Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9567

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
30-08-2021
Zaaknummer
NL21.12925 en NL21.13260
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(aanvullend) tkb:

Omvang rechterlijke toetsing aanvullend tkb.

Bewaring:

niet alle omstandigheden meegewogen bij vraag of met en minder ver strekkend middel kon worden volstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2021/209 met annotatie van Riel, M.L. van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.13260 en NL21.12925


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J. Hofstede),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).


Procesverloop

Op 7 augustus 2021 heeft verweerder een aanvullend terugkeerbesluit genomen (bestreden besluit 1, NL21.13260). Dezelfde dag heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd (bestreden besluit 2, NL21.12925)

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft de beroepen op 19 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Surinaamse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]

Over bestreden besluit 1

De reikwijdte van de rechterlijke toetsing als tegen een aanvullend terugkeerbesluit beroep wordt ingediend

Op 1 juli 2017 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling1van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155, heeft verweerder een aanvullend terugkeerbesluit genomen, en daarin Suriname genoemd als land waarheen eiser moet terugkeren.

In de uitspraak van 2 juni 2021 heeft de Afdeling geoordeeld:

8. In artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn is bepaald dat de staatssecretaris bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn - en dus ook bij het opleggen van een terugkeerbesluit - rekening moet houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van de betrokken vreemdeling en dat hij het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen. [..].

8.1

De arresten FMS e.a., M e.a. en TQ wijzen erop dat het vermelden van het land van terugkeer in een terugkeerbesluit bijdraagt aan de bescherming van de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen. Het moet voor een vreemdeling kenbaar zijn naar welk derde land hij zal worden verwijderd als het op gedwongen terugkeer aankomt. Dan kan hij namelijk eventuele belangen die aan terugkeer naar dat land in de weg staan, zo goed mogelijk naar voren brengen, zal hij beter in staat zijn doeltreffende rechtsmiddelen tegen het terugkeerbesluit aan te wenden (arrest Boudjlida, punten 58 en 59) en zal hij eventueel een passende verblijfsvergunning kunnen aanvragen. Als de staatssecretaris in zijn besluit geen land van terugkeer noemt of een ander land noemt dan het land waarnaar de vreemdeling in de praktijk moet terugkeren, kan dat de belangen van een vreemdeling dus schaden.

De achterliggende gedachte bij nemen van een aanvullend terugkeerbesluit waarin het land van terugkeer wordt benoemd, is dat het voor een vreemdeling kenbaar moet zijn naar welk land hij mogelijk zal worden verwijderd. Als dat een land is waarin hij vreest voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM2 of artikel 4 van het HV3, kan hij besluiten asiel te vragen. Maar bij het nemen van een aanvullend terugkeerbesluit hoeft verweerder zich geen rekenschap te geven van eventuele gewijzigde privé- of familieomstandigheden of andere belangen van een vreemdeling. Die zijn (voor zover aangevoerd) betrokken bij het nemen van het terugkeerbesluit. Dat besluit kan in dit geval niet (meer) bij de bestuursrechter worden aangevochten. Als een vreemdeling meent dat gewijzigde privé- of familieomstandigheden of andere belangen reden zouden moeten zijn hem een verblijfsvergunning te verlenen, kan hij ook dan een daartoe strekkende aanvraag doen.

Dat betekent dat de rechter, als tegen een aanvullend terugkeerbesluit beroep wordt ingesteld en afhankelijk van de daartegen aangevoerde gronden, moet toetsen:

  • -

    of het besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd;

  • -

    of verweerder in redelijkheid het daarin genoemde land als land van terugkeer heeft kunnen aanwijzen en

  • -

    of het besluit op de juiste wijze is uitgereikt.

Die toetsing zal de rechter hierna verrichten, voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven.

De beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden

2.1

Eiser voert aan dat in het besluit ten onrechte is overwogen dat hij door het benoemen van het land van terugkeer niet in zijn belangen is geschaad omdat dat land bij hem bekend was ten tijde van opleggen van het terugkeerbesluit, omdat hem dat in het gehoor voorafgaand aan het opleggen daarvan is meegedeeld. Hij betwist de juistheid van die overweging en stelt dat het verslag van dat gehoor niet in het dossier zit, zodat de juistheid van die overweging niet kan worden gecontroleerd. Eiser stelt dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad. Hij stelt dat het aanvullende terugkeerbesluit daarom onvoldoende is onderbouwd en gemotiveerd en moet worden vernietigd. Omdat in het terugkeerbesluit geen land van terugkeer wordt benoemd is dat geen terugkeerbesluit waarop de maatregel van bewaring mocht worden gebaseerd. Eiser wijst in dat verband op de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155.

2.2

De rechtbank stelt vast dat het betreffende gehoor zich inderdaad niet in het dossier bevindt. Zij verbindt daaraan echter geen consequenties, aangezien eiser ter zitting heeft gezegd dat het voor hem tijdens dat gehoor duidelijk was dat hij naar Suriname moest terugkeren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.1

Eiser betoogt dat tijdens het gehoor voorafgaand aan het nemen van het aanvullende terugkeerbesluit onvoldoende is doorgevraagd naar zijn persoonlijke omstandigheden en belangen en dat daarom het aanvullende terugkeerbesluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser vindt daarvoor van belang dat in het aanvullende terugkeerbesluit staat dat hij geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd en dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van het aanvullende terugkeerbesluit, hoewel hij concrete aanknopingspunten heeft genoemd die erop duiden dat hij mogelijk rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 20 van het VWEU4 en het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. Hij wijst in dat verband op de uitspraken van de Afdeling van 28 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1360 en ECLI:NL:RVS:2021:1346.

3.2

Gelet op wat hiervoor is overwogen over de reikwijdte van de rechterlijke toetsing, slaagt dat betoog niet. De verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 28 juni 2021 kan eiser niet baten, omdat het in die gevallen niet ging om een aanvullend terugkeerbesluit.

Over bestreden besluit 2

4.1

In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.2

Verweerder heeft ter zitting verklaard de grond genoemd onder 4a niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag te leggen.

4.3

Eiser stelt dat verweerder de grond genoemd onder 3c niet aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. Daarvoor vindt eiser van belang dat verweerder deze grond alleen baseert op wat in het verleden is of zou zijn gebeurd. Eiser stelt dat moet worden gekeken naar de situatie zoals die op dit moment is en de acties die eiser recent heeft ondernomen om een paspoort te verkrijgen.

4.4

Dit betoog slaagt niet. Eiser heeft niet bestreden dat hij op 1 juli 2017 een terugkeerbesluit heeft ontvangen waaruit de plicht blijkt Nederland te verlaten, en dat hij daar geen gevolg aan heeft gegeven. Deze grond is daarom feitelijk juist.

4.5

Eiser ontkent voor wat betreft de grond genoemd onder 3f dat hij zijn paspoort heeft weggemaakt. Dit blijkt niet uit het dossier. Eiser is zijn paspoort kwijtgeraakt en heeft toegelicht hoe dit is gekomen.

4.6

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser zijn paspoort heeft verscheurd. De omstandigheid dat eiser geen aangifte zou hebben gedaan van het verlies van zijn paspoort kan niet worden aangemerkt als het zich zonder noodzaak ontdoen van zijn paspoort. Verweerder heeft deze grond daarom niet aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen.

4.7

Voor wat betreft de grond genoemd onder 3i betoogt eiser dat hij niet heeft gezegd dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of dat hij elke vorm van voorbereiding op terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Eiser wijst nogmaals op de stappen die hij recent heeft ondernomen een paspoort te verkrijgen en heeft tijdens het gehoor uitdrukkelijk verklaard dat hij altijd bereid is mee te werken.

4.8

Weliswaar heeft eiser niet uitdrukkelijk gezegd dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer en heeft hij inmiddels een paspoort aangevraagd, maar dat neemt niet weg dat uit alle omstandigheden in samenhang bezien kan worden afgeleid dat eiser Nederland niet wil verlaten. Eiser herhaalt steeds dat hij bij zijn kinderen wil blijven en ook van plan is een aanvraag te doen voor een verblijfsvergunning in Nederland. Eiser heeft zich verder niet maximaal ingespannen om terug te keren.

4.9

Eiser stelt over de grond genoemd onder 4b dat hij altijd een vast verblijfadres heeft gehad, namelijk bij de moeder van zijn kind. Nergens blijkt uit dat zij hem niet meer in huis wil hebben.

4.10

Verweerder heeft deze grond niet aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen. Weliswaar staat eiser niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar dat neemt niet weg dat verweerder niet of onvoldoende heeft betwist dat bij verweerder bekend is waar eiser (al jaren) verblijft en dat vertegenwoordigers van verweerder hem daar ook met enige regelmaat bezoeken. Dat eiser daar niet meer zou mogen wonen heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt.

4.11

Het betoog van eiser dat verweerder de grond genoemd onder 4c niet aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen, slaagt niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij beschikt over zodanige inkomsten dat hij Nederland kan verlaten.

5. De feitelijke gronden genoemd onder 3c, 3i en 4d kunnen de maatregel in beginsel dragen.

6.1

In die gevallen waarin de feitelijke gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen, dient steeds, aan de hand van wat door partijen omtrent het gedrag van de betrokken vreemdeling en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, te worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in het geval van de betrokken vreemdeling daadwerkelijk kunnen dragen of dat verweerder met een minder ver strekkende maatregel had moeten volstaan.

6.2

Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder ver strekkende maatregel dan de maatregel van bewaring doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder mag meewegen dat eiser zich in het verleden niet maximaal heeft ingespannen om aan zijn vertrekverplichting te voldoen. Verweerder heeft echter onvoldoende meegewogen dat eiser zich op dit moment daarvoor wel inspant. Eiser heeft onbetwist in maart 2021 (ruim voor hij in bewaring werd gesteld) een paspoort aangevraagd en voor het in behandeling nemen daarvan de vereiste leges voldaan. Verder heeft eiser naar eigen zeggen heel regelmatig contact met vertegenwoordiger van verweerder. Verweerder heeft dat niet of onvoldoende betwist. Niet valt uit te sluiten dat eiser zich inspant om een paspoort te verkrijgen met als doel verblijfsrecht in Nederland te krijgen, maar dit neemt niet weg dat hij het door die inspanningen ook mogelijk maakt dat hij zo nodig kan worden uitgezet. Deze beroepsgrond slaagt.

Over de beroepen

7.1

Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 20 augustus 2021.

7.2

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, als zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 130,- (verblijf politiecel) en 12 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.460,-.

7.3

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;

  • -

    beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 20 augustus 2021;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.460,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Tegen deze uitspraak, voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Afdeling bestuursrecht van de Raad van State

2 (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

4 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie