Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9312

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
AWB 20/4403 en AWB 20/4404
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bewijslast ten onrechte heeft omgedraaid door te stellen dat het aan eiser is om aan te tonen dat sprake is van een oprecht huwelijk. Verweerder had nader onderzoek moeten doen als hij vermoedt dat sprake is van een schijnhuwelijk. Verweerder heeft tevens nagelaten de verklaring van The Palestinian Mission in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te betrekken. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/4403 (beroep)

AWB 20/4404 (voorlopige voorziening)

[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1972, van onbekende nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij familie- of gezinslid [referent] ” afgewezen.

Op 3 juli 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij brief van diezelfde datum heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Bij uitspraak van 6 december 20191 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.

Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 mei 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 29 mei 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was op de zitting aanwezig [referent] , referente. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht voor zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft daartoe een verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015,2 is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden gehonoreerd, zodat eiser in beide procedures vrijgesteld is van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

Ten aanzien van het beroep

2.1.

Eiser stelt staatloos te zijn en op [geboortedatum] 1972 in Irak te zijn geboren. Hij stelt verder van Palestijnse afkomst te zijn. Eiser is op onbekende datum Nederland ingereisd en heeft op 25 januari 2010 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 14 september 2011 afgewezen, omdat de door eiser gestelde identiteit en staatloosheid niet geloofwaardig zijn geacht en daarmee ook de gestelde problemen niet geloofwaardig zijn.

2.2.

Eiser staat sinds 22 augustus 2014 ingeschreven op hetzelfde adres als referente. Op 12 augustus 2015 heeft eiser een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij deze aanvraag heeft eiser verklaard homoseksueel te zijn. Ook is een verklaring en kopie paspoort van de heer [naam] overgelegd waarin staat dat zij een relatie met elkaar hebben. Tijdens het gehoor heeft eiser verklaard dat hij bij een vriendin in Amsterdam woont en dat zij geen relatie hebben. Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht. Verder heeft verweerder bij dit besluit aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

2.3.

Eiser is op 31 oktober 2016 met referente getrouwd. Op 12 februari 2019 heeft eiser een aanvraag gedaan voor verblijf bij referente. Zij is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit.

2.4.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder een digitaal onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat eiser en referente op 30 november 2012 zijn geïnterviewd door een krant over hoe hun relatie is ontstaan. In dit interview verklaren zij dat zij elkaar sinds 2011 kennen, dat de zoon van referente hoopt dat het een serieuze relatie is en dat ze helaas nog niet kunnen trouwen.

3.1.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser een inreisverbod heeft en niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder heeft overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.6 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en ziet daarom geen reden om het inreisverbod op te heffen. Daarnaast komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM.3 In dit kader heeft verweerder overwogen dat niet wordt aangenomen dat sprake is van een reëel huwelijk tussen eiser en referente, omdat de verklaringen van eiser tijdens de asielprocedure niet stroken met het digitaal onderzoek. Voor zover wel moet worden aangenomen dat sprake is van een reëel huwelijk met referente, heeft verweerder overwogen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Volgens verweerder komt eiser ook niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

4. Niet in geschil is dat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder hem had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste. In dat verband ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of tussen eiser en referente sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

5. De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een aanvraagsituatie, zodat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij een werkelijk huwelijks- of gezinsleven uitoefent met referente. Met het overleggen van een als 'echt' aangemerkte huwelijksakte en de omstandigheid dat eiser en referente al jaren samen op hetzelfde adres wonen, heeft hij in beginsel aan deze bewijslast voldaan. Verweerder mag vervolgens de aanvraag afwijzen in het geval sprake is van een schijnhuwelijk. De bewijslast dat daarvan sprake is, rust op verweerder.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wordt aangenomen dat sprake is van een reëel huwelijk, omdat eiser in de asielprocedure heeft verklaard dat hij homoseksueel is en dat hij een relatie met een man zou hebben. Daarnaast acht verweerder van belang dat het huwelijk tussen eiser en referente slechts twee maanden nadat verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft plaatsgevonden. Gelet hierop, is het volgens verweerder aan eiser om met meer bewijsstukken te onderbouwen dat sprake is van een reëel huwelijk.

7. De rechtbank constateert dat verweerder de geldigheid van de door eiser overgelegde huwelijksakte niet betwist en zich niet kenbaar op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een schijnhuwelijk. Het bestreden besluit en het verweerschrift vermelden namelijk slechts dat “niet wordt aangenomen dat sprake is van een reëel huwelijk”. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich onder deze omstandigheden niet op het standpunt stellen dat tussen referente en eiser geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Zoals is overwogen onder 5. ligt de bewijslast voor het bestaan van een schijnhuwelijk bij verweerder. Door te stellen dat eiser de gelegenheid heeft gekregen om aan te tonen dat sprake is van een oprecht huwelijk, maar daarin niet is geslaagd, heeft verweerder deze bewijslast feitelijk omgedraaid en ten onrechte bij eiser gelegd. Verweerder had echter nader onderzoek moeten doen, zoals bijvoorbeeld door middel van een simultaan gehoor, indien hij vermoedde dat sprake is van een schijnhuwelijk. Dat is in het voorliggende geval niet gebeurd. Verweerder heeft wel digitaal onderzoek uitgevoerd, maar daaruit kan juist worden opgemaakt dat de verklaringen van eiser tijdens de asielprocedure onjuist zijn. Uit het digitaal onderzoek volgt namelijk dat eiser en referente in november 2012 (bijna drie jaar voor de opvolgende asielaanvraag) door een krant zijn geïnterviewd over hoe hun relatie is ontstaan. Dit is dan ook een indicatie dat sprake is van een daadwerkelijke relatie. De rechtbank overweegt verder dat verweerder eiser weliswaar heeft gehoord in bezwaar, maar dat uit het dossier blijkt dat het gehoor met name heeft gezien op de vraag waarom eiser in de asielprocedure anders heeft verklaard dan in de voorliggende procedure. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder - als hij vermoedt dat sprake is van een schijnhuwelijk - nader onderzoek moet doen naar de relatie tussen eiser en referente.

8. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser uitpakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De gemachtigde van verweerder heeft immers op zitting erkend dat verweerder in het kader van de belangenafweging geen rekening heeft gehouden met de verklaring van The Palestinian Mission van 25 juli 2018 en de daarbij gevoegde verklaring van de Irakese ambassade, waaruit volgt dat eiser niet terug kan keren naar Irak. Nu niet alle relevante omstandigheden kenbaar bij de belangenafweging zijn betrokken, is alleen al daarom sprake van een gebrek.

9. De in het bestreden besluit gehandhaafde weigering om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste, berust dan ook niet op een deugdelijke motivering en berust op onvoldoende zorgvuldig onderzoek door verweerder. Dat is in strijd met artikel 7:12 en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet opnieuw op het bezwaar van eiser beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

10. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602,-,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/4403,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit; en,

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/4404,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in beide zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.602,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Pielaat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 AWB 19/5127.

2 ECLI:NL:CRVB:2015:282.

3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.