Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9621

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
NL20.16235
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Egypte. Geloofwaardigheid organiseren van en deelnemen aan stakingen. Onderzoek naar het asielrelaas. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL20.16235


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam 1], eiser

V-nummer: [Nummer]

(gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. M.K. Ruijzendaal en mr. R.A.P.M. van der Zanden).


Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Nieuwland-Helou. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.P.M. van der Zanden.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 1979 en bezit de Egyptische nationaliteit.

2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser kort weergegeven het volgende ten grondslag gelegd. Na een militaire staatsgreep op 30 juni 2013 heeft eiser deelgenomen aan vreedzame massale demonstraties. Daarnaast heeft eiser een drietal stakingen georganiseerd naar aanleiding van het inkorten van salarissen door de overheid, waarvan er één heeft plaatsgevonden in 2012 en één op 1 april 2014. Eiser heeft in deze periode bedreigingen ontvangen via zijn vrienden en via zijn oom, die hij heeft genegeerd. Op 31 december 2015 heeft er bij eiser thuis een huiszoeking plaatsgevonden, waarbij eiser is gearresteerd en gedetineerd. In detentie is eiser gemarteld. Op 14 maart 2016 is eiser op borgtocht vrijgelaten. Eiser is vervolgens gedurende vijftien dagen naar Saoedi-Arabië gegaan voor een bedevaart. Daarna is eiser teruggekeerd naar Egypte. Enige tijd later heeft hij zich met zijn gezin gevestigd in Saoedi-Arabië. Nadat eiser zijn baan in Saoedi-Arabië is verloren, is hij op 29 mei 2019 met een Schengenvisum naar Nederland gegaan. Op 1 juni 2019 is eiser teruggegaan naar Egypte om met zijn kinderen het Suikerfeest te vieren. Op 25 juni 2019 is eiser naar het kantoor van zijn werk gegaan en is hij heengezonden omdat de ambtenaar die hij wilde spreken niet aanwezig was. Een dag later is eiser uit een café ontvoerd en vervolgens gedetineerd. Weer een dag later is eiser in detentie bezocht door een informant genaamd [Naam 2]. Deze [Naam 2] was aanwezig op de door eiser georganiseerde staking van 1 april 2014 en de vrouw van deze [Naam 2] was een collega van eiser. Met [Naam 2] heeft eiser kunnen regelen dat hij op 28 juni 2019 uit detentie is ontsnapt. De broer van eiser heeft daartoe 20.000 Egyptische pond aan [Naam 2] gegeven en een vliegticket voor eiser geregeld. Tijdens een overplaatsing is eiser door tussenkomst van [Naam 2] uit de auto gehaald en in een andere auto geplaatst, die vervolgens met omzeiling van controleposten naar de luchthaven is gereden. Eiser is vervolgens zonder problemen bij de paspoortcontrole naar Nederland gevlogen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.1 Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser heeft deelgenomen aan vreedzame massale demonstraties. Verweerder heeft echter ongeloofwaardig geacht dat eiser een drietal stakingen heeft georganiseerd. Ook heeft verweerder ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft gekregen met de Egyptische autoriteiten. Verder heeft verweerder niet aannemelijk geacht dat eiser door zijn activiteiten in Nederland in de negatieve aandacht van de Egyptische autoriteiten is komen te staan.

4. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan. Eiser heeft op 14 oktober 2020 beroepsgronden met een zestal producties ingediend. Op 16 februari 2021 en 30 juli 2021 heeft eiser aanvullingen op de beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 5 augustus 2021 met een verweerschrift gereageerd op de beroepsgronden. Naar aanleiding daarvan is op de zitting van 11 augustus 2021 namens eiser een pleitnota voorgedragen, die door de griffier aan het dossier is toegevoegd. Verweerder heeft hierop ter zitting gereageerd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Geloofwaardigheid van het asielrelaas

5. Allereerst voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over de stakingen en over de problemen met de Egyptische autoriteiten. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling gelet op het navolgende.

6. In het verweerschrift heef verweerder meegedeeld dat hij niet langer aan eiser tegenwerpt dat hij de stakingen aanvankelijk heeft benoemd als demonstraties. Dit behoeft om die reden verder geen bespreking. Verder blijkt duidelijk uit de besluitvorming dat, anders dan eiser in beroep stelt, zowel ongeloofwaardig wordt geacht dat eiser de drie stakingen heeft georganiseerd alsook dat hij daaraan heeft deelgenomen.

7. Verweerder heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij summiere verklaringen heeft afgelegd over de gestelde stakingen. Zo heeft eiser slechts van één van de stakingen de datum kunnen benoemen. Daarnaast heeft eiser niet kunnen aangeven hoeveel mensen er aanwezig waren. Temeer daar eiser heeft verklaard dat hij de stakingen zelf heeft georganiseerd en dat hij daarbij ook in persoon aanwezig was, mocht van hem worden verwacht hierover meer details te kunnen geven. De stellingen van eiser in beroep dat hij geen fouten heeft willen maken in zijn verklaringen en dat hij wel heeft kunnen verklaren dat het om een staking van leraren ging, doet aan het voorgaande niets af.

8. Ter onderbouwing van dit onderdeel van het asielrelaas heeft eiser gewezen op een filmpje op internet waarop hij is te zien. Verweerder heeft overwogen dat uit dit filmpje niet blijkt dat eiser stakingen heeft georganiseerd. Aangezien dat ook niet blijkt uit de door eiser overgelegde transcriptie van het filmpje, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit terecht heeft overwogen. Verder heeft eiser gewezen op een krantenartikel over een demonstratie wegens verandering in salarissen. Verweerder heeft overwogen dat uit dit artikel niet blijkt dat eiser stakingen heeft georganiseerd of daarbij aanwezig is geweest. Eiser heeft geen aanknopingspunten aangeleverd voor het tegendeel.

9. Ter onderbouwing van de gestelde problemen met de Egyptische autoriteiten heeft eiser een verklaring van het Egyptische Openbaar Ministerie en van de Egyptische rechtbank overgelegd. Het Bureau Documenten van verweerder heeft onderzoek gedaan naar deze documenten en verklaard2 dat er geen oordeel kan worden gegeven over de authenticiteit. Verweerder heeft verder opgemerkt dat de datum van vrijlating in afwachting van het onderzoek op de verklaring van het Openbaar Ministerie met een andere inktsoort is overschreven zonder waarmerk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het voorgaande niet ten onrechte overwogen dat de door eiser overgelegde documenten niet bijdragen aan de geloofwaardigheid. Nu eiser heeft verklaard dat hij nog contacten heeft in zijn land van herkomst, waaronder met zijn advocaat aldaar, heeft verweerder ook niet ten onrechte tegengeworpen dat het niet valt in te zien waarom eiser niet meer documenten heeft overgelegd.

10. Verder heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat het niet aannemelijk is dat eiser meermaals zonder problemen en op legale wijze Egypte heeft kunnen in- en uitreizen terwijl hij naar eigen zeggen problemen had met de Egyptische autoriteiten. Daarbij heeft verweerder terecht meegewogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn wetenschap van een lopende rechtszaak tegen hem. Ook heeft verweerder niet ten onrechte meegewogen dat het niet aannemelijk is dat eiser vanuit Nederland terug zou gaan naar Egypte ondanks dat hij naar eigen zeggen bij de eerdere uitreis uit Egypte is ondervraagd door een brigadier. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte meegewogen dat het niet aannemelijk is dat eiser het voornoemde filmpje op 15 april 2019 op internet zou zetten om vervolgens op 1 juni 2019 Egypte in te reizen in de wetenschap dat hij op borgtocht is vrijgelaten. De stelling van eiser in beroep dat [Naam 2] ervoor heeft gezorgd dat hij niet stond geregistreerd in de systemen van de autoriteiten vindt geen weerslag in eisers verklaringen tijdens het nader gehoor en is ook overigens niet onderbouwd.

11. Ten slotte heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser onaannemelijke en wisselende verklaringen heeft afgelegd over de gestelde ontvoering op 26 juni 2019 en de gestelde ontsnapping op 28 juni 2019. Zo heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien waarom eiser zonder weerstand met twee onbekende mannen zou meegaan. De enkele stelling van eiser in beroep dat hij niet wilde worden beschuldigd van wederspannigheid, kan naar het oordeel van de rechtbank niet verklaren waarom eiser op geen enkele manier weerstand zou hebben geboden. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het tijdstip waarop hij naar het café ging en het tijdstip waarop hij in detentie werd bezocht door [Naam 2]. De niet onderbouwde stelling van eiser in beroep dat er op dit punt sprake is geweest van een vertaalfout van de tolk die bij het nader gehoor aanwezig is geweest, is onvoldoende om hier niet langer vanuit te gaan. Daarnaast heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser niet heeft kunnen verklaren welk aandeel van het aan [Naam 2] betaalde geldbedrag afkomstig was uit zijn vermogen en welk aandeel afkomstig was uit het vermogen van zijn broer.

Onderzoek naar het asielrelaas

12. Eiser voert verder aan dat verweerder zijn asielrelaas onvoldoende heeft onderzocht. Ook daarin kan eiser niet worden gevolgd, gelet op het navolgende.

13. De stelling van eiser dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het voornoemde filmpje kan niet worden gevolgd. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder het filmpje bekeken. Daarnaast heeft verweerder een rapport van bevindingen over de inhoud van het filmpje laten opstellen door een linguïst van TOELT.3 Hoewel het niet de schoonheidsprijs verdient dat verweerder dit rapport eerst bij het verweerschrift aan eiser heeft verstrekt, is eiser hierdoor niet in zijn belangen geschaad omdat ter zitting namens eiser uitgebreid op het rapport is ingegaan. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat verweerder zich onvoldoende heeft vergewist van de inhoud van het rapport.4 Eiser wijst op de door hem in beroep overgelegde transcriptie van het filmpje, maar de inhoud daarvan wijkt niet wezenlijk af van de bevindingen van TOELT.

14. Verder voert eiser aan dat verweerder te weinig waarde heeft gehecht aan de door hem overgelegde documenten. De rechtbank volgt deze stelling niet. Verweerder is, ondanks de verklaringen van Bureau Documenten dat de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, ingegaan op de inhoud van de documenten. Daarnaast is het betreffende onderdeel van eisers asielrelaas niet op het enkel ontbreken van authentieke documenten ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft niet in strijd gehandeld met zijn werkinstructie5 of de door eiser aangehaalde jurisprudentie.6

15. Ook voert eiser aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met landeninformatie en vergelijkbare asielrelazen, de zogenoemde externe geloofwaardigheidsindicatoren. Hierbij wijst eiser erop dat verweerder niet heeft onderkend dat er in Egypte in 2014 stakingen hebben plaatsgevonden en stelt hij dat het ondanks een negatieve aandacht van de autoriteiten mogelijk is om Egypte weer in te reizen mits er nog geen veroordeling heeft plaatsgevonden. Eiser wijst hierbij op diverse algemene bronnen.7 Gelet op de aard van de tegenwerpingen kunnen deze algemene bronnen naar het oordeel van de rechtbank de geloofwaardigheidsbeoordeling niet anders maken. Verweerder heeft namelijk niet ontkend dat er in Egypte in 2014 stakingen hebben plaatsgevonden, noch dat het in theorie mogelijk is om als niet-veroordeelde Egypte in te reizen. Dit laat, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, echter onverlet dat eiser zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook op dit punt heeft verweerder niet in strijd gehandeld met zijn werkinstructies8 of de door eiser aangehaalde jurisprudentie.9

16. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen Forensisch Medisch Onderzoek heeft verricht naar zijn littekens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter op goede gronden overwogen dat hiervoor geen aanleiding bestaat omdat er geen sprake is van sterke aanwijzingen dat eisers littekens zijn veroorzaakt door de gebeurtenissen die eiser in zijn asielrelaas naar voren heeft gebracht. De werkwijze van verweerder is niet in strijd met het beleid,10 de werkinstructie,11 het internationale recht12 of de jurisprudentie13 zoals door eiser aangehaald.

Conclusie

17. Gelet op al het voorgaande volgt de rechtbank verweerder in diens besluit dat eiser niet in aanmerking komt voor de door hem gevraagde asielvergunning. Anders dan in de door eiser aangehaalde uitspraak14 van deze rechtbank en zittingsplaats, zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat bij eiser sprake is van een fundamentele overtuiging. Er mag daarom van eiser bij terugkeer terughoudendheid worden verwacht. De door eiser aangehaalde landeninformatie15 over activisten mist in zoverre toepassing. In beroep zijn door eiser geen aanknopingspunten aangeleverd die aanleiding geven voor het oordeel dat hij door activiteiten in Nederland in de negatieve aandacht is komen te staan van de Egyptische autoriteiten. Nu geen sprake is van een in grote lijnen geloofwaardig relaas, bestaat er geen aanknopingspunt om eiser het voordeel van de twijfel16 te geven.

18. Het beroep is ongegrond.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Verklaringen van onderzoek van respectievelijk 27 januari 2020 en 28 april 2020.

3 Het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal van verweerder. Rapport van 26 februari 2020.

4 Zoals bedoeld in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Werkinstructie 2014/10 ‘Inhoudelijke beoordeling (asiel)’.

6 Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 juni 2016, ECLI:EU:C:2021:478 (L.H. tegen Nederland); Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 18 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3468; Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 6 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3134; Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, 17 januari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:485.

7 Amnesty International, ‘Human rights in the Middle East and North Africa: review of 2018. Egypt’, 26 februari 2019 en het artikel ‘Regels voor het vermelden van luchthavens. Tussen het wachten op aankomst en reisverbod!’ van Hisham Abdul Aziz van 5 juni 2013.

8 De voornoemde werkinstructie 2014/10 en de Werkinstructie 2020/17 ‘Het gebruik van bronnen binnen het asielproces’.

9 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1499.

10 C1/4.4.4 Vreemdelingencirculaire 2000.

11 Werkinstructie 2016/4 ‘Forensische medisch onderzoek naar steunbewijs’.

12 Artikel 18 van de Richtlijn 2013/32/EU (herziene asielprocedurerichtlijn).

13 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 9 maart 2010, nr. 41827/07 (R.C. tegen Zweden); Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 19 september 2013, nr. 10466/11 (R.J. tegen Frankrijk).

14 Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, 24 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8317.

15 Human Rights Watch, ‘World Report 2021: Egypt’; Human Rights Watch ‘Open letter to the European Union and its Member States on Egypt’.

16 Zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn).