Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9405

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
NL21.12616
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vovo afgewezen. Verzoeker zit in bewaring. Overdracht aan Roemenië. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Niet onderbouwd dat Roemenië Afghaanse Dublinterugkeerders in strijd met art. 3 EVRM uitzet naar Afghanistan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.12616


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek).

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoeker aan Roemenië zal worden overgedragen.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL21.12612). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om de overdracht te verbieden in afwachting van de uitkomst van het beroep

Verweerder heeft op 4 augustus 2021 gevraagd om het verzoek om voorlopige voorziening met voorrang te behandelen omdat verzoeker in bewaring is gesteld.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 augustus 2021 op zitting behandeld. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter is bevoegd om in afwachting van de uitkomst van het beroep van verzoeker een voorlopige voorziening te treffen als dat nodig is vanwege onverwijlde spoed en gelet op de betrokken belangen.1 Hoewel verzoeker de behandeling van het verzoek in Nederland mag afwachten, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met voorrang op het verzoek te beslissen. Verzoeker zit in bewaring. Dit heeft tot gevolg dat hij binnen zes weken na de aanvaarding van het terugnameverzoek moet worden overgedragen.2 Het enkel indienen van het verzoek om voorlopige voorziening heeft geen opschortende werking.

2. Niet in geschil is dat verzoeker eerder in Roemenië een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan en dat Roemenië als verantwoordelijke lidstaat op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening heeft ingestemd met de terugname van verzoeker.

3. Verzoeker stelt dat overdracht aan Roemenië mogelijk leidt tot indirect refoulement, omdat niet is gebleken dat de Roemeense autoriteiten Afghaanse burgers niet naar Afghanistan uitzetten. Het is voor verzoeker niet veilig in Afghanistan. Hij wijst daarbij op het besluit- en vertrekmoratorium voor Afghanistan dat door verweerder is ingesteld.3

4. De voorzieningenrechter overweegt dat de Roemeense autoriteiten met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben toegezegd om het verzoek om internationale bescherming van verzoeker in behandeling te nemen. Daarbij zijn zij gebonden aan het verbod van refoulement zoals opgenomen in artikel 3 van het EVRM4 en artikel 4 van het Handvest.5 Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden aangenomen dat Roemenië zich aan deze verplichting houdt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft recent bevestigd dat in het geval van Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.6

5. Verzoeker heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft op geen enkele manier onderbouwd dat Roemenië Afghanen die bij de uitvoering van de Dublinverordening aan Roemenië worden overgedragen in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest worden uitgezet naar Afghanistan. Het besluit- en vertrekmoratorium voor Afghanistan ziet niet op de uitvoering van de Dublinverordening.

6. Gelet op het voorgaande valt te verwachten dat het beroep ongegrond zal worden verklaard, zodat er geen reden is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

2 Artikel 28, derde lid, van Verordening EU 604/2013 (Dublinverordening).

3 Brief van verweerder van 11 augustus 2021 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer.

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

5 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

6 Uitspraken van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645 en ECLI:NL:RVS:2021:1701.