Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9522

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
AWB 20/2723
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag mvv voor familie- of gezinslid – duurzame en exclusieve relatie – belangenafweging – hoorplicht - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 20/2723

V-nummer: [Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. M.J. Hofstra.

Procesverloop

In het besluit van 30 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor een mvv1 voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [Naam 2]’ afgewezen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 5 maart 2020 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben ingestemd met behandeling van het beroep zonder zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en doet op grond van artikel 8:57 van de Awb2 uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 1986 en heeft de Turkse nationaliteit. Namens hem heeft mevrouw [Naam 2] (referente) een aanvraag voor een mvv ingediend.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover in beroep nog van belang, gehandhaafd dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een duurzame en exclusieve relatie met referente onderhoudt. Daarbij is onder meer overwogen dat eiser en referente de gestelde relatie niet met bewijs hebben onderbouwd. Aan de overgelegde verklaring van de zus van eiser hecht verweerder geen waarde en de overgelegde foto’s tonen volgens hem evenmin een duurzame en exclusieve relatie aan. De app-berichten tussen eiser en referente zijn, ondanks dat daartoe gelegenheid is geboden, niet vertaald.

3. Eiser voert aan dat aan de verklaring van zijn zus juist (meer) waarde toekomt. Zijn zus kent partijen, zij verklaart uit eigen waarneming en kan die verklaring ook onder ede bevestigen. Het tweedaags bezoek van referente aan eiser kan niet als kortdurend worden aangemerkt. Dat referente hem niet vaker heeft bezocht, ondanks dat zij werk heeft, is te weerleggen juist omdat zij werk heeft. Medewerkers van de IND3 kunnen daarnaast in één oogopslag zien dat de in de Turkse taal gestelde app-berichten een beeld geven van de relatie.

Verder heeft verweerder niet alle door eiser aangedragen omstandigheden betrokken in zijn belangenafweging en wordt geen blijk gegeven van de notie dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit aanzienlijk zijn voor eiser en referente. Dat laatste is in strijd met artikel 3:4, gelezen in verbinding met artikel 4:84, van de Awb. Eiser beroept zich op artikel 8 van het EVRM4 en stelt dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of eiser met referente in Turkije kan samenleven en de vraag of een verhuizing van eiser naar Turkije disproportioneel is. Er is niet voldoende aandacht besteed aan het feit dat het weren van eiser uit Nederland een forse inbreuk genereert op zijn sociale structuur, zijn persoonlijke integriteit en levenssfeer. Hij woont reeds in Nederland en onderhoudt met referente, zijn zus, overige familie en vrienden, meer dan normale, hechte, persoonlijke banden.

Ten onrechte zijn verder eiser noch referente gehoord. Eiser stelt met verwijzing naar de uitspraak5 van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 9 augustus 2016 dat dit wel had gekund. Niet is verwezen naar enige tegenstrijdigheid, maar alleen op beweerdelijk ontbrekende informatie. Niet duidelijk is daarnaast waarom van het horen is afgezien, wat in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Met verwijzing naar de uitspraak6 van 15 juni 2018 van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft verweerder in strijd met de hoorplicht gehandeld nu hij wist dat eiser en referente wensten te worden gehoord.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Duurzame en exclusieve relatie?

4. Het geschil spitst zich toe op de vraag verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser zijn gestelde duurzame en exclusieve relatie met referente niet heeft aangetoond.

5. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw7 kan op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van die wet worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven. Artikel 3.13, eerste lid, gelezen in samenhang met 3.14, aanhef en onder b, van het Vb,8 geeft de mogelijkheid van een verblijfstitel onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid, als sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Van dat laatste is volgens het beleid van verweerder sprake indien de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen.9 Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat aan die voorwaarde wordt voldaan.

6. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie met referente. Verweerder heeft daarbij terecht gesteld dat de vragenlijst in het kader van de aanvraag summier is ingevuld. Verweerder heeft daarbij niet de door eiser gewenste waarde aan de verklaring van eisers zus (die ook een collega is van referente) hoeven toekennen. Zij is niet te beschouwen als een objectieve derde en aan haar verklaring komt daarom beperkte waarde toe. Ook het (wel als kortdurend aan te merken) tweedaagse bezoek van referente aan eiser en de overgelegde foto’s maken niet dat daarom de gestelde relatie moet worden aangenomen. Over de gestelde, maar niet aannemelijk gemaakte, onmogelijkheid voor referente om eiser vaker te bezoeken, heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat deze uitleg niet bijdraagt aan het standpunt dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Ook de app-gesprekken kunnen niet bijdragen aan dat standpunt omdat deze gesprekken niet zijn vertaald. Het ligt wel op de weg van eiser en referente om dergelijke app-gesprekken te vertalen indien zij daarop een beroep wensen te doen. Al met al is de gestelde duurzame en exclusieve relatie onvoldoende onderbouwd.

De belangen van eiser en referente

7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de belangen van eiser en referente niet dwingen tot andere besluitvorming. Voor wat betreft de meer dan gebruikelijke banden van eiser met familie in Nederland heeft verweerder opgemerkt dat deze banden niet nader zijn onderbouwd en dat hiervoor een (andere) aanvraag moet worden ingediend, namelijk voor verblijf bij die familieleden. Schending van het recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM is niet aan de orde nu geen sprake is van een dergelijk privéleven in Nederland. In beroep heeft eiser wel gesteld dat hij in Nederland woont, maar dit is door verweerder weersproken en verder niet door eiser onderbouwd. Verweerder heeft daarnaast terecht opgemerkt dat een eventueel privéleven zoals door verweerder in deze procedure ook niet aan eiser wordt onthouden of ontnomen. Van onevenredige gevolgen van de besluitvorming van verweerder is de rechtbank niet gebleken.

Hoorplicht

8. Verweerder heeft verder kunnen afzien van het horen van eiser en referente nu hij er terecht op heeft gewezen dat zij in bezwaar geen nieuwe informatie hebben ingebracht en zij overigens voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om de gestelde relatie nader te onderbouwen. Van een schending van artikel 7:3 en 7:12 van de Awb is niet gebleken. Uit de door eiser aangehaalde jurisprudentie volgt niet dat verweerder verplicht was om eiser en referente te horen nu hij het ingebrachte bewijs als onvoldoende heeft bestempeld. Dat eiser en referente kenbaar hebben gemaakt dat zij wensten te worden gehoord leidt ook niet tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het horen.

Slotsom

9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat geen van de beroepsgronden slaagt. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. van Loon, griffier, op 19 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Machtiging tot voorlopig verblijf.

2 Algemene wet bestuursrecht.

3 Immigratie- en Naturalisatiedienst.

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

5 ECLI:NL:RBDHA:2016:10837.

6 ECLI:NL:RBDHA:2018:7140, r.o. 6.

7 Vreemdelingenwet 2000.

8 Vreemdelingenbesluit 2000.

9 Par. B7/3.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.