onttrekken dan door met zijn mes twee steekbewegingen te maken. Om die reden komt de verdachte een beroep op noodweer toe.

4.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer moet worden verworpen en heeft hiertoe – kort samengevat – aangevoerd dat de feiten en omstandigheden waarmee de verdediging het beroep op noodweer heeft onderbouwd niet aannemelijk zijn geworden.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank.

Volgens artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Bij de beoordeling van het beroep op noodweer dient de rechtbank duidelijk te maken of zij de feitelijke toedracht, zoals door de verdediging bij haar verweer heeft aangevoerd, aannemelijk geworden acht (Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:867). Daarbij kan echter niet worden gezegd dat het in de eerste plaats aan de verdachte is om de gestelde feiten aannemelijk te maken (Hoge Raad 17 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1775). De verdachte hoeft weliswaar niet (steeds) de feitelijke grondslag van een beroep op noodweer aannemelijk te maken, maar hij zal wel voldoende relevante feiten moeten stellen (Hoge Raad 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1894).

Feitelijke toedracht

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek met betrekking tot het steekincident weinig duidelijkheid heeft verschaft over wat zich op 8 mei 2021 precies heeft afgespeeld in het [adres 1] in Delft.

De verklaringen van de verdachte, [slachtoffer] en [slachtoffer 2] lopen sterk uiteen.

[slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte hem uit het niets heeft gestoken toen hij het opnam voor [slachtoffer 2] , die ruzie had met de verdachte. [slachtoffer 2] heeft louter verklaard dat er gebekvecht werd en dat hij vervolgens hoorde dat [slachtoffer] pijn had. Hij heeft geen mes gezien, maar [slachtoffer 2] heeft wel gezien dat de verdachte een voorwaartse beweging met zijn rechterhand maakte. Over zijn eigen rol bij de ruzie en het steekincident alsmede de achtergrond van het conflict, heeft [slachtoffer 2] niets verklaard.

Twee getuigen, die tijdens het steekincident verderop in het [adres 1] in Delft zaten, hebben echter verklaard over een groepje mannen die in de beleving van de getuigen wat met elkaar stoeiden. Eén van deze twee getuigen heeft gezien dat een man met lange blonde haren met een fles (steek)bewegingen maakte.

Wat de rechtbank aldus over de feitelijke toedracht kan vaststellen is dat er een incident is geweest, waarbij in ieder geval [slachtoffer] , de verdachte en [slachtoffer 2] betrokken waren, dat ook een fles bij dat incident een rol speelde, en dat op enig moment de verdachte twee maal een stekende beweging heeft gemaakt en [slachtoffer] in de borst heeft gestoken. Er zijn ook aanwijzingen dat alle betrokkenen onder invloed van alcohol waren.

De verklaring van de verdachte over de feitelijke toedracht vindt naar het oordeel van de rechtbank op een enkel punt, en meer dan de verklaring van de aangever, steun in de waarneming van de (onafhankelijke) getuigen. [slachtoffer] en [slachtoffer 2] hebben niet over een opstootje of over de fles verklaard, en dat geeft, in het licht van wat de getuigen hebben gezien, reden om te twijfelen aan hun lezing over de gang van zaken. De rechtbank kan er niet zonder meer van uitgaan dat de verklaringen van [slachtoffer] en [slachtoffer 2] over de toedracht kloppen.

De rechtbank is daarentegen van oordeel dat de lezing die de verdachte heeft gegeven meer aansluit bij de waarneming van de getuigen en daarmee aannemelijker lijkt dan de lezing van [slachtoffer] en [slachtoffer 2] . Nu er aan deze verklaringen kan worden getwijfeld, zal de rechtbank bij deze twijfel in het voordeel van de verdachte uitgaan van de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht, die haar ook aannemelijk voorkomt.

Noodweer

De door de verdachte geschetste gang van zaken leverde naar het oordeel van de rechtbank een wederrechtelijke aanranding en ogenblikkelijk dreigend gevaar voor de verdachte op waartegen de verdachte, die werd vastgehouden en zich dus niet meer aan de dreigende situatie kon onttrekken, zich mocht verdedigen.

Hoewel de steekbewegingen van de verdachte met een mes [slachtoffer] hebben verwond, kan niet gezegd worden dat zijn verdediging – tegenover het slaan met een fles en het dreigen met een mes door de aangever- disproportioneel was.

Het beroep op noodweer slaagt daarom.

Conclusie van de rechtbank

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, nu de verdachte een beroep op noodweer toekomt. De verdachte wordt dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5. bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot doodslag;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M.A. de Koning, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Prosperini, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 september 2021.