Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9566

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
30-08-2021
Zaaknummer
NL21.4652
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag – Iraanse rapper – eerder hoger beroep gegrond verklaard – nieuw besluit – tegenwerpingen niet gerelateerd aan externe geloofwaardigheidsindicatoren – motiveringsgebrek - gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.4652


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).


Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Shiranian. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 1990 en bezit de Iraanse nationaliteit.

2. Eiser heeft op 4 augustus 2018 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vreest voor vervolging door de Iraanse autoriteiten vanwege door hem geschreven rapteksten en poëzie waarin kritiek wordt geuit op de islam en het Iraanse regime. Eiser heeft een groep gesticht met andere rappers waar hij mee samenkwam in parken. Deze bijeenkomsten werden regelmatig verstoord door de ordedienst of politie en eiser is daarbij vijf of zes keer gearresteerd. De man van de nicht van eisers vader was commandant van de kazerne en kon eiser altijd weer vrij krijgen nadat hij was gearresteerd. Op 9 juni 2018 heeft een inval in eisers ouderlijk huis plaatsgevonden. De autoriteiten hebben daarbij eisers laptop en zijn teksten in beslag genomen. Eiser was niet thuis ten tijde van de inval en heeft nadat hij door zijn zus op de hoogte was gesteld van de inval enkele weken ondergedoken gezeten voordat hij Iran heeft verlaten.

3. Bij besluit van 14 november 2019 is eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw1, omdat verweerder niet geloofwaardig acht dat een inval in het ouderlijk huis van eiser heeft plaatsgevonden. Bij uitspraak van 9 januari 20202 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling3 heeft bij uitspraak van 14 juni 20204 het ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen. De Afdeling heeft daarbij geoordeeld dat verweerder zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de inval onvoldoende heeft gemotiveerd.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder wederom eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Net zoals in het besluit van 14 november 2019 acht verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig evenals dat eiser liederen schreef en zong als rapper en hierdoor vijf tot zes keer is gearresteerd. Dat er een inval in het ouderlijk huis van eiser heeft plaatsgevonden, acht verweerder nog steeds niet geloofwaardig. Tot slot acht verweerder ook niet geloofwaardig dat eiser afstand heeft genomen van de islam.

5. Op wat eiser daartegen aanvoert, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 juni 2020 geoordeeld dat verweerder heeft nagelaten om de tegenwerpingen die de Afdeling in rechtsoverweging 2 van deze uitspraak heeft weergeven te relateren aan relevante externe geloofwaardigheidsindicatoren. In rechtsoverweging 2 is vermeld dat het volgens verweerder bevreemdingwekkend is dat de familieleden van eiser hem dit keer niet konden helpen en dat hij van zijn familieleden niet meer informatie heeft kunnen krijgen over de aanleiding van de inval en de aard van de tenlastelegging. Daarnaast is vermeld dat eisers verklaring dat zijn familieleden hem deze keer niet konden helpen omdat hij, anders dan de eerdere keren, wordt beschuldigd van afvalligheid en zijn dossier zich onder een hooggeplaatst geestelijk leider bevindt, door verweerder onvoldoende is bevonden. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank niet heeft onderkend dat verweerder niet heeft gemotiveerd dat en waarom hij eiser bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde inval niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven.

7. In het bestreden besluit heeft verweerder met betrekking tot de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde inval eenmaal verwezen naar een externe geloofwaardigheidsindicator. Verweerder heeft namelijk overwogen dat uit het Algemeen Ambtsbericht Iran van februari 2021volgt dat alle simkaarten in Iran geregistreerd worden bij een eigenaar en dat eiser dus via zijn telefoon getraceerd had kunnen worden door de Iraanse autoriteiten. Dat dit in eisers geval niet is gebeurd, strookt volgens verweerder niet met eisers verklaringen over dat hij werd gezocht door de inlichtingendienst en dat zijn dossier bij een van de belangrijkste personen van het land zou liggen. Verder heeft verweerder in het voornemen van 27 juli 2020 naar het Algemeen Ambtsbericht Iran van maart 2019 verwezen en overwogen dat personen die veel invloed en aanzien hebben in de maatschappij en zich kritisch uitlaten over politieke kwesties in de gaten worden gehouden door de Iraanse autoriteiten en dat niet is gebleken dat eiser invloedrijk of bekend is.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen van de in de uitspraak van de Afdeling genoemde tegenwerpingen heeft gerelateerd aan relevante externe geloofwaardigheidsindicatoren. Gelet daarop heeft verweerder zich in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de inval in het ouderlijk huis van eiser ongeloofwaardig is.

9. Dat het standpunt van verweerder over de ongeloofwaardigheid van de inval onvoldoende is gemotiveerd, maakt ook dat verweerders standpunt over het geven van het voordeel van de twijfel mogelijk in een ander licht komt te staan. Verweerder dient immers te motiveren hoe eisers geloofwaardig bevonden problemen zich verhouden met de ongeloofwaardig bevonden problemen die eiser stelt te hebben ondervonden en dat alles bezien in samenhang met de externe geloofwaardigheidsindicatoren. De rechtbank ziet daarom op voorhand geen aanleiding om de motivering van dit onderdeel van het besluit te toetsen.

10. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb5. Omdat het maken van een geloofwaardigheidsbeoordeling is voorbehouden aan verweerder, zal de rechtbank verweerder opdragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

11. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Bpb6 voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.496 (bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr.W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Zaaknummer NL19.28103.

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

4 Zaaknummer 202000278/1/V2.

5 Algemene wet bestuursrecht.

6 Besluit proceskosten bestuursrecht.