Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9504

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
C/09/613069 / FA RK 21-3773
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: FA RK 21-3773 / C/09/613069

Datum uitspraak: 10 augustus 2021

Beschikking van de Enkelvoudige Kamer

Beëindiging gezag

in de zaak naar aanleiding van het op 26 mei 2021 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats]

hierna ook te noemen: [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

[de vrouw] ,
de moeder,
wonende te [woonplaats] ,

de gecertificeerde instelling:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, waaronder het raadsrapport d.d. 25 mei 2021;

  • -

    de brief d.d. 30 juli 2021 van [minderjarige] .

Op 10 augustus 2021 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. De zaak is gecombineerd behandeld met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (zaaknummer C/09/615033 / JE RK 21-1712). Daarbij zijn verschenen:

  • -

    mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;

  • -

    de heer [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar begeleider.

De vader is conform de wettelijke vereisten opgeroepen, maar niet verschenen.


[minderjarige] heeft zijn mening schriftelijk kenbaar gemaakt per brief d.d. 30 juli 2021.

Feiten

  • -

    Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.

  • -

    De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

  • -

    De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 10 september 2020 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 27 september 2020 tot 27 september 2021.

  • -

    [minderjarige] verblijft feitelijk bij de moeder.

Verzoek

De Raad verzoekt het gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen.

Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. De ouders zitten niet op één lijn ten aanzien van de hulpverlening voor [minderjarige] . De vader geeft geen uitvoering aan zijn gezag, sluit niet aan bij belangrijke overleggen en zet zijn handtekening niet voor noodzakelijke hulpverlening. Hierdoor is het erg moeizaam om hulpverlening voor [minderjarige] in te schakelen. De houding van de vader leidt bij [minderjarige] tot paniek en onrust. [minderjarige] heeft weinig zelfvertrouwen, is bang om te falen en heeft moeite met het aangaan van sociale contacten. Hij heeft in het verleden veel last gehad van de uiteenlopende opvoedingsstijlen van de ouders en had hierdoor vaak lichamelijke klachten zoals hyperventilatie en hoofd- en buikpijn. Sinds december 2020 is er geen contact meer tussen [minderjarige] en de vader. In de toekomst moet worden gekeken in hoeverre dat weer kan worden opgezet. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de voorwaarden en keuzes van [minderjarige] .

De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. De vader verleent geen medewerking om de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten.

De moeder heeft ingestemd met het verzochte. Ze is al lange tijd bezig om alles voor elkaar te krijgen voor [minderjarige] zonder de medewerking van de vader. Hierdoor heeft het lang geduurd voordat alles was geregeld. Inmiddels is er meer rust en regelmaat en kan [minderjarige] stappen zetten in zijn ontwikkeling.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader geen uitvoering geeft aan zijn gezag. Hij sluit niet aan bij belangrijke overleggen en zet zijn handtekening niet voor noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] , waardoor deze langzaam op gang komt. De vader heeft geen contact meer met [minderjarige] en is niet betrokken bij zijn opvoeding en ontwikkeling. In het verleden heeft [minderjarige] veel last gehad van de verschillende opvoedstijlen van de ouders. Hierdoor zat hij klem tussen de ouders en had hij last van spanningen en lichamelijke klachten. Het is van belang dat er duidelijkheid komt voor [minderjarige] wie de belangrijke beslissingen over hem maakt zodat er rust komt voor hem en de benodigde hulpverlening zonder vertraging kan worden ingeschakeld. De rechtbank zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader daarom toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van

de vader: [de man] geboren op [geboortedag 2] 1971 te [geboorteplaats]

over de minderjarige:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats]

gelast de griffier deze beslissing te laten aantekenen in het gezagsregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2021 door mr. M. van Loenhoud, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van V.A.H. Schoorl als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 augustus 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.