Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9537

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
AWB 20/6064
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

terugkeerbesluit - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/6064


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 22 mei 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder een terugkeerbesluit aan eiser uitgereikt waarbij eiser is aangezegd dat hij de Europese Unie binnen een termijn van 28 dagen moet verlaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat het vooronderzoek was afgerond, heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat zij het niet nodig achtte om in deze zaak een zitting te houden. Geen van beide partijen heeft binnen de gestelde termijn te kennen gegeven dat zij van hun recht om ter zitting te worden gehoord, gebruik willen maken. De rechtbank heeft daarom met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen


Waar gaat deze zaak over?

1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser, omdat gebleken is dat hij onrechtmatig in Nederland verblijft. Volgens verweerder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waarom afgezien zou moeten worden van het terugkeerbesluit.

Wat vindt eiser?

2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat hem ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiser voert aan dat hij aan alle voorwaarden voldoet voor uitstel van vertrek, waardoor voorzienbaar is dat hij rechtmatig verblijft heeft. Hij kan Nederland namelijk niet verlaten vanwege een geplande oogoperatie. Ten onrechte heeft verweerder niet doorgevraagd naar eisers reden van verblijf in Nederland. Eiser beroept zich hierbij op het dienstbaarheidsbeginsel. Verweerder heeft ten onrechte ook geen rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Tot slot beroept eiser zich op artikel 4:84 van de Awb.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

3.1

Uit artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn en uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een terugkeerbesluit niet meer behelst dan de administratieve vaststelling dat de vreemdeling onrechtmatig in Nederland verblijft en dat volgens de toepasselijke wettelijke bepalingen op hem de verplichting tot vertrek rust.

3.2

De rechtbank is met verweerder eens dat niet is gebleken dat eiser rechtmatig in Nederland verbleef toen hem een terugkeerbesluit werd opgelegd. De niet onderbouwde stelling van eiser dat hij vanwege een geplande oogoperatie aan de voorwaarden voor uitstel van vertrek voldoet, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank overweegt ten overvloede dat hij hiervoor een aparte aanvraag kan indienen.

3.3

De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat verweerder door had moeten vragen naar zijn reden van verblijf in Nederland. Uit het proces-verbaal blijkt namelijk dat aan eiser is gevraagd wat hij in Nederland doet en of er iets is waar de politie rekening mee moet houden. Eiser heeft daarop ook zijn oogoperatie genoemd. Niet is daarom gebleken dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel het dienstbaarheidsbeginsel.

3.4

Het beroep op artikel 4:84 van de Awb slaagt evenmin. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd van welke beleidsregel verweerder had moeten afwijken.

3.5

Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden een terugkeerbesluit opgelegd.


Wat is de conclusie?

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.