Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9539

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
SGR 21/1743
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

urgentieverklaring - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/1743


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 17 april 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring afgewezen.

In het besluit van 25 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat het vooronderzoek was afgerond, heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat zij het niet nodig achtte om in deze zaak een zitting te houden. Geen van beide partijen heeft binnen de gestelde termijn te kennen gegeven dat zij van hun recht om ter zitting te worden gehoord, gebruik willen maken. De rechtbank heeft daarom met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen


Waar gaat deze zaak over?

1. Op 2 maart 2020 heeft eiser bij verweerder een aanvraag voor een urgentieverklaring voor zijn gezin ingediend op basis van medische gronden. Eiser heeft vanwege medische problemen moeite om trap te lopen, waardoor hij weinig buiten komt. Ook zijn vrouw heeft al lange tijd last van psychische problemen. Verder heeft eiser problemen met de verhuurder. De verhuurder wil de woning namelijk terug voor eigen gebruik en weigert daarnaast iets te doen aan de problemen met muizen en schimmel in de woning.


Wat heeft verweerder besloten?

2. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen en deze afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder stelt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4:5, aanhef en onder b, c, d en g van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (hierna: de Verordening). Volgens verweerder is de gestelde slechte staat van de woning en de grootte van de woning onvoldoende om te spreken van een urgent huisvestingsprobleem.1 Verder kan eiser de gestelde (onderhouds)problemen met de verhuurder van de woning zelf oplossen of met behulp van de Haagse pandbrigade.2 Daarnaast was het huisvestingsprobleem te voorzien, nu eiser sinds december 2018 medische problemen stelt te hebben en toen ook in de huidige woning is gaan wonen. 3 Hij heeft daarbij niet aangetoond dat hij de woning daadwerkelijk moet verlaten. Ook zal een nieuwe woning het huisvestingsprobleem volgens verweerder in onvoldoende mate dan wel niet oplossen.4

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij stelt dat er inhoudelijk onderzoek had moeten plaatsvinden door een GGD-arts en dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen. Eiser voert aan dat hij zijn huidige, ongeschikte, woning uit noodzaak moest accepteren, waardoor hem niet tegengeworpen kan worden dat het huisvestingsprobleem te voorzien was. Vanwege de slechte staat van de woning, in combinatie met de grootte van het huis en het gezin, is volgens hem wel degelijk sprake van een urgent huisvestingsprobleem. Zowel eiser en zijn vrouw kampen daarbij ook nog eens met medische problemen die verslechteren vanwege de woonsituatie. Ook lukt het niet de problemen met de verhuurder op te lossen, nu de verhuurder het gezin onder druk zet om de woning te verlaten.

Wat zijn de regels?

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van de uitspraak.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5.1

De rechtbank overweegt dat een aanvraag om een urgentieverklaring wordt afgewezen als een van de weigeringsgronden van artikel 4:5 van de Verordening van toepassing is. In het geval van eiser zijn vier weigeringsgronden tegengeworpen door verweerder. Een van die weigeringsgronden is dat eiser zijn huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze kan oplossen.

5.2

Uit artikel 2.1.3 van de Beleidsregel volgt dat in ieder geval sprake is van een huisvestingsprobleem dat redelijkerwijs te voorkomen is of op andere wijze op te lossen is, als de aanvrager niet alles wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 4:5, aanhef en onder c, van de Verordening van toepassing is op eiser. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat van eiser mag worden verwacht dat hij er zelf alles aan doet om de problemen in de woning met de verhuurder op te lossen. Niet is gebleken dat eiser dat geprobeerd heeft. De enkele niet-onderbouwde stelling dat de verhuurder hem en zijn gezin onder druk zet om de woning te verlaten, maakt het voorgaande niet anders. Ook heeft verweerder gemotiveerd dat bij eventuele problemen met de verhuurder een melding kan worden gedaan bij de Haagse pandbrigade. Niet is gebleken dat eiser een dergelijke melding heeft gedaan.

5.4

Gelet op het voorgaande voldeed de aanvraag van eiser in ieder geval niet aan de voorwaarde zoals bedoeld in artikel 4:5, aanhef en onder c, van de Verordening en is verweerder terecht niet toegekomen aan een inhoudelijk onderzoek door een GGD-arts. Verweerder heeft de urgentieverklaring dus terecht geweigerd. Wat eiser heeft aangevoerd over de andere weigeringsgronden die zijn tegengeworpen, behoeft daarom geen bespreking.

Wat is de conclusie?

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

BIJLAGE

Huisvestingsverordening Den Haag 2019

Artikel 4:5
Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…]
b. er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem;
c. de aanvrage kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien;
[…]
g. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem niet of in onvoldoende mate opgelost kan worden met verhuizing naar een zelfstandige woonruimte of een andere zelfstandige woonruimte;
[…]

1 Artikel 4:5, aanhef en onder b, van de Verordening, in combinatie met artikel 2.1.2, onder a en c, van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 (hierna: de Beleidsregel).

2 Artikel 4:5, aanhef en onder c, van de Verordening, in combinatie met artikel 2.1.3, onder a, van de Beleidsregel.

3 Artikel 4:5, aanhef en onder d, van de Verordening, in combinatie met artikel 2.1.4, onder c, van de Beleidsregel.

4 Artikel 4:5, aanhef en onder g, van de Verordening, in combinatie met artikel 2.1.7, onder b, van de Beleidsregel.