Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9333

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
10-09-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2543
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

terugbetalingsverplichting opleiding, verdere matiging terug te vorderen bedrag omdat niet vastgesteld kan worden dat verweerder voldaan heeft aan vereiste van geven van voldoende voorlichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/2543

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Blekman),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.M. Ju).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een terugbetalingsverplichting opgelegd van € 34.779,84,-.

Bij besluit van 21 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit deels herroepen en is overgegaan tot verdere matiging van het terug te vorderen bedrag, tot € 17.390,-.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2021 door middel van een skype-verbinding.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser is majoor bij de luchtmacht, laatstelijk in de functie van senior medewerker exportcontrole. In het kader van het Plan Aanpak Export Contol hebben eiser en nog drie collega’s de master International Trade Compliance aan de University of Liverpool gevolgd. Uit het eerste jaar heeft eiser één module niet gehaald. Het tweede jaar heeft eiser wel alle modules gehaald maar niet de thesis. Eiser is voor zijn thesis beschuldigd van plagiaat.

Wat heeft verweerder besloten?

2 Verweerder heeft aan eiser een terugbetalingsverplichting opgelegd omdat eiser zelf besloten heeft te stoppen met de opleiding. Daarmee is verweerder voor een voldongen feit geplaatst. Daarnaast wordt eiser een passieve houding verweten rondom de beschuldiging van plagiaat en het onderzoeken van mogelijkheden om de niet behaalde module alsnog te behalen. Het stoppen van de opleiding was onnodig, op eigen initiatief en daarom aan eiser verwijtbaar.

In het bestreden besluit heeft verweerder het terug te vorderen bedrag gematigd met 50% omdat de opleiding is gevolgd zonder dat van te voren duidelijke afspraken zijn gemaakt. Na het niet halen van de opleiding is eiser in dienst gebleven zodat is geprofiteerd van de door eiser verworven kennis. Daarnaast heeft eiser zijn leidinggevende geïnformeerd over zijn studievoortgang, het plagiaat en zijn plannen rondom het herkansen van de openstaande module. Eiser was daarmee in de veronderstelling dat hij de twee niet gehaalde vakken zou kunnen herkansen in Nederland. Omdat de leidinggevende niets richting de organisatie gedaan heeft met deze kennis komt dat voor rekening van verweerder.

Wat vinden partijen in beroep?

3 Eiser is van mening dat het niet succesvol afronden van de opleiding niet op hetzelfde neerkomt als het worden ontheven uit de opleiding zoals bedoeld in artikel 16e, eerste lid, aanhef en onder a, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR)

Eiser heeft de opleiding immers wel voltooid maar alleen niet op alle onderdelen met een goed resultaat. Eiser stelt zelfs dat hij de opleiding met lof heeft afgesloten.

Subsidiair ontkent eiser dat hem een verwijt gemaakt kan worden door zijn handelwijze ten aanzien van de thesis. Eiser kon de opleiding al niet meer met goed gevolg afronden omdat hij de maximale herkansingsmogelijkheden voor de ontbrekende module al had benut. De verontwaardiging van verweerder over de gang van zaken ten aanzien van de thesis is misplaatst aangezien eiser zijn leidinggevende altijd geïnformeerd heeft over zijn studie en bijbehorende problemen. Dit wordt door verweerder erkend tezamen met het feit dat er voorafgaande aan de studie geen duidelijke afspraken zijn gemaakt met eiser. Onduidelijk is of het eiser nog wordt tegengeworpen dat hij de laatste module niet herkanst heeft.

Verder benadrukt eiser dat hij niet zelf verzocht heeft om de cursus te mogen volgen maar dat hij daartoe is aangewezen. Indien hij van meet af aan op de hoogte was van het risico dat hij ruim €40.000 zou moeten terug betalen, had hij bezwaar gemaakt tegen de aanwijzing dat eiser de opleiding moest volgen. Eiser was in de veronderstelling dat de terugbetalingsplicht alleen zou gelden als hij defensie zou verlaten. Hij heeft een technisch uitvoerende functie en is niet gewend om dagelijks om te gaan met teksten en beleidsstukken te schrijven.

Tot slot meent eiser dat hem ten onrechte het verwijt van een passieve houding wordt gemaakt. Verweerder probeert dit beeld te schetsen door het overleggen van de notitie van loopbaan coördinator Elferink dat is gevoegd bij het verweer van 11 oktober 2019, het voorgenomen ambtsbericht van 2 oktober 2019 en het ambtsbericht uit 2017. Eiser ervaart dit als stemmingmakerij, in al zijn 32 jaar dienst zijn hem nooit dergelijke verwijten van onverschilligheid gemaakt.

4 Verweerder handhaaft in het verweerschrift en ter zitting zijn eerder ingenomen standpunt.

Wat zijn de regels?

5 De relevante regels staan in de bijlage, die bij de uitspraak hoort.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat sprake is van ontheffing van de opleiding. Immers bestaat er geen onduidelijkheid over het feit dat eiser de opleiding niet succesvol heeft afgerond. Dat eiser wel alle vakken gevolgd heeft en een thesis geschreven heeft, maakt dat niet anders. Voor het succesvol afronden van een studie is vereist dat alle voorgeschreven onderdelen worden behaald. De rechtbank stelt vast dat artikel 16e van het AMAR van toepassing op zowel een gevolgde opleiding op grond van artikel 14 als wel op grond van artikel 16 van het AMAR. In zoverre maakt het niet uit dat verweerder in zijn besluitvorming niet heeft onderkend dat eiser de opleiding niet zelf heeft aangevraagd.

De terugbetalingsverplichting van artikel 16e van het AMAR is daarmee wel van toepassing op eiser.

Bij het vaststellen van het bedrag dat terugbetaald moet worden heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid. De rechtbank dient daarom terughoudend te toetsen of verweerder in redelijkheid tot deze afweging heeft kunnen komen. Ter beoordeling staat derhalve of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot dit besluit kon komen. Verweerder heeft bij zijn afweging voorop gesteld dat hij tot een evenwichtige verdeling van de risico’s tussen werknemer en werkgever dient te komen.

Verweerder heeft ter zitting onderkend dat het niet succesvol afronden van een opleiding, omdat het niveau van de opleiding te hoog gegrepen is, niet verwijtbaar is. Eiser is er ondanks meerdere herkansingen niet in geslaagd de laatste module succesvol af te ronden. Ook de tweede versie van zijn thesis bleek na beoordeling door de hoogste leidinggevende in Nederland van een onvoldoende niveau. De rechtbank kan verweerder echter wel volgen in zijn betoog dat eisers houding rondom het verder herkansen van de laatste module, het niet verschijnen op de bijeenkomst over het plagiaat en het onvoldoende leveren van inspanningen om alsnog een andere versie van de thesis in te leveren, in het nadeel van eiser meegewogen mag worden.

Verweerder is tot een korting van 50% gekomen door de volgende aspecten mee te wegen: het gebrek aan duidelijke afspraken voorafgaande aan de opleiding, de omstandigheid dat eiser na het niet behalen van de opleiding in dienst is gebleven, zodat geprofiteerd is van de door eiser verworven kennis, het informeren van eisers leidinggevende over zijn studievoorgang, het plagiaat en eisers houding rondom het herkansen en het plagiaat.

De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder het gebrek aan duidelijke afspraken onvoldoende zwaar heeft laten meewegen in zijn afweging. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser de opleiding op verzoek van verweerder gevolgd heeft. Daarbij verkeerde eiser in de veronderstelling dat een terugbetalingsverplichting alleen aan de orde kon komen indien hij niet vier jaar in dienst zou blijven. Eiser heeft een e-mail overgelegd van zijn toenmalige leidinggevende Weijers van 29 juli 2019, waarin deze naar aanleiding van de terugbetalingsverplichting schrijft:

“Dit houdt in dat er van jullie wordt verwacht dat jullie na slagen van de opleiding nog 4 jaar op dezelfde functie of binnen dezelfde afdeling werkzaam zullen zijn. Indien organisatiebelang anders vraagt (MD traject, artikel 17 overplaatsing etc.) zal de terugbetalingsverplichting niet opgelegd worden. Wanneer wel? Bijvoorbeeld als jullie zelf ontslag bij defensie willen nemen.”

Het betoog van eiser dat de focus bij een terugbetalingsverplichting ligt op de dienverplichting en niet op het niet succesvol afronden van de opleiding kan de rechtbank niet verifiëren, maar uit voor haar beschikbare informatie1 komt dit beeld wel naar voren. Omdat verweerder erkent dat in het geval van eiser sprake is van een gebrek aan duidelijke afspraken voorafgaande aan de opleiding is de rechtbank van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verweerder voldaan heeft aan het vereiste van het geven van voldoende voorlichting. De omstandigheid dat eiser, naast het ontbreken van duidelijke afspraken over het succesvol afronden van de opleiding, onvoldoende geïnformeerd is over de gevolgen van het niet behalen van de opleiding maken daarom dat er naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid een extra korting van 25% gegeven had moeten worden.

Conclusie

7 Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het kortingspercentage bij de terugbetalingsverplichting wordt bepaald op 75%. Het primaire besluit wordt daarom herroepen.

8 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.030,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, bepaalt dat het kortingspercentage voor de terugbetalingsverplichting 75% bedraagt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.030,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Algemeen militair ambtenarenreglement

Artikel 16e Terugbetalingsverplichting opleidingskosten

1. Aan de aanwijzing voor een opleiding, als bedoeld in artikel 13 tot en met 16a, kan door Onze Minister de verplichting worden verbonden tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de kosten van de opleiding, indien de militair na het verstrijken van de voor hem geldende proeftijd:

a.in verband met aan hem te verwijten omstandigheden wordt ontheven van de opleiding;

b.in verband met aan hem te verwijten omstandigheden wordt ontheven van de functie waarvoor hij is opgeleid;

c.uit de dienst wordt ontslagen, op grond van artikel 39, eerste lid of tweede lid, onder e, ten 1e, h, j, k, l, m of n, of artikel 45.

2 Bij de berekening van het terug te betalen bedrag wordt uitgegaan van een evenwichtige verdeling van risico's tussen werkgever en werknemer.

3 Het bedrag van de terugbetalingsverplichting in geval van een initiële opleiding, als bedoeld in artikel 13, wordt naar evenredigheid verminderd naarmate de termijn van de hem op basis van artikel 12k van de Militaire Ambtenarenwet 1931 opgelegde verplichting is verstreken met dien verstande dat de periode van de proeftijd hierbij meetelt.

4 Het door de militair terug te betalen bedrag wordt als volgt vastgesteld:

a.voor het deel van de opleiding dat is gevolgd binnen het Ministerie van Defensie: overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde kosten van die opleiding per cursist;

b.voor het deel van de opleiding dat is gevolgd buiten het Ministerie van Defensie: de opleidingskosten die rechtstreeks door het Ministerie van Defensie aan die onderwijsinstelling zijn betaald;

c.de militaire inkomsten die volgens het Inkomstenbesluit militairen zijn ontvangen tijdens een:

(1)opleiding, die is gevolgd bij een externe onderwijsinstelling, met volledige vrijstelling van het verrichten van arbeid: over de werkdagen voor de volle duur van die opleiding waarop de militair is vrijgesteld van werkzaamheden en diensten als militair,

(2)opleiding, die is gevolgd bij een externe onderwijsinstelling, met gedeeltelijke vrijstelling van het verrichten van arbeid: over de werkdagen van die opleiding waarop de militair is vrijgesteld van werkzaamheden en diensten als militair,

verminderd met het minimumloon over die periode, vastgesteld conform hetgeen is bepaald bij en krachtens de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag.

5 De militair op wie een terugbetalingsverplichting rust, wordt ontslagen van die verplichting, indien hij bij ontslag op aanvraag, als bedoeld in artikel 39, eerste lid, binnen zes maanden na dat ontslag wordt aangesteld als ambtenaar bij het Ministerie van Defensie.

6 Het door de militair terug te betalen bedrag is direct opeisbaar, wanneer een omstandigheid, als bedoeld in het eerste lid, zich voordoet, en wordt in beginsel in één termijn voldaan. Onze Minister kan een afbetalingsregeling treffen.

7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van dit artikel.

1 Zie bijvoorbeeld informatiebulletin van de ACOM, 2020, nummer 2