Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9622

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
NL21.13209
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vk; spoedvovo hangende bezwaar tegen afwijzing mvv-aanvraag voor Afghaanse vreemdeling; gevraagde voorziening heeft geen voorlopig karakter; spoedeisend belang vanwege actuele situatie in Afghanistan, maar het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen, dus geen evident onrechtmatig besluit; het vereiste van materiële connexiteit verzet zich tegen het aanvullend verzoek tot het verlenen van een humanitair visum dan wel plaatsing van verzoeker op evacuatielijst. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.13209


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Mol).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de op 9 maart 2021 voor verzoeker ingediende aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen (de aanvraag).

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen en een aanvullend verzoek ingediend.

Verweerder heeft op 19 augustus 2021 een verweerschrift ingediend. Verzoeker heeft hierop bij brief van 20 augustus 2021 gereageerd. Verweerder is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, waarna de voorzieningenrechter het onderzoek op 20 augustus 2021 heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.1.

De aanvraag is namens verzoeker ingediend door [naam referente] (referente) in het kader van de procedure Toegang en Verblijf (TEV) met als doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam referente] ’. Referente is geboren op [geboortedatum] in Kabul, Afghanistan, en heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij stelt op 12 september 2020 in Kabul, Afghanistan met verzoeker te zijn gehuwd. Referente heeft op 23 juli 2021 namens verzoeker een tweede aanvraag ingediend tot het verlenen van een mvv waarop nog geen beslissing is genomen.

2.2.

Het primaire besluit

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat niet is aangetoond dat verzoeker en referente zijn gehuwd nu referente niet binnen de door verweerder bij herstelverzuimbrief van 24 maart 2021 (de herstelverzuimbrief) gestelde termijn door middel van een huwelijksakte heeft aangetoond dat zij een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk is aangegaan. Ook heeft zij niet geantwoord op in de herstelverzuimbrief gestelde vragen als hoe en waar zij verzoeker heeft leren kennen. Tot slot heeft referente geen inkomensgegevens overgelegd zodat verweerder niet heeft kunnen vaststellen of zij voldoet aan het middelenvereiste.

2.3.

Bezwaar

Tegen die beslissing heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Hij betwist de ontvangst van de herstelverzuimbrief. Verder stelt hij dat hij met foto’s van het huwelijksfeest en chatgesprekken van januari 2020 tot en met mei 2021, gelet op de frequentie daarvan, heeft aangetoond dat er aan de huwelijksrelatie niet kan worden getwijfeld. In een e-mailbericht van 10 mei 2021 heeft referente uiteengezet hoe zij en verzoeker elkaar hebben ontmoet en hoe hun relatie zich heeft ontwikkeld. Tot slot voert verzoeker aan dat referente duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Daartoe verwijst hij naar een bankafschrift van de werkgever van referent van 28 april 2021, waaruit blijkt dat deze loonbelasting afdraagt. De ingevulde werkgeversverklaring en loonstroken zullen worden nagezonden. Verweerder heeft de ontvangst van het bezwaarschrift bij brief van 20 mei 2021 bevestigd en daarin meegedeeld uiterlijk op 9 november 2021 te zullen beslissen op het bezwaar.

3. Voorziening

3.1.1.

De gevraagde voorziening strekt ertoe om verweerder op te dragen verzoeker te behandelen als ware hij in het bezit van een mvv, per omgaande een mvv af te geven dan wel een humanitair visum te verstrekken dat ofwel in Kabul of in Pakistan kan worden opgehaald. Aanvullend vraagt verzoeker om verweerder op te dragen hem op de evacuatielijst te plaatsen van burgers en Afghanen die door de Nederlandse overheid uit Afghanistan worden geëvacueerd, dan wel verweerder op te dragen zijn naam aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken door te geven, voor evacuatie uit Afghanistan. Meer aanvullend voert verzoeker aan dat zijn belang niet primair is gelegen in het verkrijgen van een mvv maar op plaatsing op de evacuatielijst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dan wel van het Ministerie van Defensie.

3.1.2.

Verzoeker heeft in eerste instantie aangevoerd dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening omdat hij in Kabul verblijft en hij vreest dat hij niet meer naar Nederland kan overkomen als een mvv wordt verstrekt. Ter onderbouwing van het verzoek verwijst verzoeker naar de bezwaargronden. Verder stelt hij te vrezen voor zijn leven omdat hij (logistieke) werkzaamheden heeft verricht voor de Amerikaanse ambassade. Aanvullend voert verzoeker aan dat hij een band met Nederland heeft omdat hij met een Nederlandse vrouw is getrouwd en hier een verblijfsaanvraag ingediend, wat volgens hem door de taliban als landverraad wordt gezien. Hij stelt dat de Nederlandse Staat met het afgeven van het inburgeringscertificaat het signaal heeft afgegeven dat zijn banden met Nederland worden erkend. Verzoeker meent dat hij moet worden behandeld als behorend tot de groep voor evacuatie in aanmerking komende Afghanen die een verhoogd risico lopen als bedoeld in de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer van 18 augustus 2021 (over de uitvoering van de motie Belhaj c.s. over verbreding categorieën tolkenprocedure).

Beoordeling

3.2.

Dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening acht de voorzieningenrechter aannemelijk, gelet op de recente, algemeen bekende ontwikkelingen in Afghanistan en in aanmerking genomen dat verzoeker daar op dit moment verblijft. Een voorziening als door verzoeker gevraagd heeft evenwel geen voorlopig karakter, omdat toewijzing ervan ertoe leidt dat verzoeker Nederland mag inreizen. In het kader van de mvv-procedure, waaraan dit verzoek connex is, staat dat ter beoordeling van verweerder. Bij toewijzing van het verzoek wordt verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Daarom zal een dergelijk verzoek alleen in zeer bijzondere omstandigheden voor toewijzing in aanmerking komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van verweerder bij het handhaven van de afwijzing van de aanvraag zo onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Voor een dergelijke vergaande beslissing is in principe alleen plaats (a) indien een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en (b) sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.

3.3.

Het oordeel van de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van het primaire besluit, dat inhoudt dat de voorzieningenrechter toetst of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.4.

In bezwaar betwist verzoeker de ontvangst van de herstelverzuimbrief en vraagt hij verweerder om een bewijs van verzending.

3.4.1.

De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld (onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:358).

3.4.2.

De adressering van de herstelverzuimbrief is dezelfde als in de aanvraag en het primaire besluit, namelijk het adres van de voormalige gemachtigde van verzoeker. De juistheid van dat adres is niet betwist. Bij de stukken bevindt zich geen verzendadministratie van verweerder, maar daar staat tegenover dat verzoeker geen enkel feit heeft gesteld op grond waarvan de ontvangst van de herstelverzuimbrief redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Nu de herstelverzuimbrief juist is geadresseerd en op voorhand niet kan worden uitgesloten dat verweerder in bezwaar de verzending daarvan aannemelijk maakt met, bijvoorbeeld, schermafdrukken van het gegevensverwerkingssysteem Indigo (van waaruit verweerder stukken geautomatiseerd verzendt, zoals blijkt uit voormelde uitspraak van de Afdeling), heeft die bezwaargrond naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen.

3.5.

Verder heeft verzoeker in bezwaar aangevoerd dat hij en referente een huwelijksrelatie hebben.

3.5.1.

Volgens paragraaf B7/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, onder het kopje ‘Huwelijk en geregistreerd partnerschap’, beschouwt verweerder een huwelijksakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is gehuwd met de referent.

3.5.2.

Verweerder heeft in de herstelverzuimbrief opgemerkt dat referente wel een vertaling en een verklaring van de consulaire afdeling (‘marriage certificate’) heeft opgestuurd, maar niet de onderliggende huwelijksakte. Voor zover verzoeker zich erop beroept dat hij in bewijsnood verkeert, volgt uit vaste jurisprudentie dat hij moet aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van het door verweerder gevraagde document (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2020:2533). Verzoeker heeft echter niet aangetoond welke inspanningen hij heeft verricht om aan de onderliggende huwelijksakte te komen, zodat een eventueel beroep op bewijsnood al daarom niet slaagt.

3.5.3.

De door verzoeker overgelegde foto’s en prints van chatberichten zijn geen bewijsmiddelen als bedoeld in het hiervoor vermelde beleid. Verzoeker heeft daarmee dus niet zonder meer aannemelijk gemaakt dat hij en referente een huwelijksrelatie hebben, wat eveneens geldt voor het e-mailbericht van referente van 10 mei 2021 en de daarin door haar gegeven toelichting. In de omstandigheid dat het huwelijk is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (BRP) heeft verweerder geen grond hoeven te vinden om het gestelde huwelijk als vaststaand gegeven aan te nemen, voor welk oordeel de voorzieningenrechter steun vindt in de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD0246.

3.5.4.

Gelet op het voorgaande heeft ook deze bezwaargrond naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen.

3.6.

Tot slot heeft verzoeker in bezwaar aangevoerd dat referente duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3.6.1.

In het aanvraagformulier wordt verwezen naar de bijlage ‘bewijsmiddelen inkomen’. Daarin wordt gevraagd om, onder meer, over de afgelopen 12 maanden alle loonstroken en de jaaropgave. Ook zonder de herstelverzuimbrief heeft referente dus kunnen weten dat zij onvoldoende bewijsmiddelen heeft overgelegd. Referente heeft wel een arbeidsovereenkomst overgelegd (van 15 maart 2021 met [naam bedrijf] voor de duur van 12 maanden, 36-urige werkweek, met een salaris van € 1.850,- bruto zonder vakantiegeld, punt 7 van de arbeidsovereenkomst) maar geen loonstroken over de afgelopen 12 maanden en ook geen jaaropgave. Het overleggen van één enkel bankafschrift van de werkgever van 28 april 2021 en de daarop door referente gegeven toelichting bij e-mailbericht van 9 mei 2021 staat daaraan niet gelijk.

3.6.2.

Uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 blijkt dat een zelfstandige afwijzingsgrond voor een mvv-aanvraag (reeds) is het feit dat de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Die grond is al voldoende om de afwijzing van de aanvraag te dragen. Deze bezwaargrond heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin een redelijke kans van slagen.

3.7.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar tegen het primaire besluit geen redelijke kans van slagen heeft. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.

3.8.

Verzoeker stelt dat hij te vrezen heeft voor zijn leven omdat hij (logistieke) werkzaamheden heeft verricht voor de Amerikaanse ambassade. Nog daargelaten dat verzoeker die stelling niet heeft onderbouwd en daarvan geen begin van bewijs heeft geleverd, is die stelling in wezen een asielmotief. Dat hoort echter niet thuis in de mvv-procedure waaraan dit verzoek connex is.

3.9.

Verzoeker verwijst verder naar de hiervoor vermelde brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 18 augustus 2021, waarin onder meer staat vermeld: “(…) Het kabinet zal de motie naar letter en geest uitvoeren. De situatie in Afghanistan is hartverscheurend. De afgelopen dagen hebben zich in Afghanistan dramatische ontwikkelingen voltrokken, met grote gevolgen voor het land en de lokale bevolking. Het kabinet deelt de mening van de meerderheid van uw Kamer dat alles op alles zal moeten worden gezet om naast het evacueren van Nederlanders die zich nog in Afghanistan bevinden, de tolken die voor Nederland hebben gewerkt in het kader van een internationale militaire of politiemissie in Afghanistan en de lokale ambassadestaf en hun gezinnen, ook zoveel mogelijk Afghanen te evacueren die voor Nederland of in het kader van de Nederlandse bijdragen aan internationale militaire of politiemissies hebben gewerkt en daardoor een verhoogd risico lopen.(…)” Onder verwijzing naar deze passage stelt verzoeker dat hij moet worden beschouwd als iemand die tot deze groep behoort vanwege zijn banden met Nederland, zoals hiervoor onder 3.1.2. samengevat weergegeven.

3.9.1.

De rechtbank volgt verzoeker niet in dit betoog. De hiervoor vermelde brief biedt geen steun voor de opvatting van verzoeker dat hij vanwege de door hem gestelde banden met Nederland moet worden aangemerkt als iemand die behoort tot de groep waarop die brief het oog heeft. Niet is immers gebleken dat verzoeker voor Nederland of in het kader van de Nederlandse bijdragen aan internationale militaire of politiemissies heeft gewerkt en daardoor een verhoogd risico loopt.

3.9.2.

Maar ook als dat anders zou zijn volgt daaruit niet dat het aanvullende verzoek om verweerder op te dragen verzoeker op de evacuatielijst te plaatsen van burgers en Afghanen die door de Nederlandse overheid uit Afghanistan worden geëvacueerd kan worden toegewezen omdat het vereiste van materiële connexiteit zich hiertegen verzet. Dat vereiste houdt in dat de gevraagde voorziening betrekking moet hebben op het in de hoofdzaak bestreden besluit waaraan het verzoek connex is. Dat is in dit geval het primaire besluit dat alleen gaat over een aanvraag tot het verlenen van een mvv. Het voorgaande geldt ook voor het verzoek om verweerder op te dragen verzoeker een humanitair visum te verstrekken.

Conclusie

4. Gelet op al het voorgaande en bij afweging van de betrokken belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat van zeer bijzondere omstandigheden in dit geval niet is gebleken en dat het verzoek dient te worden afgewezen.

Proceskosten

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.A. Gerde, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.