Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9628

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
NL21.993
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij uit Irak is vertrokken vanwege de aanwezigheid van IS. Er is volgens verweerder geen sprake van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door hun aanwezigheid in Irak, een reëel risico lopen op ernstige schade. Eiser behoort bovendien niet tot een groep die systematisch blootgesteld wordt aan een reëel risico op ernstige schade of een kwetsbare minderheidsgroep, en eiser heeft geen specifieke individuele kenmerken naar voren gebracht waaruit het reëel risico op ernstige schade valt af te leiden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de gestelde vrees om bij terugkeer in een vluchtelingenkamp in erbarmelijke leefomstandigheden terecht te komen niet worden aangemerkt als relevant element.

Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.993


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visschers).


Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Verder is er aan eiser geen reguliere vergunning voor bepaalde tijd verleend zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Voorts is vastgesteld dat eiser geen uitstel van vertrek krijgt.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021 te Dordrecht op de zittingslocatie van de rechtbank Rotterdam aldaar. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat IS aan de macht is gekomen in zijn woonplaats Anah, gelegen in de provincie Al Anbar. Zijn familie is ook voor IS gevlucht en leeft op dit moment nog in een vluchtelingenkamp in Al-Habanyah, eveneens gelegen in de provincie Al Anbar. IS wordt weer steeds machtiger in het gebied waarin de voormalige woonplaats van eiser is gelegen, en eiser vreest daarom te worden gedood bij terugkeer. Daarnaast zal hij ontheemd raken aangezien hij bij vertrek niet naar zijn woonplaats kan, hij zal naar het vluchtelingenkamp moeten gaan waar zijn familie ook verblijft.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Identiteit, nationaliteit en herkomst;

  • -

    Vertrek vanwege de aanwezigheid van IS.

2.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat beide relevante elementen geloofwaardig zijn. Deze elementen zijn echter niet te herleiden tot een van de gronden uit artikel 1A van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 28 juli 1951 (Verdrag). Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder overweegt daartoe dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door hun aanwezigheid in het land van herkomst, een reëel risico lopen op ernstige schade, dat eiser niet behoort tot een groep die systematisch blootgesteld wordt aan een reëel risico op ernstige schade of een kwetsbare minderheidsgroep en - tenslotte - dat eiser niet voldoende specifieke individuele kenmerken naar voren heeft gebracht waaruit het reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw valt af te leiden. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond.

3. Eiser verzoekt allereerst al hetgeen in de zienswijze is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen.

3.1.

Dit verzoek kan eiser niet baten. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op hetgeen eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele herhaling van de zienswijze in beroep niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer in de uitspraak van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169), rechtsoverweging 4.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat IS nog steeds aanwezig is in het gebied waaruit hij afkomstig is, en dat IS aldaar ook weer meer macht krijgt en zich aan het hergroeperen is. De leefomstandigheden zijn er ontoereikend en de algemene veiligheidssituatie is slecht mede door explosieve gevaren op de wegen. Hij verwijst daarbij naar het meest recente ambtsbericht inzake Irak van 2019 en naar het rapport van EASO Country of Origin Information Report Iraq: Security situation van oktober 2020 (EASO-rapport). Gelet op de huidige situatie in Irak en het feit dat zijn familie zich nog altijd in een ontheemdenkamp bevindt, heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer ontheemd zal raken. De omstandigheden in het kamp zijn erbarmelijk en de situatie is onveilig. Er is geen sanitair, water, zicht op werk en zijn ouders zijn afhankelijk van giften. Er is geen zicht op terugkeer naar hun oude woonplaats. Het ouderlijk huis is door bombardementen verwoest. Een verblijf in het vluchtelingenkamp zal leiden tot een onmenselijke behandeling en dus een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter onderbouwing hiervan heeft eiser meerdere foto’s overgelegd waaruit blijkt dat zijn familie verblijft in een vluchtelingenkamp. Verweerder heeft dit ten onrechte niet aangemerkt als een relevant element, aldus eiser.

4.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.2.

Nog daargelaten of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan terugkeren naar zijn oude woonplaats en daardoor bij familie moet verblijven in een vluchtelingenkamp, is de rechtbank van oordeel dat de gestelde vrees om bij terugkeer ontheemd te raken en in erbarmelijke leefomstandigheden terecht te komen, door verweerder niet aangemerkt diende te worden als relevant element. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2815), waaruit volgt dat een relevant element een feit of omstandigheid is dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn dat in verband staat met vluchtelingschap dan wel de subsidiaire beschermingsstatus als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Om hiervoor in aanmerking te komen moet een vreemdeling aannemelijk maken dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. Ernstige schade moet daarnaast volgens artikel 6 van de Kwalificatierichtlijn worden veroorzaakt door één van de 'actoren' van ernstige schade, namelijk de staat, partijen of organisaties die de staat beheersen of niet-overheidsactoren waartegen de staat of deze partijen geen bescherming kunnen of willen bieden. Dit betekent dat niet elke schending van artikel 3 EVRM kan leiden tot verlening van de subsidiaire beschermingsstatus. Elementen die niet relevant zijn voor een subsidiaire beschermingsstatus maar wel een betoog van schending van artikel 3 EVRM omvatten, zoals naar het oordeel van de rechtbank in de situatie van eiser het gestelde verblijf in een ontheemdenkamp, kunnen niet worden betrokken bij een asielaanvraag en zullen in een ander kader aan de orde moeten komen. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Ter zitting heeft eiser een nadere toelichting gegeven op zijn (overige) gronden van beroep. Hij beoogt niet te stellen dat in Al Anbar sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door aanwezigheid een reëel risico op ernstige schade lopen, dan wel dat hij behoort tot een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een reëel risico op ernstige schade of tot een kwetsbare minderheidsgroep. Hij stelt zich op het standpunt dat hij op grond van zijn persoonlijke situatie / individuele relaas aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens eiser heeft verweerder gelet op de geloofwaardig geachte elementen en het feit dat verweerder niet heeft bestreden dat eisers familie ontheemd is, ten onrechte nagelaten een zwaarwegendheidstoets te verrichten.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, heeft getoetst of eiser gelet op de geloofwaardig geachte elementen bij terugkeer naar Irak te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit afgeleid kan worden dat hij persoonlijk gevaar loopt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat hij nooit persoonlijke ervaring met IS heeft gehad in het verleden (pagina 6 van het nader gehoor). Eiser heeft enkel over de algemene situatie in zijn woonplaats verklaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder ten onrechte de geloofwaardig geachte (relevante) elementen niet getoetst heeft op de zwaarwegendheid ervan.

5.2.

Gelet op hetgeen reeds is overwogen onder 4.2., ziet de rechtbank ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de gestelde vrees om ontheemd te raken had dienen te toetsen op zwaarwegendheid. Dat element heeft verweerder immers terecht niet aangemerkt als relevant element.

6. Het voorgaande betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

7. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Oonincx, rechter, in aanwezigheid vanmr. B. Tijssen, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.