Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9624

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
09/767168-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag heeft op 31 augustus 2021 een 33-jarige man veroordeeld voor bedreiging met een terroristisch misdrijf (artikel 285 lid 3 met verwijzing naar artikel 83 Sr), meermalen gepleegd in een periode van ongeveer 2 maanden. Veroordeelde heeft de bedreigingen in meerdere telefoongesprekken met zijn broer, die gedetineerd zit als verdachte voor het beschieten van de ambassade van Saoedi-Arabië, geuit. Veroordeelde wist dat hij werd afgeluisterd en heeft met zijn bewoordingen (een deel van) de bevolking ernstig vrees aangejaagd. Veroordeelde werd ook verdacht van het bedreigen van een wijkagent, de rechtbank spreekt hem hiervan vrij. Veroordeelde heeft een gevangenisstraf van 6 maanden gekregen waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/767168-21

Datum uitspraak: 31 augustus 2021

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

[adres] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Maatschapslaan.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 17 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. G.E.M. Later naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, in of omstreeks de periode van 17 januari 2021 t/m 8 april 2021, te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, blanke mensen heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, in elk geval met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader in (afgeluisterde) telefoongesprekken, opzettelijk dreigend de volgende woorden gezegd:

- " Dan heeft Nederland een probleem, dan heeft [naam 1] met mij probleem ook" en/of

- " Ik pak sowieso blanke mensen, 100% blanke mensen, ik ga ik heb gezegd ik heb gezegd. Ik heb hen gezegd als hij niet vrijkomt dan komen de grootste aanslagen" en/of

- " Ze moeten weten ik ga hun treffen in hun hart. In hun hart tref ik hun. Kanker vieze Kankerblanken" en/of

- " en als ik [naam 2] pak, ik snij zijn kop eraf, 100% ik snij zijn kankerkop eraf. [naam 2] , je hoort dat, [naam 2] " en/of

- " en dat alle ongelovige blanken de hel in gaan" en/of

- " ik gebruik gewoon geweld. Ik ga gewoon geweld gebruiken bij hun. Bij hun ga ik gewoon geweld gebruiken" en/of

- " ik ga je doorzeven en laat die blanke dat weten, niet mij wegkomen. Ga je doorzeven" en/of

- " ik kan heel makkelijk AK47 in Amsterdam, makkelijk geregeld" en/of

- " ik heb geen macht, ik wil juist graag onthoofden, wil ik graag doen" en/of

- " want Sharia hoe moet die geplaatst worden, zo niet doe ik met mond" en/of

- " ik begrijp IS volledig, volledig. IS ik begrijp ze volledig. Deze mensen moet doden, doden, gewoon doden, liever doden dan met hun leven" en/of

- " Wollah ik zweer bij Allah, ik pak de Nederlandse ambassade, zodra ik in Marokko ben, ik onthoofd hun en ik maak ze dood" en/of

- " ik hoop dat de officier nu ook meeluistert. Zodra ik in Marokko ben ik maak die ambassadeurs van Nederland daar dood. Ik ga die hele ambassade met de grond gelijk maken. Ik zweer bij Allah dat is mijn doel, dat is vanaf nu mijn doel. Dat is vanaf nu mijn doel, dan pas naar Mekka of Medina" en/of

- " pak ze hun kinderen, tref ze mighty hun kinderen van hun, klaar. Laat het ze voelen, laat het ze voelen" en/of

- " of ze me nu vrijlaten of niet, anders pak ik hier die creches, ik ga hier die kindercreches als ze me hier vrijlaten en ze laten mij niet naar Marokko pak ik die kindercreches en ik ga hun kinderen vermoorden, overal, ik blijf doorgaan doorgaan doorgaan tot de dood. En ik en ik zweer bij Allah" althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

hij, in of omstreeks de periode van 17 januari 202 t/m 8 april 2021, te 's-Gravenhage, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (wijkagent) [naam wijkagent] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader in (afgeluisterde) telefoongesprekken, opzettelijk dreigend de volgende woorden gezegd:

- " die imam is net als [naam wijkagent] " en/of

- " die [naam wijkagent] is een kefir (ongelovige) die zegt duidelijk ik gelooft niet. Die imaam is een hypocriet en een huichelaar" en/of

- " die gaan harder branden toch?" en/of

- " ja harder ja..Ik wil liever dat [naam wijkagent] ook hard b.. hij is toch gaan verdiepen in de Islam. hem wil ik ook dat hij harder gaat verbranden. Hij heeft wel met mij te maken he. [naam wijkagent] heeft wel met mij te maken en/of

- hij weet wat jij wilt, snap je" en/of

- " juist! Hij was alleen maar hiermee bezig met mij hierzo" en/of

- " ja jou rustig houden, maar daar kom jij niet voor. Het is gewoon duidelijk. Gewoon voor Mekka en Medina en hij weet het en iedereen weet het. Alsnog gaan ze je sporen verdraaien. Zo vieze mensen" en/of

- " ja, daarom" en/of

- " volgende keer als hij jou belt dan, ook al komt hij bij jou, maak hem dood gewoon. Maak hem dood!" en/of

- " ik ga gelijk keihard tegen hem. Ik ben sowieso die vieze ongelovigen zat" en/of

- " hij wil jou nu achtervolgen om jou te pakken" en/of

- " Ja ja" en/of

- " toch als hij naar je komt maak hem gewoon dood"

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Inleiding

Op 12 november 2020 is de Saoedische ambassade in Den Haag negenentwintig keer beschoten. [medeverdachte] is als verdachte van deze beschieting aangehouden. [medeverdachte] bleek vanuit de penitentiaire inrichting Vught, waar hij in voorlopige hechtenis zit, veelvuldig telefonisch contact te hebben met zijn broer [verdachte] . Deze telefoongesprekken werden afgeluisterd. De politie heeft die gesprekken vanwege de inhoud van de uitspraken van de broers vervolgens nader onderzocht. De rechtbank ziet zich – kort gezegd – voor de vraag gesteld of de verdachte zich, al dan niet samen met zijn broer, schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van blanke mensen met een terroristisch misdrijf (feit 1) en bedreiging van een wijkagent met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling (feit 2).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal vrijgesproken dient te worden. Verder heeft de raadsvrouw een voorwaardelijk verzoek gedaan tot aanhouding en verwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris voor het horen van een deskundige (over de betekenis van straattaal) voor het geval de rechtbank op basis van het onderzoek niet tot een algehele vrijspraak zou concluderen. Op specifieke standpunten van de raadvrouw zal de rechtbank – voor zover relevant – hierna nader ingaan.

3.4

Vrijspraak van feit 2

Aan de verdachte is in feit 2 ten laste gelegd het medeplegen van bedreiging van wijkagent [naam wijkagent] .

De rechtbank stelt voorop dat om tot een bewezenverklaring van bedreiging in de zin van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te komen, onder meer is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook zou worden gepleegd. Verder kan de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

[medeverdachte] doet in het gesprek uitlatingen dat verdachte [naam wijkagent] dood moet maken. De verdachte heeft hierop gereageerd met de woorden: “ik ga gelijk keihard tegen hem” en “ja ja”. De rechtbank is van oordeel dat deze uitlatingen van de verdachte, in de context waarin deze zijn gedaan, te algemeen van aard zijn en daardoor geen zelfstandige bedreiging van [naam wijkagent] met zware mishandeling of enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren.

De verdachte heeft met deze reactie weliswaar geen afstand genomen van de bedreigende uitlatingen van [medeverdachte] maar de rechtbank is van oordeel dat hij deze met zijn reactie niet uitdrukkelijk heeft bekrachtigd of heeft overgenomen. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] onvoldoende is komen vast te staan.

De overige uitlatingen die zijn opgenomen in de tenlastelegging zijn naar het oordeel van de rechtbank niet bedreigend in de zin van artikel 285 Sr.

Nu de verdachte [naam wijkagent] niet heeft bedreigd en ook geen sprake is van medeplegen van bedreiging, zal de verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit 2.

3.5

Gebruikte bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2021080546, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Zoetermeer-Leidschendam / Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 399).

1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 april 2021, voor zover inhoudende (p. 138-141):

In het onderzoek werd een telefoongesprek gevorderd van de PI Vught welke op 17 januari 2021 werd gevoerd tussen [medeverdachte] en [verdachte] .

Een gedeelte van dit telefoongesprek gaat als volgt waarbij de gespreksdeelnemers als volgt worden weergegeven:

[medeverdachte] = [medeverdachte]

[verdachte] = [verdachte]

[verdachte] : (tussendoor hoor ik [verdachte] het volgende zeggen) Ik pak sowieso blanke mensen, 100% blanke mensen, ik ga ik heb gezegd ik heb gezegd.

[verdachte] : Ik heb hen gezegd als hij niet vrijkomt dan komen de grootste aanslagen.

(…)

[verdachte] : Ze moeten weten ik ga hun treffen in hun hart. In hun hart tref ik hun. Kanker vieze kankerblanken.

(…)

[verdachte] En als ik [naam 2] pak, ik snij zijn kop eraf, 100% ik snij zijn kankerkop eraf. [naam 2] , je hoort dat, [naam 2] .

In het onderzoek (…) werd een telefoongesprek gevorderd van de PI Vught welke op 1 maart 2021 werd gevoerd tussen [medeverdachte] en [verdachte] .

(…)

[verdachte] : Wie mij lastigvalt, of je nu kankerblank bent, of kankerzwart, ik euh ik ga ik ga je doorzeven en laat die blanke dat weten, niet mij wegkomen. Ga je doorzeven.

(…)

[verdachte] : Juist, ik kan heel makkelijk AK47 (onverstaanbaar woord, klinkt als wegkomen/ wegtoveren) in Amsterdam, makkelijk geregeld. En nogmaals ik daag hun uit, ik ben onzichtbaar ik weet waar die woont, ik daag die kankerzwervers uit.

Op 17 maart 2021 belt [medeverdachte] vanuit de PI Vught naar [verdachte] .

[verdachte] : Ik heb… ik wil ik heb geen macht, ik wil juist graag onthoofden, wil ik graag doen (lacht).

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 mei 2021, voor zover inhoudende (p. 165-166):

Bewustzijn dat telefoongesprekken worden afgeluisterd

Uit de inhoud van de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken valt op te maken dat zowel [verdachte] als zijn broer [medeverdachte] ervan uitgingen dat de gesprekken die zij met elkaar voeren werden afgeluisterd en dat ze wisten dat wat zij zeggen in deze gesprekken andere personen zou bereiken. Dit valt onder andere op te maken uit hetgeen gezegd wordt in de navolgende gesprekken:

In een gesprek op 11 maart 2021 zegt [medeverdachte] onder andere "jullie luisteren sowieso af dan luisteren jullie ons anders af via de telefoon";

In een gesprek van 17 maart 2021 zegt [medeverdachte] dat degene die meeluisteren zich GRIP (Gedetineerde Recherche Informatiepunt) noemen;

In een gesprek van 7 april 2021 zegt [verdachte] : "snap je het is belangrijk, er wordt meegeluisterd, maar voor hem is het belangrijk".

In een gesprek van 8 april 2021 zegt [medeverdachte] "Zodra de officier een fout maakt, ze sturen dit naar GRIP, iets wat GRIP heet dus ze luisteren mee."

In een gesprek van 8 april 2021 zegt [medeverdachte] : Ze gaan nu de telefoon afsluiten voor mij. Dan kan ik jullie niet meer bellen. Alles wat ik heb gezegd net dat gaan ze later beluisteren.”.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 17 augustus 2021, voor zover inhoudende:

U vraagt mij naar mijn uitlatingen, waaronder dat ik mensen graag wil onthoofden. Dit was frustratie. Dit is hoe ik met mijn broer praat.

(…)

U houdt mij voor dat de strekking van de uitlatingen onthoofden lijkt te zijn. (…) Zo praat ik met mijn broer.

(…) Ik hoopte dat ik werd gehoord. Ik hoopte dat zij meeluisterden.

3.6

Bewijsoverwegingen

Juridisch kader

In artikel 285, derde lid, Sr is bedreiging met een terroristisch misdrijf strafbaar gesteld. Uit de bewoordingen van dat artikel en de wetsgeschiedenis volgt dat voor een veroordeling op grond van die bepaling toereikend is dat wordt gedreigd met een terroristisch misdrijf, dus een misdrijf als bedoeld in artikel 83 Sr. Niet is vereist dat de bedreiging zelf met een terroristisch oogmerk plaatsvindt. Wel is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat (i) het misdrijf waarmee wordt gedreigd een terroristisch misdrijf betreft en (ii) dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd.

Gelet op de omschrijving van een terroristisch oogmerk in artikel 83a Sr brengt dit voor de terroristische misdrijven die dit oogmerk vereisen mee dat voor een veroordeling wegens bedreiging met zo een terroristisch misdrijf is vereist dat uit de bewijsvoering blijkt dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht (i) de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel (ii) een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel (iii) de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen. Daarnaast is voor zo een veroordeling vereist dat het (tenminste voorwaardelijke) opzet van de verdachte erop was gericht deze vrees te laten ontstaan (zie HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1890).

De betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Bedreiging met een terroristisch misdrijf door de verdachte

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte onder meer op 17 januari 2021, 1 maart 2021 en 17 maart 2021 heeft gebeld met zijn broer [medeverdachte] die in de penitentiaire inrichting Vught verblijft. Zowel de verdachte als [medeverdachte] hebben in die gesprekken uitlatingen gedaan.

Het staat op basis van de uitgeluisterde telefoongesprekken en de verklaring van de verdachte vast dat de verdachte de uitlatingen opgenomen als de eerste 10 gedachtestreepjes in het tenlastegelegde feit 1 heeft gedaan. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze uitlatingen een bedreiging met een terroristisch misdrijf jegens blanke mensen opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank zijn voor het antwoord op deze vraag niet alleen de bewoordingen op zichzelf bepalend, maar zullen deze moeten worden bezien in de context waarin deze zijn geuit.

De verdachte heeft in de telefoongesprekken met zijn broer onder meer gezegd dat – samengevat en onder verwijzing naar het betreffende gedachtestreepje in de tenlastelegging – (2e) de grootste aanslagen komen op blanke mensen als zijn broer niet wordt vrijgelaten, (3e) hij blanke mensen gaat treffen in hun hart, (4e) hij de kop van [naam 2] eraf zal snijden, (7e en 8e) hij blanke mensen gaat doorzeven (met een AK47) en (9e) hij graag wil onthoofden.

De rechtbank is van oordeel dat deze bewoordingen gelet op moeten worden beschouwd als bedreigingen met een terroristisch misdrijf in de zin van artikel 83 Sr.

Bij de bedreigden, in dit geval verbalisanten van de politie die de gesprekken hebben beluisterd, kon in redelijkheid de vrees ontstaan dat de aanslagen waarmee de verdachte dreigde erop waren gericht de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen. De verdachte heeft immers meerdere malen uitlatingen gedaan en gedreigd de groep ‘blanke mensen’ ernstig geweld aan te doen.

De verdachte heeft deze bedreigingen geuit tijdens afgeluisterde telefoongesprekken met zijn broer, terwijl hij wist dat zijn broer ervan wordt verdacht de ambassade van Saoedi-Arabië te hebben beschoten en daarvoor vast zat. In deze context bezien, kon naar het oordeel van de rechtbank bij de bedreigden, de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte een AK47 kan regelen en, al dan niet met dat wapen, de terroristische aanslagen waarmee hij dreigde ook daadwerkelijk zou uitvoeren.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat de verdachte wist dat de telefoongesprekken met zijn broer werden afgeluisterd door de penitentiaire inrichting en terecht zouden kunnen komen bij de politie. De verdachte heeft dan ook willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn bedreigingen gericht tegen (een deel van) de blanke bevolking zouden worden gehoord en dat deze bedreigingen bij degenen tegen wie deze indirect zijn geuit, te weten de verbalisanten van de politie, ernstige vrees aan konden jagen. Van het vereiste voorwaardelijk opzet op het ontstaan van deze vrees is derhalve sprake.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdachte dat zijn bewoordingen slechts zijn aan te merken als ‘straattaal’ en geen dreigend karakter hebben, nu dat op geen enkele wijze uit die bewoordingen zelf of de context waarin deze zijn geuit, volgt.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere bedreigingen met een terroristisch misdrijf jegens blanke mensen.

Partiële vrijspraak met betrekking tot overige uitlatingen van de verdachte

In het onder 1 tenlastegelegde feit zijn nog andere uitlatingen van de verdachte opgenomen. Dat betreft – samengevat en onder verwijzing naar de betreffende gedachtestreepjes in de tenlastelegging – de uitlatingen van de verdachte (1e) dat Nederland en [naam 1] een probleem met hem hebben, (5e) dat alle ongelovige blanken de hel in gaan, (6e) dat hij gewoon geweld gaat gebruiken en (10e) over de Sharia. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze uitlatingen niet worden gezien als bedreigingen met een terroristisch misdrijf tegen blanke mensen, omdat zij te algemeen van aard zijn. Gelet op het verloop van de getapte telefoongesprekken worden een aantal van de genoemde uitlatingen van de verdachte binnen een algemene religieuze context gedaan, zoals de uitlating dat ongelovige blanken de hel in gaan (5e gedachtestreepje), of binnen de context van de coronamaatregelen. Zo begrijpt de rechtbank gelet op de inhoud van het telefoongesprek de 6e uitlating van de verdachte dat hij geweld gaat gebruiken aldus dat de verdachte zich met geweld zal verzetten tegen een coronavaccinatie. Dat levert geen bedreiging met een terroristisch misdrijf op.

De rechtbank zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van bedreiging met een terroristisch misdrijf voor zover het de uitlatingen als opgenomen in de 1e, 5e, 6e, en 10e gedachtestreepjes in feit 1 betreft.

Partiële vrijspraak medeplegen bedreiging

Aan de verdachte is in feit 1 verder ten laste gelegd het medeplegen van bedreiging van blanke mensen met een terroristisch misdrijf.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of ten aanzien van de uitlatingen van [medeverdachte] gedaan tijdens een telefoongesprek op 8 april 2021, opgenomen als de 11e tot en met de 15e gedachtestreepjes in de tenlastelegging, sprake is van medeplegen van een bedreiging met een terroristisch misdrijf jegens blanke mensen. In dat telefoongesprek reageert de verdachte op de uitlatingen van [medeverdachte] door tussendoor een keer te lachen en door later in het gesprek, nadat [medeverdachte] zich nog richt tegen een officier van justitie en zegt dat deze de keuze heeft om hem vrij te laten of te doden, te zeggen “Ja ja, je moet gewoon de druk op hen voeren, want zij zijn de moordenaars”. Hoewel de verdachte niet uitdrukkelijk afstand neemt van de woorden van [medeverdachte] , heeft de verdachte met zijn reactie naar het oordeel van de rechtbank de woorden van [medeverdachte] niet (uitdrukkelijk) bekrachtigd of overgenomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] niet is komen vast te staan.

De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van medeplegen en daarmee van de ten laste gelegde woorden die [medeverdachte] tijdens deze gesprekken heeft gezegd.

3.7

Voorwaardelijk verzoek tot aanhouding

Nu de rechtbank zichzelf voldoende geïnformeerd acht, is het niet noodzakelijk een deskundige te horen en zal zij het voorwaardelijke verzoek van de verdediging - tot aanhouding van de behandeling van de zaak en verwijzing naar de rechter-commissaris voor het horen van een deskundige voor het geval de rechtbank niet op basis van het onderzoek tot een algehele vrijspraak zou concluderen - afwijzen.

3.8

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.

hij in de periode van 17 januari 2021 t/m 17 maart 2021 in Nederland, meermalen, blanke mensen heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, immers heeft verdachte in (afgeluisterde) telefoongesprekken, opzettelijk dreigend de volgende woorden gezegd:

- " Ik pak sowieso blanke mensen, 100% blanke mensen, ik ga ik heb gezegd ik heb gezegd. Ik heb hen gezegd als hij niet vrijkomt dan komen de grootste aanslagen" en

- " Ze moeten weten ik ga hun treffen in hun hart. In hun hart tref ik hun. Kanker vieze Kankerblanken" en

- " en als ik [naam 2] pak, ik snij zijn kop eraf, 100% ik snij zijn kankerkop eraf. [naam 2] , je hoort dat, [naam 2] " en

- " ik ga je doorzeven en laat die blanke dat weten, niet mij wegkomen. Ga je doorzeven" en

- " ik kan heel makkelijk AK47 in Amsterdam, makkelijk geregeld" en

- " ik heb geen macht, ik wil juist graag onthoofden, wil ik graag doen".

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen straf moet volgen, gelet op de bepleite vrijspraak. Voorts heeft de verdediging een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis gedaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen met een terroristisch misdrijf. Hij heeft gedreigd verschrikkelijke aanslagen te plegen op blanke mensen. De verdachte wist dat zijn dreigementen zouden worden gehoord door de politie. Zij hebben de dreigementen van de verdachte – gezien de context waarin deze zijn gedaan en gelet op de verdenking waarvoor de broer van de verdachte vast zit – serieus genomen en nader onderzocht. De verdachte schaart zijn woorden onder straattaal en miskent daarmee de ernst van zijn uitlatingen en mogelijke impact daarvan op de samenleving. Het dreigen met een terroristisch misdrijf is een ernstig, indringend en angstaanjagend delict. Dit soort uitlatingen veroorzaken gevoelens van angst. Daarnaast heeft de verdachte bijgedragen aan de in de maatschappij levende gevoelens van onrust en onveiligheid.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 juli 2021. Daaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland over de verdachte van 18 juli 2021, waaruit volgt dat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek naar zijn geestestoestand of duiding van zijn ideologie. Daardoor was het voor de reclassering onder meer niet mogelijk het risico op recidive in te schatten. Nu de verdachte niet openstaat voor begeleiding of hulpverlening, ziet de reclassering geen meerwaarde in het adviseren van bijzondere voorwaarden.

De straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en het aantal uitlatingen gedaan in een periode van twee maanden, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van feit 2 en onder feit 1 minder bewezen acht dan de officier van justitie, zal zij een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht een gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten twee maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

6.4

Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

Nu de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, zal de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 72, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering het verzoek van de verdediging tot onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Wel zal de voorlopige hechtenis met het oog op artikel 72, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden opgeheven op het moment dat het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf is uitgezeten.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften is toegepast, zoals het ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens geldt.

8 De beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot het horen van een deskundige;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.8 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

bedreiging met een terroristisch misdrijf, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 2 (twee) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

ten aanzien van de voorlopige hechtenis:

wijst af het verzoek tot onmiddellijke opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.P.M. Loos voorzitter,

mr. M. Rigter, rechter,

mr. M. Warmerdam, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.A. Goldstoff, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2021.