Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9315

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
09/085748-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van oplichting. Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders voorgedaan als een minderjarig meisje dat tegen betaling een seksdate wilde met het slachtoffer.

Op de afgesproken plek hebben zij zich voorgedaan als pooiers van dat meisje. Door deze onjuiste voorstelling van zaken is het slachtoffer bewogen tot afgifte van zijn geld en telefoon. De verdachte en zijn mededaders wilden het slachtoffer confronteren met zijn gedrag. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij voor eigen rechter heeft willen spelen. Opgelegd wordt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 120 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/085748-21

Datum uitspraak: 24 augustus 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P. de Mos en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B. van Elst

naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 oktober 2020 te Zoetermeer, op de openbare weg, de

[adres 2], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een

mobiele telefoon (merk Samsung) en/of een geldbedrag (bankbiljet 50 euro), in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met

het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (voorzien van

gezichtsbedekking)

- [slachtoffer] vast te pakken en/of te zeggen dat hij rustig moest doen en/of

- [slachtoffer] te dwingen mee te lopen naar een (verlaten) poortje en/of

- op dreigende toon tegen [slachtoffer] te zeggen dat hij zijn mobiele telefoon moest

afgeven en/of te vragen wat hij had afgesproken qua prijs en/of

- op zeer korte afstand van [slachtoffer] een mes en/of een boksbeugel te tonen en/of

een dreigende (slaande) houding aan te nemen met die boksbeugel;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 oktober 2020 te Zoetermeer, op de openbare weg, de

[adres 2], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met

het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een

mobiele telefoon (merk Samsung) en/of een geldbedrag (bankbiljet 50 euro), in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde, door (voorzien

van gezichtsbedekking)

- [slachtoffer] vast te pakken en/of te zeggen dat hij rustig moest doen en/of

- [slachtoffer] te dwingen mee te lopen naar een (verlaten) poortje en/of

- op dreigende toon tegen [slachtoffer] te zeggen dat hij zijn mobiele telefoon moest

afgeven en/of te vragen wat hij had afgesproken qua prijs en/of

- op zeer korte afstand van [slachtoffer] een mes en/of een boksbeugel te tonen en/of

een dreigende (slaande) houding aan te nemen met die boksbeugel;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 oktober 2020 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een mobiele telefoon (merk Samsung) en/of een geldbedrag (bankbiljet 50 euro), door

- in strijd met de waarheid zich voor te doen als een (minderjarig) meisje genaamd “ [naam] ” en/of “ [naam] ” en/of “ [naam] ” en/of

- onder de naam en/of in de hoedanigheid van die “ [naam] ” een (seksueel getinte) afspraak te maken met die [slachtoffer] en/of

- ter plaatse zich voor te doen als de vertegenwoordigers van die “ [naam] ” en/of tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij het met “ [naam] ” afgesproken geldbedrag en/of zijn mobiele telefoon aan hen moest afgeven en/of

- een woning te wijzen waar de gefingeerde afspraak zou plaatsvinden en/of tegen die [slachtoffer] te zeggen “Einde van deze poort, het eerste huis moet je hebben, je hebt een uur de tijd”.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de primair tenlastegelegde diefstal met geweld in vereniging en tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde afpersing in vereniging.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van oplichting op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezenverklaard.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.3.1

Bewijsmiddelen

[slachtoffer] (hierna: aangever) heeft aangifte gedaan van beroving van zijn mobiele telefoon van het merk Samsung. Aangever had op een chatsite, genaamd ‘[-]’, een afspraak gemaakt voor een date. Degene met wie hij deze afspraak had gemaakt, noemde zichzelf ‘ [naam] ’ of ‘ [naam] en adverteerde met een ‘paydate’. Zij heeft op de chatsite gezegd dat zij op zoek is naar mannen en graag extra geld wil verdienen. ‘ [naam] ’ had het adres [adres 2] in Zoetermeer aan aangever doorgegeven. Aangever is op 30 oktober 2020 na zijn werk naar dit adres toegegaan. Aangekomen bij de woning, zag aangever dat het binnen volledig donker was. Toen aangever contact wilde opnemen met ‘ [naam] ’, zag hij vanuit zijn ooghoek drie personen uit een nabijgelegen poortje komen. Twee van deze jongens kwamen direct naar hem toe lopen en vroegen aan hem wat hij kwam doen. Aangever zei dat hij een afspraak had met een meid die hij via het internet had gesproken. Aangever moest meelopen naar een poortje schuin tegenover het huis op de [adres 2] , waar één van de jongens vervolgens aan aangever vroeg om zijn telefoon af te geven. Ook vroeg hij aan aangever wat hij had afgesproken met het meisje qua prijs. Aangever haalde € 50,-- tevoorschijn, die de jongen ook afpakte. Daarna zei de jongen tegen aangever: “Einde van deze poort, het eerste huis moet je hebben. Je hebt een uur de tijd”. Aangever

zei dat hij zijn telefoon terug wilde hebben. De jongen vertelde dat dat niet kon. “Er worden geen beelden gemaakt”, zei één van de jongens. Aangever liep richting het huis waar de jongens hem naartoe hadden gestuurd, maar zag al snel dat daar een gezin woonde. Aangever zag dat de jongens ineens gevlucht waren.2

[verdachte]) heeft op 16 april 2021 bij de politie verklaard dat hij met zijn [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] ), nadat zij over “pedo’s hunten” hadden gehoord, in een chatroom op ‘[-]’ met aangever hebben gesproken. De verdachten gebruikten de naam ‘ [naam] ’. Aangever wilde afspreken, waarbij het duidelijk was dat ‘ [naam] ’ een minderjarig meisje was. [verdachte] heeft verklaard dat ‘ [naam] ’ met aangever heeft afgesproken en dat hij met zijn medeverdachten naar de afgesproken plek is toegegaan. Ze hebben aan aangever gevraagd wat hij daar deed. Aangever zei dat hij een afspraak had met een meisje. De verdachten hebben hem gevraagd wat hij met haar had afgesproken. Aangever antwoordde

€ 50,-- en heeft dat geldbedrag aan de verdachten overhandigd. Het was een soort babbeltruc volgens [verdachte]. De verdachten hebben gezegd: “Er wordt in de woning niet gefilmd of gefotografeerd”, waarop aangever aan hen zijn mobiele telefoon heeft afgegeven. Hierop hebben ze aangever naar een woning gestuurd waar niemand was, waarna ze de benen hebben genomen.3

[medeverdachte 2] heeft op 16 april 2021 bij de politie verklaard dat hij de app ‘[-]’ heeft gedownload en daarop een account heeft aangemaakt alsof hij een 14-jarig meisje was.

Hij heeft verklaard dat zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] vrienden van hem zijn. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat in de gesprekken met aangever om geld werd gevraagd, omdat de date dan echter leek. [medeverdachte 2] is bij het incident met aangever geweest op 30 oktober 2020.4

[medeverdachte 1] heeft op 16 april 2021 bij de politie verklaard dat hij en zijn medeverdachten op

30 oktober 2020 in Zoetermeer aangever op straat hebben gevraagd wat hij ging doen. Aangever zei dat hij had afgesproken met een minderjarig meisje en dat hij € 70,-- aan haar zou geven. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat de verdachten tegen aangever hebben gezegd dat hij het geld aan hen moest geven. De verdachten hebben aangever vervolgens naar een nepadres gestuurd.5

3.3.2

Het oordeel van de rechtbank

Primair

De rechtbank is met betrekking tot de primair ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend is bewezen.

Subsidiair

De rechtbank is met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde afpersing in vereniging van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend is bewezen, aangezien uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten naar voren zijn gekomen om aan te kunnen nemen dat sprake was van geweld of bedreiging met geweld tegen aangever.

Meer subsidiair

Met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van oplichting overweegt de rechtbank het volgende.

Voor een veroordeling voor oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, zoals die zijn genoemd in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De ander moet door deze oplichtingsmiddelen worden bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel is bewogen tot zulke handelingen, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden kunnen enerzijds behoren de mate waarin het slachtoffer, op grond van de normale voorzichtigheid in het maatschappelijke verkeer, de onjuiste voorstelling van zaken moest herkennen en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang bezien (HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892).

De rechtbank stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte en zijn medeverdachten hebben onder een valse naam een seksueel getinte afspraak gemaakt met aangever. Ze hebben zich daarbij tegenover aangever voorgedaan als een (minderjarig) meisje met de naam [naam] . Tegen aangever hebben de verdachten (als [naam] ) verteld dat [naam] graag extra geld wilde verdienen. De verdachten hebben aangever naar Zoetermeer gelokt, waar ze zich voorgedaan hebben als ‘vertegenwoordigers’, ofwel pooiers, van die [naam] . Ze hebben tegen aangever gezegd dat hij het met [naam] afgesproken geldbedrag en zijn telefoon aan hen moest afgeven. Zij hebben aangever vervolgens de woning aangewezen waar de afspraak zou plaatsvinden en erbij gezegd dat hij een uur de tijd had. Daarna hebben de verdachten de benen genomen.

Op grond hiervan acht de rechtbank bewezen dat de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting. Ze hebben zich tegenover aangever anders voorgedaan – namelijk als het meisje [naam] – dan wie ze in werkelijkheid waren. De verdachten hebben gebruik gemaakt van een valse naam, maar ook van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels door zich bij het maken van de afspraak met aangever voor te doen als een jong meisje dat wel een betaalde seksdate wilde en door zich tijdens de afspraak voor te doen als pooiers van die [naam] . De verdachten hebben bij aangever de indruk gewekt dat als hij het met [naam] afgesproken bedrag en zijn telefoon aan hen zou afgeven, hij [naam] kon ontmoeten voor een seksdate.

De leugenachtige mededelingen waren, in onderlinge samenhang bezien, geschikt om het vertrouwen van aangever te wekken, zodat de verdachten hem konden bewegen tot de afgifte van € 50,-- en zijn mobiele telefoon.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de oplichting van aangever. Gezien de gezamenlijkheid van het handelen van de verdachte en zijn mededaders voorafgaand, tijdens en na het misdrijf, is sprake van medeplegen.

Conclusie

De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat het meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van oplichting wettig en overtuigend is bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij omstreeks 30 oktober 2020 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] bewogen tot de afgifte van een mobiele telefoon (merk Samsung) en een geldbedrag (bankbiljet 50 euro), door

- in strijd met de waarheid zich voor te doen als een (minderjarig) meisje genaamd “ [naam] ” en/of “ [naam] ” en/of “ [naam] ” en

- onder de naam van die “ [naam] ” een (seksueel getinte) afspraak te maken met die [slachtoffer] en

- ter plaatse zich voor te doen als de vertegenwoordigers van die “ [naam] ” en tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij het met “ [naam] ” afgesproken geldbedrag en zijn mobiele telefoon aan hen moest afgeven en

- een woning te wijzen waar de gefingeerde afspraak zou plaatsvinden en tegen die [slachtoffer] te zeggen “Einde van deze poort, het eerste huis moet je hebben, je hebt een uur de tijd”.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging gevorderd van de maatregel van artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod voor de duur van twee jaren met aangever, met bepaling van vervangende hechtenis van een week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast geen taakstraf op te leggen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich samen met twee mededaders schuldig gemaakt aan oplichting van aangever, waarbij € 50,-- en een mobiele telefoon buit zijn gemaakt. Nadat de verdachten met het slachtoffer in contact waren gekomen via een datingsite, is bij het slachtoffer ten onrechte de indruk gewekt dat hij een (seks)afspraak had gemaakt met een (minderjarig) meisje. De verdachten hebben aangever op de afgesproken plek aangesproken en zich als pooiers van het meisje voorgedaan. Door deze onjuiste voorstelling van zaken is het slachtoffer bewogen tot de afgifte van zijn geld en telefoon. De verdachte heeft verklaard dat hij en zijn mededaders het slachtoffer wilden confronteren met zijn gedrag en hem wilden laten weten dat het niet goed was dat hij had afgesproken met een minderjarig meisje. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij voor eigen rechter heeft willen spelen en het slachtoffer, dat door zijn kwetsbare positie mogelijk niet snel naar de politie zou gaan, op geraffineerde wijze zijn geld en telefoon afhandig heeft gemaakt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 juli 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van

29 juni 2021. De reclassering concludeert dat het rechtvaardigheidsgevoel van de verdachte in combinatie met zijn zelfverzekerdheid hebben bijgedragen aan het ontstaan van het delict. De verdachte streeft maatschappelijk geaccepteerde doelen na en toont inzicht in zijn gedrag en hoe hij zichzelf in de vingers heeft gesneden met zijn delictgedrag. De reclassering ziet als beschermende factor dat de verdachte weet hoe hij zijn toekomst in wil richten met werken en samenwonen. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en adviseert bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Zij acht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal de verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank ziet aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

De door de officier van justitie gevorderde werkstraf zal de rechtbank niet opleggen, omdat de rechtbank tot bewezenverklaring van een ander feit komt dan de officier van justitie en bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting heeft gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verdachte de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr op te leggen.

7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert hoofdelijke veroordeling van de verdachten tot betaling van een schadevergoeding van - naar de rechtbank begrijpt - € 282,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het voorgenoemde bedrag bestaat uit materiële schade, te weten € 70,-- aan ‘beroving’, € 56 aan een halve dag vrij nemen van werk en € 156,-- aan verlenging van zijn telefoonverzekering.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 50,-- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de benadeelde partij € 50,-- kan worden toegewezen en dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige onvoldoende is onderbouwd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit.

De verdachten hebben € 50,-- van de benadeelde partij afgepakt. De rechtbank zal de vergoeding van dit bedrag aan materiële schade toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de rest van zijn vordering. De posten ‘een halve dag vrij nemen van werk’ en ‘verlenging van de telefoonverzekering’ zijn door de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 oktober 2020 (de datum van het strafbare feit), omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijke veroordeling

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn ze daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het meer subsidiair ten laste gelegde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 50,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2020 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer]

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde feit:

medeplegen van oplichting;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 85 (VIJFENTACHTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 50,-- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2020 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 50,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2020 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 1 dag;

de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.P. Sno, voorzitter,

mr. V.J. de Haan, rechter,

mr. M. Warmerdam, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020337734, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam-Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 241).

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 55 – 58.

3 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 222 – 226.

4 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] , p. 234 – 238.

5 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , p. 228 – 232.