Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9681

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
AWB 21/2725 en AWB 21/2726
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

trefwoorden: gezinshereniging, nareis, meerderjarig, feitelijke gezinsband verbroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 21/2725 en AWB21/2726

v-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] [v-nummer 3] [v-nummer 4]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres 1,

[eiser 1] , eiser 1

[eiseres 2] , eiseres 2

[eiser 2] eiser 2

gemachtigde: (mr. E.S. van Aken),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: (mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluiten van 9 december 2020 heeft verweerder de aanvraag van eisers om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor gezinshereniging met [referent] (hierna referent) afgewezen. Bij besluiten van 8 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers hiertegen kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2021. Referent en gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft verweerder conform de ter zitting gemaakte afspraak aanvullende stukken overgelegd. Eiser heeft hierop binnen de afgesproken termijn gereageerd waarna de rechtbank het onderzoek op 3 augustus 2021 heeft gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum eiseres 1] 1996, eiser 1 is geboren op [geboortedatum eiser 1] 1992, eiseres 2 is geboren op [geboortedatum eiseres 2] 2016 en eiser 2 is geboren op [geboortedatum eiser 2] 2018. Referent is geboren op [geboortedatum referent] 1972, woonachtig in Nederland en heeft verklaard dat eiseres 1 zijn dochter is, eiser 1 zijn pleegzoon en eiser 1 en eiseres 2 zijn kleinkinderen zijn. Eisers en referent hebben allen de Syrische nationaliteit. Op 16 december 2019 heeft referent voor eisers aanvragen ingediend tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis asiel voor zijn dochter, haar echtgenoot en de kleinkinderen.

2. De mvv-aanvraag is ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de verblijfsvergunning aan referent is verleend. Daarom toetst verweerder de aanvraag aan de voorwaarden voor nareis. Deze voorwaarden staan in de paragrafen C2/4.1 en B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de identiteit van eisers alsmede de familierechtelijke relatie met referent niet is aangetoond met officiële documenten. Voor zover moet worden aangenomen dat sprake is van een familierechtelijke relatie overweegt verweerder verder dat deze als verbroken dient te worden beschouwd omdat eiseres 1 en eiser 2 meerderjarig zijn en een eigen gezin hebben gevormd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder ter zitting nog verwezen naar het rapport van gehoor hervestiging van 24 januari 2019 waarin referent heeft verklaard dat eiseres 1, zijn dochter, met haar eigen familie, de overige eisers, woont.

4. Ten aanzien van eiseres 2 en eiser 2 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de aanvragen van de ouders ook zijn afgewezen en dat zij daarom niet gescheiden zullen worden van hen (eiseres 1 en eiser 1). De weigering van hun verblijf is daarom niet in strijd met artikel 8 EVRM.

5. Eisers hebben zich in beroep op het standpunt gesteld dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen omdat eisers en referent in Syrië altijd een gezinseenheid hebben gevormd. Referent is tezamen met zijn echtgenote als uitgenodigd vluchteling naar Nederland gekomen. Eisers verbleven toen en verblijven nu nog onder zeer zware omstandigheden in een vluchtelingenkamp in Jordanië. De gezinsband met referent is door verweerder ten onrechte als verbroken beschouwd omdat eisers een eigen gezin zouden hebben gevormd. Eisers en referent hebben voortdurend een nauwe emotionele band met elkaar onderhouden, ook toen referent al in Nederland verbleef. Er is sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eisers en referent en dan met name ten aanzien van de verstandelijk gehandicapte zus in Nederland. De verklaring van referent in het rapport van gehoor hervestiging maakt dit niet anders. Primair omdat het stuk geen onderdeel vormde van de gedingstukken en het bestreden besluit hierdoor onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Subsidiair omdat alle gezinsleden in Nederland uitgenodigde vluchtelingen zijn. Het had op de weg van de Nederlandse autoriteiten gelegen om ook de overige gezinsleden naar Nederland over te laten komen nu zij tezamen uit Syrië zijn gevlucht. Tot slot stellen eisers dat zij ten onrechte niet zijn gehoord.

De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader

6. Het nareisbeleid van verweerder, neergelegd in paragraaf C2/4.1 en C2.4.1.2 van de Vc, luidt - voor zover van belang – als volgt. De vreemdeling moet zijn identiteit en familierechtelijke relatie met referent in beginsel aantonen door het overleggen van officiële documenten. Indien dit niet mogelijk is dient de vreemdeling of de referent de reden hiervan kenbaar te maken. Voor de beoordeling of het meerderjarige kind feitelijk behoort tot het gezin, is het moment van binnenkomst van de referent in Nederland leidend en betrekt verweerder ook uitdrukkelijk de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst (dan wel land van bestendig verblijf). Verweerder beoordeelt of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken.

Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden (contra-indicaties), kan in ieder geval worden aangenomen dat het meerderjarige kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:

- Het kind woont zelfstandig;

- Het kind voorziet in eigen onderhoud;

(…).

7. Deze contra-indicaties zullen per individueel geval beoordeeld worden. Bovengenoemde opsomming van contra-indicaties is niet-limitatief. Conclusie van de beoordeling kan zijn dat op het moment van vertrek van de referent het meerderjarig kind niet feitelijk behoorde tot het gezin. Indien deze contra-indicaties zich na het vertrek hebben voorgedaan kan de conclusie zijn dat de feitelijke gezinsband verbroken is.

8. In paragraaf B7/3.8.1 van de Vc, zoals dit gold ten tijde van het bestreden besluit, staat dat verweerder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen aanneemt, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, uitsluitend als het meerderjarige kind:

- Jongvolwassen is,

- met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft,

- niet in zijn eigen onderhoud voorziet, en

- geen zelfstandig gezin heeft gevormd.

9. Vaststaat dat eisers geen originele identificerende documenten hebben overgelegd waarmee de identiteit van eisers kon worden vastgesteld alsmede de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent. Ondanks herhaaldelijk verzoek van verweerder aan eisers om originele documenten, zijn er enkel kopieën overgelegd. Eisers hebben de reden hiervan niet kenbaar gemaakt. Verder is niet gebleken dat dit niet aan eisers is toe te rekenen. Verweerder heeft derhalve terecht mogen overwegen dat eisers hun familierechtelijke band met referent niet hebben aangetoond.

10. Verweerder heeft verder overwogen dat zelfs wanneer uitgegaan zou worden van de familierechtelijke relatie, verweerder tot de conclusie komt dat er geen sprake meer is van een feitelijke gezinsband tussen referent en eisers. Verweerder heeft op goede gronden tot dit oordeel kunnen komen. Eiseres 1 en eiser 1 zijn meerderjarig. Aangenomen wordt dat de feitelijke gezinsband is verbroken wanneer een meerderjarig kind zelf een relatie of huwelijk aan gaat en wanneer een meerderjarig kind van de referent zelf de zorg heeft voor een kind. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eisers een zelfstandig gezin hebben gevormd. Dat referent en eisers steeds een nauwe emotionele band met elkaar hebben onderhouden maakt dit niet anders. De gezinsband tussen eisers en referent is dan ook terecht als verbroken beschouwd.

11. Een beroep op het bestaan van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen de dochter van referent in Nederland, ‘ [naam dochter in Nederland] en eisers slaagt evenmin. Het in dit kader overgelegde medisch document beschrijft dat de dochter een verstandelijke beperking heeft vanwege een vroeggeboorte. Daargelaten dat er enkel een kopie is overgelegd en het document daarom niet kan worden onderzocht op echtheid, blijkt hieruit niet de afhankelijkheid tussen de dochter en eisers.

12. Nu verweerder de aanvragen van eiseres 1 en eiser 1 op goede gronden heeft mogen afwijzen, heeft verweerder de aanvraag van eiseres 2 en eiser 2 eveneens terecht afgewezen zodat zij niet gescheiden zullen worden van hun ouders.

13. De rechtbank volgt eisers tot slot niet in hun standpunt dat zij hadden moeten worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Gelet op het hiervoor overwogene bestond er redelijkerwijs geen twijfel over de conclusie dat het bezwaar van eisers ongegrond was, waardoor verweerder van het horen van eiser heeft kunnen afzien.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, op 26 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.