Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9310

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
C/09/612364 / KG ZA 21-490
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding IE. Inbreuk op handelsnaamsrecht afgewezen, omdat de handelsnamen van partijen niet genoeg op elkaar lijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/612364 / KG ZA 21-490

Vonnis in kort geding van 3 augustus 2021

in de zaak van

[eiser] T.H.O.D.N. STIJL & TRADITIE, IN OMNIA PARATA uitvaartzorg,

te Den Haag,

eiser,

advocaten mrs. J.R. van Dorp en D.M. Linders te Amsterdam,

tegen

STIJL UITVAARTPLANNERS B.V.,

te Rijswijk,

gedaagde,

vertegenwoordigd door haar indirect bestuurder de heer D. Friperson.

Partijen zullen hierna [eiser] en de BV genoemd worden.

1 Inleiding

1.1.

[eiser] drijft een eenmanszaak en verricht diensten op het gebied van uitvaartzorg en rouwverwerking. Ook de BV verleent diensten in de uitvaartbranche. [eiser] gebruikt voor zijn onderneming meerdere handelsnamen met daarin de woordcombinatie ‘Stijl en Traditie’ en de handelsnaam van de BV is ‘Stijl Uitvaartplanners’. [eiser] wil dat de BV een andere naam kiest voor haar onderneming, onder meer omdat de beide handelsnamen teveel op elkaar lijken en dat verwarring wekt bij het publiek. [eiser] doet een beroep op twee wettelijke bepalingen: artikel 5 van de Handelsnaamwet en artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek, de zo genoemde onrechtmatige daad. [eiser] heeft de kort geding rechter in deze zaak (ook wel genoemd: de voorzieningenrechter) gevraagd om de BV te verbieden haar handelsnaam nog langer te gebruiken.

1.2.

De voorzieningenrechter geeft [eiser] geen gelijk, omdat de handelsnaam Stijl Uitvaartplanners daarvoor niet genoeg op de handelsnamen van [eiser] lijkt. Deze beslissing is voorlopig omdat het hier gaat om een kort geding procedure: een korte procedure voor een situatie die spoedeisend is. [eiser] kan een nieuwe procedure (een bodemprocedure) aanspannen tegen de BV om de zaak alsnog in een volledige procedure te laten beoordelen.

1.3.

De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe en waarom zij tot dit oordeel is gekomen. Onder ‘de procedure’ wordt eerst op een rijtje gezet wat het verloop van de kort geding procedure is geweest. Vervolgens staat onder ‘de feiten’ waar partijen het over eens zijn dat er in de aanloop naar deze procedure is gebeurd. De voorzieningenrechter gaat in haar oordeel van die feiten uit. Daarna wordt onder ‘het geschil’ weergegeven wat de vordering van [eiser] precies is en waarom hij meent daar recht op te hebben. Onder ‘de beoordeling’ geeft de voorzieningenrechter aan wat het wettelijk kader is waaraan zij toetst en licht zij haar oordeel op alle vorderingen toe. De beslissingen die daaruit volgen worden uiteindelijk weergegeven onder ‘de beslissing’.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 mei 2021, met producties EP01 t/m EP14;

  • -

    de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [eiser] toegezonden pleitnota;

  • -

    het e-mailbericht van [eiser] van 15 juli 2021, met productie EP15 (het proceskostenoverzicht).

2.2.

Op 16 juli 2021 heeft (vanwege de uitbraak van het COVID-19 virus: op digitale wijze) de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, heeft de griffier aantekeningen gehouden. Een schikking is niet bereikt, en daarom heeft de voorzieningenrechter bepaald dat er vandaag vonnis wordt gewezen.

3 De feiten

3.1.

[eiser] heeft zijn eenmanszaak op 23 augustus 2006 opgericht en verricht daarmee diensten op het gebied van uitvaartzorg en rouwverwerking in het hele land, met de nadruk op de regio Haaglanden. [eiser] heeft onder meer klanten in Den Haag, Voorburg, Zoetermeer, Rijswijk en Delft.

3.2.

[eiser] hanteert in het economische verkeer de volgende handelsnamen (hierna te noemen: de [eiser] Handelsnamen):

 Stijl & Traditie

 Stijl en Traditie

 Stijl & Traditie Uitvaartzorg

 Stijl en Traditie Uitvaartzorg

 Stijl & Traditie [eiser] uitvaartzorg

 Stijl en Traditie [eiser] uitvaartzorg

 Stijl en Traditie Rouwvervoer

3.3.

[eiser] voert deze handelsnamen onder meer door vermelding van de handelsnamen in correspondentie en off- en online (reclame)uitingen, door het gebruik van de website www.stijlentraditie.nl en door het gebruik van een e-mailadres eindigend op @stijlentraditie.nl.

3.4.

De BV is opgericht op 19 december 2016 en houdt zich bezig met het uitoefenen van werkzaamheden op het gebied van uitvaartverzorging en repatriëring.

3.5.

De BV verleent haar diensten onder meer onder de handelsnaam Stijl Uitvaartplanners (hierna ook te noemen: de BV Handelsnaam). De BV voert deze handelsnaam onder meer door het gebruik van haar domeinnaam stijl-uitvaartplanner.nl, onder welke domeinnaam de website www.stijl-uitvaartplanner.nl actief is, door het gebruik van een e-mailadres eindigend op @stijl-uitvaartplanner.nl en door vermelding van de handelsnaam in correspondentie.

3.6.

[eiser] heeft op 30 april 2020 een factuur ontvangen van Uitvaartverzorging Myosotis, in reactie waarop hij Myosotis heeft laten weten dat de factuur bedoeld was voor de BV. In november 2020 heeft hij een factuur ontvangen van het Alrijne ziekenhuis, welke factuur blijkens de daarbij gevoegde specificatie voor de BV bestemd was.

3.7.

Op 5 december 2020 heeft [eiser] de BV aangeschreven in verband met gestelde inbreuk op de [eiser] Handelsnamen, waarin [eiser] onder meer staking van het gebruik van de BV Handelsnaam heeft gevorderd.

3.8.

Op 23 december 2020 heeft de advocaat van [eiser] een sommatie gestuurd aan de BV, waarin zij haar – kort gezegd – gesommeerd heeft de inbreuken op de [eiser] Handelsnamen te staken.

3.9.

De BV heeft niet inhoudelijk gereageerd op de door of namens [eiser] verzonden sommaties.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. de BV veroordeelt om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis ieder gebruik van de BV Handelsnaam, de domeinnaam www.stijl-uitvaarrtplanner.nl, de e-mailadressen eindigend op @stijl-uitvaartplanner.nl, en iedere andere (handels)naam die identiek is aan of slechts in geringe mate afwijkt van de [eiser] Handelsnamen te staken en gestaakt te houden alsmede voor eigen rekening te wijzigen;

2. de BV veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de BV Handelsnaam en alle overige (handels)namen die identiek zijn aan of slechts in geringe mate afwijken van de [eiser] Handelsnamen uit te (laten) schrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en deze uitgeschreven te houden;

3. de BV veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (‘SIDN’) schriftelijk te verzoeken om de registratie van de domeinnaam www.stijl-uitvaartplanner.nl over te dragen aan [eiser] en een afschrift van dit verzoek alsmede informatie over de verdere afhandeling daarvan aan [eiser] te verstrekken;

4. de BV veroordeelt tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 2.000,-voor iedere overtreding van het hiervoor onder 1 tot en met 3 gevorderde te vermeerderen met € 500,- voor iedere dag of deel daarvan dat de BV met de gehele of gedeeltelijke nakoming van het bevel of de bevelen in gebreke blijft;

5. de BV veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten een rectificatie te plaatsen in alle lokale kranten in de regio Haaglanden, Rotterdam en in alle gebieden waarin de BV de afgelopen vijf jaar handelsactiviteiten heeft ontplooid, alsmede in alle vakbladen binnen de uitvaartbranche, alsmede op de zakelijke en persoonlijke sociale media account(s) van (de eigenaar van) de BV, met de tekst zoals in het petitum van de dagvaarding is opgenomen:

6. de BV veroordeelt in de kosten van dit geding op de voet van artikel 1019h Rv1, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente;

7. de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv bepaalt op 12 maanden, te rekenen vanaf de datum van het vonnis;

4.2.

[eiser] legt aan deze vorderingen primair ten grondslag dat de BV inbreuk maakt op de [eiser] Handelsnamen zoals bedoeld in artikel 5 Hnw2. Subsidiair stelt [eiser] dat de BV onrechtmatig jegens [eiser] handelt door de naamvoering van de eenmanszaak na te bootsen, waardoor er nodeloos verwarring optreedt en [eiser] schade lijdt.

4.3.

De BV voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Het – voor toewijzing van een vordering in kort geding vereiste – spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen vloeit voort uit de aard van de vorderingen. Het spoedeisend belang is ook niet door de BV betwist.

5.2.

Op grond van artikel 5 Hnw is het verboden om een handelsnaam te voeren die, voordat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover als gevolg daarvan, in verband met de aard van beide ondernemingen en de plaats waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen in ieder geval niet in geschil is dat [eiser] als onderneming eerder met de [eiser] Handelsnamen aan het economisch verkeer deelnam dan de BV met de BV Handelsnaam.

5.3.

Niet in geschil is dat de BV Handelsnaam niet identiek is aan één of meer van de [eiser] Handelsnamen. Voor toewijzing van de vorderingen op grond van de handelsnaamwet dient derhalve beoordeeld te worden of de BV Handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt van de [eiser] Handelsnamen. Daartoe vergelijkt de voorzieningenrechter de BV Handelsnaam (Stijl Uitvaartplanners) eerst met één van de [eiser] Handelsnamen, te weten de handelsnaam Stijl en Traditie Uitvaartzorg.

5.4.

Voorlopig oordelend kan niet worden vastgesteld dat, zoals [eiser] aanvoert, het element ‘stijl’ het meest kenmerkende of dominante bestanddeel van de handelsnaam Stijl en Traditie Uitvaartzorg is. Weliswaar is het woord ‘uitvaartzorg’ beschrijvend van aard en draagt het als zodanig niet bij aan het onderscheidend vermogen, maar dat is anders voor het woord ‘traditie’ ten opzichte van het woord ‘stijl’. Dat laatste woord heeft weliswaar een kenmerkende klank, zoals [eiser] betoogt, maar ook het woord ‘traditie’ heeft een eigen geluid. Als het woord ‘stijl’, zoals [eiser] in dit kader heeft gesteld, al geen voor de hand liggende term in de uitvaartbranche is, brengt dat nog niet mee dat het ten opzichte van het woord ‘traditie’ het meest kenmerkende element is. Dat het woord ‘traditie’ een gebruikelijker gevoel zou zijn bij een uitvaart dan het woord ‘stijl’ is niet onderbouwd. Het feit dat het woord ‘stijl’ het eerste woord is zorgt voor een zekere nadruk op dat woord, maar even zo goed blijft het woord ‘traditie’ dat als laatste klinkt en bovendien uit drie lettergrepen bestaat in plaats van één, langere tijd in het geheugen hangen. Voorshands oordelend zijn de woorden ‘stijl’ en ‘traditie’ dan ook beide even kenmerkend voor de handelsnaam Stijl en Traditie Uitvaartzorg.

5.5.

[eiser] heeft nog gewezen op een uitspraak van de Voorzieningenrechter Midden-Nederland waarin is geoordeeld dat het woord ‘puur’ als het meest kenmerkende element van de handelsnaam Puur Professionele Uitvaartzorg kan worden beschouwd. [eiser] gaat er echter aan voorbij dat de overige woorden in die handelsnaam, zoals de betreffende voorzieningenrechter ook heeft overwogen, zuiver beschrijvend van aard zijn waar in de handelsnaam Stijl en Traditie Uitvaartzorg dat alleen geldt voor het woord ‘uitvaartzorg’ terwijl het woord ‘traditie’ niet zuiver beschrijvend van aard is. Dit betoog kan hem dus alleen al daarom niet baten.

5.6.

Uitgaande van het voorgaande bestaat de overeenstemming tussen enerzijds Stijl Uitvaartplanners en anderzijds Stijl en Traditie Uitvaartzorg uit het gebruik van het woord ‘stijl’ als eerste woord en een laatste woord dat in meer of mindere mate beschrijvend is voor de activiteiten van de onderneming. Voorts eindigen beide handelsnamen met een samengesteld woord dat begint met ‘uitvaart’. Verschil tussen beide is dat Stijl en Traditie Uitvaartzorg uit vier woorden bestaat, waaronder twee kenmerkende woorden en een zuiver beschrijvend samengesteld woord dat veel wordt gebruikt in de uitvaartbranche. Stijl Uitvaartplanners bestaat uit twee woorden waarvan één zeker kenmerkend is en een tweede samengesteld woord dat in ieder geval niet gangbaar is voor de aangeboden diensten en daarom meer onderscheidend is dan het woord ‘uitvaartzorg’. Dat het woord ‘uitvaartplanner’ ook een andere gevoelswaarde heeft omdat het hipper klinkt dan het meer voorkomende ‘uitvaartzorg’ is bovendien niet bestreden. Voorts verschilt het tweede deel van het samengestelde woord in lengte, namelijk ‘planners’ ten opzichte van ‘zorg’. Deze verschillen leiden tot het voorlopig oordeel dat de handelsnaam Stijl Uitvaartplanners in meer dan geringe mate afwijkt van de handelsnaam Stijl en Traditie Uitvaartzorg.

5.7.

De voorzieningenrechter heeft de BV Handelsnaam hiervoor vergeleken met de handelsnaam Stijl en Traditie Uitvaartzorg omdat deze, voorshands oordelend, van alle [eiser] Handelsnamen de meeste punten van overeenstemming en de minste punten van verschil heeft met de BV Handelsnaam. Wanneer Stijl Uitvaartplanners wordt vergeleken met de andere [eiser] Handelsnamen, dan is het aantal punten van overeenstemming kleiner en/of is het aantal punten van verschil groter dan hiervoor sub 5.6 is overwogen. Ten opzichte van de handelsnamen Stijl & Traditie en Stijl en Traditie is het enige punt van overeenstemming nog het gebruik van één van de twee kenmerkende elementen van die handelsnamen terwijl een extra verschil is de toevoeging van het element ‘uitvaartplanners’. Ten opzichte van de handelsnamen Stijl & Traditie [eiser] uitvaartzorg en Stijl en Traditie [eiser] uitvaartzorg geldt dat extra verschillen zijn dat Stijl Uitvaartplanners drie woorden korter is en geen eigen naam bevat wat een kenmerkend element vormt in die [eiser] Handelsnamen. Ten opzichte van Stijl en Traditie Rouwvervoer is ook het enige punt van overeenstemming nog het gebruik van één van de twee kenmerkende elementen terwijl een extra punt van verschil is dat voor een geheel andere toevoeging is gekozen dat ook een geheel andere betekenis heeft (‘uitvaartplanners’ tegenover ‘rouwvervoer’).

5.8.

Nu naar voorlopig oordeel de BV Handelsnaam ten opzichte van alle [eiser] Handelsnamen daar in meer dan geringe mate van afwijkt, is geen verwarringsgevaar als bedoeld in artikel 5 Hnw te duchten. [eiser] heeft er weliswaar op gewezen dat hij is geconfronteerd met facturen en bloemstukken van professionele dienstverleners die waren bedoeld voor de BV, maar dat kan hem in deze specifieke situatie niet baten. Artikel 5 Hnw beschermt degene die als eerste rechtmatig de handelsnaam voerde tegen schade die ontstaat doordat bij de consument sprake is van een onjuiste indruk over de identiteit van de respectievelijke ondernemingen en tegen dreigende afname van het klantenbestand. Het gaat niet om verwarring tussen de handelsnamen zelf.3 Zonder nadere omstandigheden die niet zijn gesteld, kan niet worden geoordeeld dat door het enkele feit dat zakelijk dienstverleners zich vergist hebben in de namen van de beide ondernemingen, de concurrentiepositie van [eiser] mogelijk wordt geschaad. Daarom kan voorshands oordelend het op grond van artikel 5 Hnw gevorderde verbod niet worden toegewezen.

5.9.

[eiser] heeft zich subsidiair beroepen op onrechtmatig handelen zijdens de BV door de [eiser] Handelsnamen na te bootsen en daarmee nodeloos verwarring te doen ontstaan, waardoor hij schade heeft geleden, onder meer bestaande uit aantasting van de exclusiviteit van zijn handelsnamen en het mislopen van opdrachten. Hij voert daartoe aan dat de eigenaar van de BV in januari 2020 negatief in het nieuws is gekomen door een conflict van de onderneming met een cliënt dat is uitgemond in een juridische procedure.

5.10.

Gelet op de hiervoor in het kader van de primaire grondslag besproken verschillen tussen de [eiser] Handelsnamen en de BV Handelsnaam is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de BV Handelsnaam voldoende afstand bewaart tot de [eiser] Handelsnamen, zodat nadere omstandigheden nodig zijn om te kunnen oordelen dat sprake is van onrechtmatig handelen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe een mogelijke wanprestatie van de BV in relatie tot een eigen cliënt onrechtmatig zou zijn jegens [eiser]. Andere bijkomende omstandigheden zijn gesteld noch gebleken en evenmin is aangevoerd dat de BV heeft gekozen voor handelsnamen met daarin het woord ‘stijl’ om [eiser] te benadelen of juist aan te haken bij de [eiser] Handelsnamen. De vorderingen in deze kort gedingprocedure kunnen om die reden evenmin op grond van onrechtmatig handelen worden toegewezen.

Slotsom

5.11.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen worden afgewezen en [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van de BV.

5.12.

De BV heeft in deze procedure zonder juridische bijstand geprocedeerd. Nu de mondelinge behandeling op digitale wijze heeft plaatsgevonden zodat de bestuurder van de BV vanaf een locatie naar keuze de zitting heeft kunnen bijwonen en geen kosten voor reis- of verblijfkosten heeft hoeven maken, begroot de rechtbank die kosten op nihil, te vermeerderen met € 667,- aan geheven griffierecht. Dat bedrag wordt toegewezen.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de BV begroot op € 667,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken door

mr. D. Nobel op 3 augustus 2021.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 Handelsnaamwet

3 Zie bijvoorbeeld R. Chalmers Hoynck van Papendrecht, De Handelsnaamwet onder de loep (2020), paragraaf 8.4