Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9623

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
NL21.6983
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeloofwaardig asielrelaas. Toegedichte betrokkenheid Gülenbeweging. Ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.6983


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).


Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E.S. Madran. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1969 en de Turkse nationaliteit te bezitten. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bevriend is geraakt met [Naam 2] die betrokken was bij de Gülenbeweging. [Naam 2] had een tas aan eiser toevertrouwd. Na de arrestatie van [Naam 2] heeft één van zijn persoonlijke chauffeurs deze tas opgehaald. Deze chauffeur is later gearresteerd en heeft toen aan de autoriteiten verteld waar hij de tas met geld had opgehaald. Sindsdien staat eiser in de negatieve aandacht van de autoriteiten en kan hij daarom niet naar Turkije terugkeren.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Identiteit, nationaliteit en herkomst;

  • -

    Toegedichte betrokkenheid bij Gülenbeweging;

  • -

    Problemen als gevolg van de toegedichte betrokkenheid bij Gülenbeweging.

3. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht de toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging en de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig. Daartoe overweegt verweerder dat eiser zijn gestelde relatie met [Naam 2] in het geheel niet met documenten of indicatief bewijs heeft onderbouwd. Gezien de gestelde duur en aard van zijn relatie met [Naam 2] en nu deze relatie bovendien de kern van eisers asielrelaas bevat, mocht dit wel van eiser worden verwacht. Daarnaast heeft eiser inconsistent verklaard over het moment waarop de tas werd opgehaald. Verweerder rekent het eiser ook aan dat hij niet de meest basale verklaringen over de chauffeur kan afleggen, zoals zijn naam. De gestelde oorzaak voor eisers problemen wordt niet geloofwaardig geacht, nu zijn toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging niet geloofwaardig wordt geacht. Eiser heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een geheim strafrechtelijk dossier bestaat over zijn toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Het is daarentegen wel aannemelijk gemaakt dat eiser een zakenman is en als gevolg van zijn zakenleven problemen heeft met de Turkse autoriteiten. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade.

4. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers verklaringen over zijn relatie met [Naam 2] , diens arrestatie en de arrestatie van de chauffeur van [Naam 2] , de kern van eisers asielrelaas raken. Eiser stelt immers dat hij daardoor wegens toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging bij terugkeer te vrezen heeft. Het is allereerst aan eiser om zijn asielaanvraag zo goed mogelijk te onderbouwen met documenten en verklaringen. Voor wat betreft de onderbouwing van zijn relatie met [Naam 2] heeft eiser enkel stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn bedrijf en dat van [Naam 2] allebei werkzaam zijn binnen de meubelindustrie. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat daaruit niet kan worden afgeleid dat [Naam 2] en eiser elkaar persoonlijk kenden. Dat er een inval in het huis en het kantoor van eiser heeft plaatsgevonden, waarbij documenten van de klanten van eiser in beslag zijn genomen, heeft verweerder onvoldoende verklaring kunnen achten voor het ontbreken van ondersteunende documenten of indicatief bewijs. Eiser heeft immers verklaard dat hij een jarenlange vriendschap heeft opgebouwd met [Naam 2] en dat hun gezinnen als familie met elkaar omgaan.1 Het valt dan ook niet in te zien dat eiser in het geheel geen documenten kan overleggen ter ondersteuning van zijn gestelde relatie met [Naam 2] . Nu eiser zijn relaas in zoverre niet met documenten heeft onderbouwd, dient hij zijn relaas aan de hand van zijn verklaringen aannemelijk te maken. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt dat eiser daarin niet is geslaagd.

6. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiser niet meer kan verklaren over de chauffeur, zoals bijvoorbeeld een naam. Eiser heeft verklaard dat de vrouw van [Naam 2] eiser belde met de mededeling dat zij hun chauffeur zou sturen en dat zij daarbij de naam van de persoon doorgaf aan wie eiser het toevertrouwde moest geven.2 Eiser heeft later in de correcties en aanvullingen opgemerkt dat hij niet zelf de vrouw van [Naam 2] heeft gesproken, maar dat het contact via de moeder van eiser liep. Dit neemt echter nog niet weg dat eiser wel heeft verklaard dat de naam van de chauffeur ter verificatie was doorgegeven. Daarnaast heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat de chauffeur een sleutelrol heeft gespeeld tussen eiser en de (negatieve aandacht van de) Turkse autoriteiten, nu deze chauffeur heeft verteld waar hij de tas met geld van [Naam 2] had opgehaald. Zijn zaak werd ook besproken in de Turkse media. Daarom valt niet in te zien dat eiser, al dan niet via zijn advocaat in Turkije, niet meer kan verklaren over de chauffeur of diens strafzaak. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geconcludeerd dat niet valt in te zien dat eiser zelf verdacht wordt van betrokkenheid bij de Gülenbeweging.

7. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich, mede gelet op het voorgaande, niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Turkije problemen heeft ondervonden vanwege toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Verweerder heeft daarbij kunnen tegenwerpen dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde problemen, zoals bijvoorbeeld een uitdraai van het UYAP-systeem.3 Dat eiser geen toegang zou kunnen krijgen tot het UYAP-systeem, al dan niet via zijn advocaat of via E-devlet4, heeft eiser niet onderbouwd. Uit de door eiser overgelegde schermafbeelding blijkt dat eiser bij zijn poging om in te loggen op E-devlet een onjuiste gebruikersnaam of wachtwoord heeft ingevoerd. Verweerder is in het bestreden besluit uitgebreid ingegaan op de diverse mogelijkheden waardoor eiser alsnog toegang zou kunnen verkrijgen tot E-devlet. Eiser heeft niet onderbouwd waarom hij van geen van deze mogelijkheden gebruik kan maken. Eiser heeft ook niet concreet onderbouwd dat, zelfs als hij toegang zou hebben tot het UYAP-systeem, hij zijn relaas nog niet met documenten zou kunnen onderbouwen. Daartoe verwijst eiser naar het Algemeen Ambtsbericht inzake Turkije van oktober 2019 waaruit blijkt dat de Turkse Officier van Justitie een instructie kan geven tot vertrouwelijkheid, waarna partijen in de zaak en hun advocaten geen toegang hebben tot de als vertrouwelijk geclassificeerde informatie. Dit is volgens eiser in zijn situatie ook het geval. Verweerder miskent volgens eiser dat dit wordt ondersteund door de inval en inbeslagname in eisers huis en kantoor en de omstandigheid dat eisers paspoort op het Turkse consulaat in Duitsland in beslag is genomen. Verweerder betwist niet dat deze twee gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, maar betwist wel de gestelde reden daarvoor. In dat kader merkt verweerder op dat wel geloofwaardig wordt geacht dat eiser een zakenman is en dat hij als gevolg van zijn zakenleven problemen in Turkije heeft. Uit een uitdraai van het UYAP-systeem blijkt ook dat eiser door het Turkse Ministerie van Justitie in 2017 en 2018 is aangemerkt als verdachte in een strafzaak in de context van zijn zakenleven. Eiser heeft verklaard dat deze straf inmiddels is omgezet naar een gevangenisstraf.5 Verweerder heeft het niet onvoorstelbaar kunnen achten dat deze zakelijke problemen aanleiding zijn geweest voor de Turkse autoriteiten om een inval in eisers huis en kantoor te doen of om zijn paspoort op het consulaat in te nemen. Dit geldt ook voor het verhoor van eisers secretaresse. Het is aan eiser om de door hem gestelde reden hiervoor – de toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging – aannemelijk te maken. Dit heeft hij echter, gelet op al het voorgaande, niet gedaan.

8. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gelet op zijn zakelijke problemen in Turkije in een dusdanige positie verkeert of komt te verkeren dat sprake is van vluchtelingschap of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat de detentieomstandigheden in (bepaalde) gevangenissen in Turkije slecht zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet onderbouwd dat deze omstandigheden zodanig ernstig zijn dat iedereen die in Turkije gevangen zit een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.6 Bovendien heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser heeft verklaard dat hij niet bang is voor zijn zakelijke problemen, omdat hij deze hoe dan ook wel kan regelen.7

9. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr.N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Rapport nader gehoor, p. 12.

2 Rapport nader gehoor, p. 10.

3 Een juridisch informatiesysteem waar o.a. Turkse staatsburgers hun gegevens kunnen inzien.

4 Het Turkse equivalent van MijnOverheid.

5 Rapport nader gehoor, p. 11.

6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

7 Rapport nader gehoor, p. 19.